Amandelogige stoot

WOODY ALLEN
LOUTER ANARCHIE
Vertaald door Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes, De Bezige Bij, 175 blz., € 17,50

Woody Allen is een grappige man. Dat is al jaren bekend en hoeft hier niet te worden uitgelegd, maar dat betekent niet dat wanneer de beste man een bundel publiceert met komische verhalen dit geen heuglijk nieuws is.

Net als zijn films zijn de verhaaltjes in Louter anarchie schetsen van het grootstedelijke bestaan, vooral verteld door intellectuele kneusjes, immer struikelend over hun libido, continu in conclaaf met hun psychoanalyticus. Misschien is dit wel het manco: eigenlijk heeft Allen maar één stem en één karakter, waardoor het boek zich niet direct leent om in één zitting te worden uitgelezen. Dat is te veel van het goeie. Maar indien uitgesmeerd over een aantal korte leesmomenten is het een hilarische kennismaking met makelaars van ‘Mengele Vastgoed’ en een aannemer die wordt beschreven als een ‘wasbleke ectomorf met de glimoogjes van een illegale goudzoeker in een John Wayne’, wiens bouwvakkers Allens douche verbouwen ‘met als voorbeeld de gapende jaap in de romp van de Titanic’. De vrouwen die hij tegenkomt behoren ofwel tot de categorie ‘amandelogige stoot’ of ‘jonge blonde vrouw die mooi gevonden zou kunnen worden, ware het niet dat ze als twee druppels water leek op Bela Lugosi’.

Het grappigst is Allen – en met grappig bedoel ik ‘hardop lachen’-grappig – in het verhaal Boven de wet, onder de springveren, een parodie op Truman Capote’s In Cold Blood. In dit geval doet een journalist bericht vanuit Wilton’s Creek, een onbetekenend dorpje ergens in de Midwest – ‘Het land is er bebouwbaar en wordt voornamelijk aangetroffen op de grond’ – waar onbekenden zonder toestemming het labeltje van een stel matrassen hebben gehaald, een strafbaar feit. Feilloos drijft Allen de spot met de triviale observaties waar het new journalism van Capote mee doorspekt is. ‘(Motoragent) Boggs was twee keer gezakt voor het schriftelijk, de eerste keer omdat zijn uitleg van Wittgenstein niet naar tevredenheid was van de dienstdoende brigade, en daarna omdat hij Ovidius verkeerd had vertaald.’

Net als Capote’s moordenaars wordt de misdadiger in zijn kraag gevat en wacht hij jarenlang op zijn doodvonnis. (‘In die tijd leerde hij in de gevangenis een vak en werd hij een zeer ervaren luchtvaartpiloot.’) De journalist maakt uiteindelijk de voltrekking van het vonnis mee, en mijmert afsluitend over het nut van de doodstraf; ‘Of [het] afschrikwekkend werkt blijft twijfelachtig, hoewel studies hebben uitgewezen dat de kans dat criminelen nog een misdaad plegen met ongeveer vijftig procent afneemt na hun executie.’