Ambulanceverpleegkundige jan fillippo

‘ELK VAK HEEFT een bepaalde sleur, ook het onze. Maar toch, je hebt geen twee dagen dezelfde ritten. Na dertien jaar heb ik nog steeds gevallen waarvan ik denk: dit is de eerste keer dat ik dit meemaak en ik hoop dat het de laatste is.

Je bent eigen baas als je op de weg zit. Je kunt doen en laten wat je wilt, maar als er klachten komen, word je daar flink op afgerekend. Je bent uit het zicht van het bedrijf. Dat vraagt veel vertrouwen en verantwoordelijkheid. Je kunt meestal niet overleggen met de baas, dus je moet precies weten wat je te doen staat als je ergens op afgaat. Soms is dat erg moeilijk, want je weet niet altijd wat je voor je kiezen krijgt. “Iemand onwel geworden op straat” is soms je enige informatie. Dat kan van alles betekenen. Van een epileptische aanval tot een schietpartij. Soms sta je onverwachts tot aan je enkels in het bloed.’
‘IK BEN SINDS 1985 ambulanceverpleegkundige. De verpleger is verantwoordelijk voor al het medische op de wagen. De chauffeur assisteert. En hij probeert je veilig en snel te vervoeren. Dat moet je niet te licht nemen. Ik kan me geen aanrijding herinneren met een patiënt aan boord, wel aanrijdingen zonder. Twee keer een ernstige, met zwaar lichamelijk letsel.
Er is nooit zo veel haast dat we onze eigen veiligheid op het spel zettten. Op die vijf seconden komt het niet aan als iemand stervende is. Wat heeft het voor zin om de hulpverlening te starten met een hulpverlener minder en een slachtoffer meer?
’s Ochtends controleren we onze ambulance. Kijken of het basismateriaal compleet is en alle apparaten goed functioneren. Dan koffiedrinken totdat de bel gaat. Als die klinkt moet je rijden. Er zijn twee soorten ritten: bestelde en niet-bestelde. Bestelde ritten hoeven niet met loeiende sirenes. Maar als iemand gevallen is en zijn heup heeft gebroken, moet je hem ook weer niet een dag laten liggen. Het spoedvervoer fietst er de hele dag tussendoor. Huisongevallen, straat-, sport- en bedrijfsongevallen, levensbedreigende ziektebeelden, hartinfarcten, hersenbloedingen, bevallingen die in het honderd dreigen te lopen. Het is altijd druk. Rit doen, kwartiertje uitblazen in de garage, en weer rijden. Je bent continu op weg.
Soms komen we te laat door omstandigheden waar we niets aan kunnen doen. Als het spitsuur is, bijvooorbeeld, of tijdens koninginnedag. Vegeet het dan maar om met je auto door de menigte te komen. Soms moet je in een reusachtige flat zijn. Eerst paaltjes weghalen, dan de auto in de parkeergarage zetten want ergens anders is geen plaats. Als dan ook nog na een rondje rennen om de flat blijkt dat je de achterste lift moet hebben naar acht hoog, dan word ik niet goed. Da’s niet best voor de patiënt. Maar je kunt er niets aan doen, daar moet je je bij neerleggen. Anders kost het je je éigen gezondheid.’
'BEKNELLINGEN, DIE VIND ik erg. Het komt wel eens voor dat een lijk zo vast zit dat het met wrak en al naar het politiebureau wordt vervoerd en daar wordt losgeknipt. Beknellingen herinner ik me vaak nog wel. Een auto onder een stadsbus. Werd in één klap een cabriolet. Een achtervolging in de IJtunnel, auto tegen de muur, op zijn kop. Weinig meer van over. Je zou verwachten dat iemand na zo'n ongeval in duizend stukjes ligt, maar nee hoor.
Een jongen pleegde zelfmoord door met zijn auto in volle vaart tegen een muur te rijden. Van buiten zag hij er nog helemaal intact uit, maar toen we hem er eindelijk uit hadden en op de brancard legde, was hij net een zak met sleutels. Alles zat er nog aan, maar elk botje was gebroken.
Ik doe zo'n duizend ritten per jaar, dus lang niet alles blijft me bij. Bij mij is de herinnering vaak verbonden aan een locatie. Als ik door de stad rijd, denk ik: daar werd iemand neergestoken, daar verloor iemand een been. Ik herinner het me, maar ik vind het niet per se schokkend. Als iemands darmen eruit komen, herinner ik me dat omdat je zoiets niet elke dag meemaakt.
Maar de eerste keer dat ik iets heftigs meemaakte zal ik nooit vergeten. Ik moest een patiënt ophalen met een longtumor, op een boerderij. Het was in 1978, 22 was ik. De ambulance stond aan de weg, we moesten een meter of vijftig lopen met die man op de brancard. Rijdende brancards had je toen nog niet. Op het moment dat we hem de auto in tillen, krijgt die mijnheer een longbloeding. De tumor had een slagader aangevreten. Zijn longen liepen vol met bloed, hij stikte terwijl hij volledig bij kennis was. Ik kon niets doen. Die man stierf daar onder mijn handen, bloed spugend. Dat laat me nooit meer los. Maar de volgende dag ben ik weer aan het werk gegaan. Je moet het parkeren in een zijkamertje. Als je dat niet kunt, ga je eraan onderdoor.’
'DE ECHT ZWARE ritten, aanrijdingen, schietpartijen, worden nooit gesneden koek. In feite zijn dat voor ons de krenten in de pap. Geen twee ongevallen zijn hetzelfde. Zelfs het letsel lijkt elke keer weer anders.
In zo'n situatie mag je geen fout maken. Je moet al je kennis en improvisatievermogen uit de kast halen. Tegenwoordig gaan we elk ongeval volgens dezelfde methode te lijf. Ook al liggen er drie slachtoffers met drie verschillende letsels, als je de methodiek volgt, kom je er altijd uit.
Vroeger was het vaak een rotzooitje op het ongevalterrein. Bij mijn eerste grote ongevallen had ik het gevoel dat ik niet wist waar ik moest beginnen. Een gebroken been spalken, maar vergeten te luisteren naar de ademhaling van de patiënt. Dan kunnen er dingen ontzettend fout gaan. Gelukkig hebben we nu een protocol en veel betere apparatuur dan vroeger. De eerste ambulance die ter plekke is, doet niets anders dan hulpverleners die later komen vertellen wat ze moeten doen. Nu loopt het allemaal gesmeerd. Ons vak evolueert.’
'WE HEBBEN EEN speciale ambulance voor lijkenvervoer. De cabine is helemaal van pvc en bevat geen medische apparatuur. Je kunt hem zo schoonspuiten. Net een visauto. Die wordt onder meer ingezet als iemand voor de trein is gesprongen. Van die mensen is meestal niet veel meer over. We bieden goede service: snel en accuraat. Als je nu belt, staat de lijkenambulance er over een kwartier. Dat moet ook wel, de NS wil het spoor weer snel vrij hebben.
De resten weghalen van iemand die voor de trein is gesprongen, is vreselijk. Moet je je eens voorstellen dat je een hoofd vindt. Maar als je het voor de vierde keer meemaakt, blijk je eelt op je ziel te hebben gekregen. Ik moest ooit iemand vervoeren die met een riotgun in zijn lies was geschoten. Daar zit een belangrijke ader, dus lag er vijf liter bloed in die snackbar. Je raakt gehard. Laken eroverheen, afmelden en je krijgt een nieuwe rit. Dat kan een rustig ritje zijn. Of nóg iets bloedigs.
Een keer in de week een groot ongeval kan ik wel aan. Maar vijf per week gaat niet meer. In het verleden was er geen oog voor dat je daar stapel mesjogge van kunt worden. Toen heerste hier een machocultuur. Niet janken, doorgaan. Gelukkig is dat veranderd. We hebben sinds een half jaar een Project Opvang Schokkende Ervaringen.
Al die ellende stapelt zich op. Het is een soort vuilnisvat. Daar kan veel in, maar op een gegeven moment zit het vol. Bij de een gebeurt dat nooit, bij de ander na tien jaar. Een derde gaat met pensioen en krijgt dan pas slapeloze nachten. Het is tegenwoordig toegestaan dat je er eventjes uitgaat met de chauffeur. In de garage bijkomen achter een kop koffie en met elkaar praten over wat je net hebt meegemaakt. Maar als het niet te zwaar is doen we er een ongeval achteraan. Net zo makkelijk.
Een paar jaar geleden ging het mis. Of de duvel ermee speelde. In twee weken tijd kreeg ik een stuk of tien reanimaties. Vaak overleven mensen een hartstilstand niet. Dan vecht je voor iemands leven, maar uiteindelijk verlies je de strijd. Het gaat je niet in je koude kleren zitten als mensen van net veertig zo, pats, voor je ogen overlijden. Mijn vat was vol. Ik moest er even tussenuit.’
'IN DIT WERK zie je veel ellende, maar het is ook fascinerend. Iemands leven redden is schitterend. En er zijn prachtige kleine dingen. Een verwarming aan de praat krijgen in het ijskoude huis van een oude mevrouw. Even langs de nachtapotheek rijden voor een patiënt die in je wagen ligt. Of boodschappen doen voor iemand die in de supermarkt niet lekker wordt. Dat is een stukje extra service.
Toch is mijn beroep een beetje miskend. We redden aardig wat mensen het leven, maar ik denk dat ik in al die jaren maar vijf reacties heb gehad. Dat vind ik jammer. Mensen beseffen niet hoe belangrijk we zijn. Het gaat niet alleen om de chirurg, wij zijn er ook nog.
Maar ik zou niet anders willen. Ons vak is zó intiem. e loopt zomaar binnen bij iemand die je niet kent. Vaak zijn we aanwezig bij geboorte en dood. Dat is niemand gegeven, alleen ons.’