Amen

Een vorm vinden die plaats biedt aan de rotzooi, dat is de taak van de kunstenaar, zei Samuel Beckett. Wat die vruchtbare verwarring kan betekenen, laten David Bade en Georg Herold zien.

De aartsengel Gabriël was de boodschapper van God. Hij was het die Maria de aanstaande geboorte van een zoon verkondigde - een blijde boodschap die vereeuwigd is in vele mooie schilderijen. In de grote tekening met de titel Amen, van David Bade, staat de firmanaam Gabriel geschreven op de ruit van een auto van een koeriersdienst die de kunstenaar voorbij zag komen. Toen viel hem de ironie op: een aartsengel is een bestelwagen geworden die nu, in de tekening, uit het niets verschijnt - aan de bovenrand van het blad, net boven een vreemde totemachtige kop die ons streng lijkt aan te staren. Of is die kop toch een masker? Veel van wat we in Amen zien lijkt het resultaat van los en vrijmoedig geteken met houtskool. De lijnen buigen en kronkelen om elkaar heen. Ze bewegen zich voort en uit dat bewegen ontstaan weer nieuwe wendingen. Het gewrocht lijkt misschien op een masker, met ogen en een neus, een vervormde mond en dunne uitstulpsels aan de kin (als bij een meerval) en daaronder nog een soort halsband met spitse ornamenten. Hoe langer je kijkt, hoe meer je begint te zien - en ook, hoe minder je nog precies kunt herkennen.
Van links begint het met de wonderlijke gestalten: de twee bobbelige figuren in bruin, gekneed uit klei lijkt het wel, die een koddig dansje opvoeren en dan daarboven twee staken of bomen (rechts misschien een knotwilg) die echter ook een soort stijve armen hebben die iets dragen. Ik zei: daarboven - maar het kan ook daarachter zijn, want de ruimtelijke opbouw van de figuratieve mise-en-scène is door de hele tekening heen dubbelzinnig. Boven de twee zogenaamde bomen, bijvoorbeeld, of iets verder weg, zijn wat kleine figuurtjes gerangschikt. Daarvan heeft Bade me gezegd dat ze staan opgesteld als voetballers op het veld of liever als in het schema waarmee op de televisie voor de kijkers de opstelling wordt toegelicht. Maar wat weet ik dan nog? Er is ook die netachtige verknoping van lijnen die rechtsonder het blad vullen. In een geval wordt door draden een langwerpig volume ingesnoerd. Bade moest denken, zei hij, aan flessen Spaanse wijn met daaromheen een sierlijk netwerk van goudkleurige draden.
Kennelijk dus, en dan heb ik nog maar een paar details proberen te ontraadselen, is deze boeiende tekening vooral een impulsieve accumulatie van allerlei visuele incidenten die de kunstenaar bij het tekenen van her en der te binnen schoten en ook van allerlei grafische capriolen die hij al doende niet verloren wilde laten gaan. Toch blijken (zoals bij de wijnflessen of de voetballers) zijn invallen heel concreet ergens vandaan te komen. Waarschijnlijk zou Bade bij elk detail een verhaal kunnen vertellen. Maar daar is geen beginnen aan. Waar we dus naar kijken is een intrigerende neerslag van het mechanisme van zijn verbeelding - waarop wij dan onze verbeelding kunnen loslaten. Toen hij ten slotte besloot dat het met tekenen wel genoeg was, bleek dat een groot stuk van het blad nog leeg was. Daar heeft hij maar Amen geschreven, ongeveer als een zucht van verlichting: dat was dan dat.
Vreemde, figuratief getekende groeisels, grillig als kikkerdril, klonteren aan elkaar vast en vormen zo de tekening. Zoiets gebeurt ook in de constructie Cyber Work van Georg Herold - dat wil zeggen in een abstracte versie. Kort samengevat: eerst is er van daklatten en spijkers een staketsel in elkaar geflanst waarop zich een paar zigzag-slierten gevormd hebben van houten blokjes. Sommige hebben kleur. Hier en daar zijn de blokjes ten opzichte van elkaar ook zo verdraaid dat de lijnen, als in een pirouette, zijn gaan kronkelen. Wat we zien is een model van koppeling van rechthoekige en toch buigzame elementen, een vormgeving dus die willekeurig begint en vervolgens nergens toe leidt. Het is alsof de kunst weer van begin af aan moet beginnen, met toevallige fragmenten, als in de tekening van Bade. De schijnbare zekerheid van Mondriaans abstractie (die intuïtief was) is onwaarschijnlijk geworden. In een interview na de publicatie van zijn meest extreme prozawerk Comment C'est (1961) (How It Is, 1964) reflecteerde Samuel Beckett over het probleem van vorm versus chaos. Alle verstoringen van vorm kun je niet zomaar weglaten, maar hoe breng je die onder? Een vorm vinden, zegt hij, die ook plaats biedt aan de rotzooi, dat is de taak nu van de kunstenaar. De klassiek geordende wereld is voorbij en ook de overzichtelijke kunst die daarbij hoort: dat zien we en ervaren we in literatuur die, als van Beckett, aan de rand komt van het nog bevattelijke. Daar is de beeldende kunst nu aangekomen. Hoe een kunstenaar, hoe persoonlijk, een vormgeving ook wil aanpakken, Bade of Herold, vroeg of laat zal die vruchtbare en bevrijdende verwarring zich in het hoofd gaan nestelen.

PS Tot 27 juni loopt nog de vrolijke tentoonstelling van David Bade in het GEM in Den Haag. Daar hangt ook de tekening Amen. Georg Herold is ruim vertegenwoordigd in de collectie van het Stedelijk in Amsterdam. Hopelijk is het werk daar in de toekomst weer te zien