Menno Hurenkamp

Amandelen als saluut aan het hof

Twee keer van dichtbij gezien — ontmoet is een veel te zwaar woord. Om Jan Pronk te interviewen voor een jubileumboekje antichambreerde ik als student op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Het duurde nogal, de vorige afspraak van de minister liep uit. Uiteindelijk, na een kwartier of drie, ging de deur van de minister open. Weggezakt in departementaal meubilair wilde ik boos kijken naar degene die voor mijn oponthoud zorgde, maar ik zag de man van de koningin naar buiten komen. Claus, het enige lid van het koninklijk huis met een sympathiek aura — alleen, zonder hermelijn en koets. Daar was ik praatjesmaker niet op verdacht. Terwijl hij groette, vriendelijk als iemand die weet wat het nauwe verschil is tussen wellevendheid (dat leer je) en vriendelijkheid (dat heb je), voelde ik aan de tocht op mijn keel dat mijn mond open hing. Natuurlijk wist ik dat hij een belangrijk adviseur was op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, maar zo’n man los zien lopen is toch wat anders.

Ik heb me nog lang geschaamd om die onnozele reactie — vaderlijk knikken, over de volle breedte van de wachtkamer goedenavond! schallen of hem desnoods helemaal negeren, het was allemaal beter geweest dan mijn tentoongestelde amandelen als saluut aan het hof.

Om nog wat details na te vragen, ging ik twee weken later terug naar Pronk, met een metgezel die op hetzelfde terrein actief was. Wachtend weggezakt in de bruine fauteuils zei ik hem dat hij niet zou raden wie ik bij de vorige afspraak hier tegen het lijf liep. Mijn partner begon te gokken, liep een rijtje quizmasters en 1974-voetballers af. Nee, schudde ik grijnzend, het was prins Claus. Ik vertelde over mijn gebrekkige optreden. Hij kon maar amper grinniken of de deur zwaaide open en ook dit keer verscheen de prins, zonder lijfwachten, zonder poespas. Nu hing ook de mond van mijn collega open, lang en storend. De hoogheid zal zeker gedacht hebben dat het een besmettelijke ziekte was, of dat we pleitbezorgers waren van door te nauw aangehaalde familiebanden beperkt begaafden, die om regionale ontwikkelingshulp kwamen vragen. Weer groette hij oprecht vriendelijk, bezorgd misschien wel dat het in dit land zo lang duurde voor de zuurstofgebrekkigen financiële ondersteuning kregen.

Claus was een zo goed als monddode deelnemer aan Big Brother. Altijd zichtbaar, altijd gespreksonderwerp, alleen mocht hij bij wijze van uitzondering niets terugzeggen, nooit een mening hebben. En voor die koninklijke terughoudendheid is iets te zeggen. Ik tekende helaas een petitie (mijn laatste) tegen de uit de hand lopende onderdrukking van de Palestijnen. Om tot mijn schrik te ontdekken dat Gretta Duisenberg zich als woordvoerder van de handtekeningzetters opwierp. Een ijdel mens, niet van den bloede maar wel uit Franse nette kringen, dat met een nare grap — ze wilde «zes miljoen» handtekeningen tegen Israël ophalen — liet zien hoe dun de lak van beschaving soms is. Een ongericht sentiment duikt in me op om het onderscheid tussen adel en arrivés te onderstrepen, om de schuldbewuste Duitsers boven de berucht antisemitische Fransen te verheffen. Ter compensatie van mijn openhangende mond blijf ik deze keer beleefd.