Partij van de zelfgenoegzaamheid

‘America is already great’

Thomas Frank maakte naam met What’s the Matter with Kansas? Zijn nieuwe boek is een kritiek op de Democraten – volgens hem de partij van een ‘tevreden en welvarende professionele klasse’, die al lang geen oog meer heeft voor de lagere klassen.

Medium thomas frank 2509 sg1

‘Jonge mensen die een literair tijdschrift beginnen, hebben ze daar echt een reden voor nodig?’ zegt de Amerikaanse politieke analist en historicus Thomas Frank (1965) over The Baffler, dat hij in 1988 oprichtte. Het was een diep conservatieve tijd, de jaren van Reagan en Bush, en Frank cum suis fungeerden als een intellectueel baken voor jonge progressieven. ‘Het voelde als iets noodzakelijks om te doen’, herinnert Frank zich. ‘Onze ideeën werden niet geuit in de conventionele massamedia.’

De essays en artikelen in The Baffler legden feilloos bloot hoe het bedrijfsleven de alternatieve cultuur kannibaliseerde, bijvoorbeeld door het begrip ‘coolness’ kapot te marketen, maar ook hoe een ziekte het leven kon vernietigen van onverzekerde Amerikanen uit de middenklasse. Tegenwoordig zijn dergelijke ideeën niet meer controversieel, maar destijds was Naomi Kleins bestseller No Logo (1999) nog niet gepubliceerd, laat staan dat een zelfverklaarde socialist als Bernie Sanders miljoenen Amerikanen kon enthousiasmeren met gratis overheidszorg. Ook was The Baffler al begin jaren negentig een uitgesproken criticus van het destijds dominante neoliberalisme, dat de markt prees als de puurste vorm van democratie. Frank en zijn tijdschrift waren hun tijd vooruit.

Rond de eeuwwisseling verloor The Baffler die voorhoederol enigszins. Frank was inmiddels een nationale figuur geworden. In 2004 publiceerde hij namelijk de bestseller What’s the Matter with Kansas?, waarin hij een scherp antwoord formuleerde op de vraag: waarom stemmen de arbeiders en boeren van Kansas op de Republikeinen, terwijl dit zo duidelijk in strijd is met hun eigenbelang? In een razende, vaak geestige stijl concludeerde hij dat de Republikeinen de blanke arbeidersklasse gedupeerd hadden door haar met culturele kwesties te paaien – wapens, abortus, religie, patriottisme – terwijl ze hun aldus verworven meerderheden gebruikten om belastingverlagingen voor de rijken erdoor te drukken.

Toch was het boek niet alleen een kritiek op conservatisme. Ook liberals waren schuldig, en zelfs op twee fronten: ze hadden zich niet alleen met cultureel snobisme van de arbeidersklasse vervreemd, maar hadden ook, ondanks alle retoriek over klassenstrijd, categorisch hun belangen veronachtzaamd.

Medium hh 55150284

Die laatste kritiek werkt Frank nu uit in zijn net verschenen boek Listen, Liberal: Or, What Ever Happened to the Party of the People?, waarin hij stelt dat de Democratische Partij nu vooral de belangen dient van de hoogopgeleide professionals, de groep die de partij tevens leidt: juristen, academici, wetenschappers, topmanagers, Wall Street-bankiers, Silicon Valley-entrepreneurs. Het is een groep die hij aanduidt als de ‘liberale klasse’, een term die hij leent van de radicale denker Chris Hedges. Waar Hedges in Death of the Liberal Class (2010) betoogt dat het type liberal dat voor de lagere klassen opkwam is uitgestorven, protesteert Frank met zijn boek juist tegen de triomf van de liberale klasse.

De welvarende stedelingen en suburbanites geloven in meritocratie en individuele ontplooiing, geloofssystemen waar ze zelf zoveel profijt van hebben gehad. In culturele kwesties zijn de professionals reuze liberaal, maar ze geven weinig om het soort sociaal-economisch beleid waardoor de Amerikaanse arbeidersklasse ooit kon opklimmen naar de veilige middenklasse. Het negeren van de vakbeweging en het propageren van vrijhandelsverdragen zijn volgens Frank typische voorbeelden van de sensibiliteit van de liberale klasse, die hij samenvat als: ‘Je krijgt wat je verdient, en wat je verdient wordt gedefinieerd door je opleiding.’

Voor de machtsovername van deze klasse gaat Frank terug naar 1968. Richard Nixon had de presidentsverkiezingen gewonnen en de Democraten stelden vast wat hun kwetsbaarheid was: ze werden als te ‘liberal’ gezien. Een commissie onder leiding van de latere presidentskandidaat George McGovern adviseerde om afstand te nemen van de New Deal uit de jaren dertig: de bevolking was inmiddels welvarend, de vakbonden waren machtig genoeg. De electorale toekomst van de Democraten lag bij hoger opgeleide professionals, een groeiende groep dankzij het almaar stijgende aantal universitair opgeleiden, terwijl de steun van groepen als linkse studenten, minderheden en de arbeidersklasse een gegeven was – wat hadden die bij de Republikeinen te zoeken? Dus begonnen Democratische politici naar rechts te schuiven, in de richting van het veelbelovende politieke midden; presidentskandidaten als Walter Mondale en Michael Dukakis weigerden zelfs zichzelf liberal te noemen.

De ultieme representant van deze nieuwe strategie was Bill Clinton, die in Franks boek de rol van grote slechterik speelt. Na een populistische campagne, met als thema de na Reagan en Bush sterk gestegen inkomensongelijkheid, deed Clinton wat volgens Frank ‘geen Republikeinse president voor elkaar had kunnen krijgen’: hij dereguleerde de financiële en telecomsector, sneed drastisch in het sociale vangnet, forceerde de ratificatie van vrijhandelsverdrag nafta en maakte het strafrecht strenger – stuk voor stuk maatregelen met desastreuze gevolgen voor de lagere klassen, en vooral voor minderheden. Was Monica Lewinsky niet tussenbeide gekomen, dan had Clinton ook Social Security (het pensioenstelsel, vergelijkbaar met onze aow) geprivatiseerd. Frank documenteert het uitgebreid en overtuigend, met een vaak bijtende humor.

Veelzeggend is een citaat van Larry Summers, de voormalige president van Harvard en onder Clinton minister van Financiën, die vlak na zijn aanstelling als economisch adviseur van president Obama zei: ‘Een van de redenen dat ongelijkheid in onze samenleving is toegenomen, is dat mensen meer worden behandeld zoals ze behandeld horen te worden.’ Het probleem is dan ook niet dat Democraten niet in staat waren om iets aan ongelijkheid te doen, constateert Frank, maar dat ze het niet willen: ze hebben er namelijk geen problemen mee. Het geldt volgens hem ook voor Obama, Hillary Clinton en de Ivy League-experts met wie ze zich omringen.

‘Trump omarmt al ideeën die de Democraten eigenlijk zouden moeten promoten’

Frank heeft geen problemen met expertise. Integendeel. ‘Ik begrijp dat het ministerie van Werkgelegenheid of Milieuzaken geleid moet worden door iemand die weet waarover het gaat. Het probleem is de orthodoxie van gelijkgestemden, het groepsdenken.’ Het sterkst ziet hij dat in economische kwesties. ‘Als je, zoals Obama, bijna alleen maar Harvard-economen in je kabinet opneemt, krijg je een zeer beperkte visie aangereikt, die niemand in je kabinet weerspreekt.’ Wat volgens Frank dodelijk is binnen dit groepsdenken is ‘de houding van deze toptalenten, de allerbesten uit hun veld: ze hebben een nauwelijks verholen minachting voor de laagopgeleide onderklasse’.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de lagere klassen hun politieke opties gingen heroverwegen, stelt Frank. En als Republikeinen ergens goed in zijn, dan wel in het uitbuiten van economisch en raciaal ressentiment onder de (blanke) midden- en onderklasse. Eind jaren zestig deed Nixon dat met zijn ‘Southern Strategy’ nog enigszins subtiel door zich te richten op de ‘Silent Majority’: blanken uit de middenklasse die de schurft hadden aan de triomf van de burgerrechtenbeweging en de hippies van de vredesbeweging. In 2016 brult Donald Trump dat hij een muur gaat bouwen om verkrachtende en stelende Mexicanen buiten de deur te houden. Beide strategieën leiden ertoe dat kiezers, die vermoedelijk weinig baat hebben bij de vrije-marktideologie en anti-overheidshouding van de Republikeinen, toch op hen stemmen.

In 2010 kreeg The Baffler een nieuwe uitgever en hoofdredacteur, die het ingedutte blad nieuw leven moesten inblazen. Progressieve denkers met grote reputaties werden ingehuurd, zoals David Graeber, Barbara Ehrenreich, Jaron Lanier en Evgeny Morozov, terwijl ook auteurs van het eerste uur weer bijdragen begonnen te leveren. Thomas Franks eerste grote stuk in het vernieuwde blad was een kritisch essay over de Occupy-beweging, dat eind 2012 verscheen. Occupy had zichzelf de nek omgedraaid met academisch jargon en een fetisj voor anarchisme en horizontalisme, vond hij.

En wat had dat allemaal opgeleverd? De rechtse Tea Party-beweging, ook al was die in feite een door conservatieve miljardairs gefinancierde pseudo-protestbeweging, had tenminste resultaten geboekt. Met hun activisme hadden ze de Republikeinen in 2010 een meerderheid in het Huis van Afgevaardigden bezorgd, waar een heuse ‘Tea Party-caucus’ zich sindsdien hard maakt voor bijvoorbeeld het verkleinen van de overheidsschuld en de herroeping van Obamacare. Er is niet zoiets als een Occupy-caucus.

Wie ooit het vaak onbegrijpelijke geredeneer van Occupy Wall Street in een general assembly in Zuccotti Park heeft aangehoord, weet wat Frank bedoelt. Maar het ging wat ver om dit te beschrijven als ‘het luie, reflexieve libertarisme dat ons hedendaagse idee van protesteren verstikt’. Tenslotte was het Occupy dat inkomensongelijkheid, een van Franks favoriete thema’s, terugbracht in het politieke debat. Zoals je ook kunt stellen dat de Occupy-beweging na het onvermijdelijke afbreken van het tentenkamp doorleefde in bewegingen als ‘Strike Debt’ (tegen studieschulden) en wellicht ook in de veel conventionelere Sanders-campagne, waar Frank wél enthousiast over is. Zo toont Frank ietwat reactionaire neigingen in zijn denken, die ook in What’s the Matter with Kansas? al zichtbaar waren. Ook al betrok hij het falen van de liberale klasse in zijn analyse, uiteindelijk was de premisse van dat boek simpelweg terug te voeren tot: de blanke middenklasse is gek dat ze niet meer Democratisch stemt.

Zelf voelde Frank zich als kiezer het meest gefopt in 2008, bekent hij. ‘Ik geloofde echt in Obama. Ik dacht dat hij zijn gepraat over consensus zoeken niet meende en in werkelijkheid een bedachtzame man is die wist wat hem te doen stond: de crisis aangrijpen om de financiële sector aan te pakken en een einde te maken aan de groeiende economische ongelijkheid.’ Hij bleek het verkeerd te hebben gehad: ‘Hij ging serieus op zoek naar consensus met de Republikeinen, waar hij natuurlijk bot ving, terwijl hij zich meteen omringde met de liberale klasse uit de Clinton-jaren die geen enkele aandrang voelde om hun klassegenoten op Wall Street af te vallen.’

Je zou ook kunnen zeggen: Frank verwacht te veel van partijpolitiek. Verandering komt immers zelden van boven. Franklin Roosevelt, Franks held die hij meermalen aanhaalt in Listen, Liberal, besloot niet zomaar op een goede dag dat het tijd was om Social Security in te voeren of om arbeiders en hun vakbonden recht op collectief onderhandelen te geven. Die ideeën borrelden op vanuit de samenleving en waren het gevolg van decennia vol frustratie en conflict. Zo is het altijd geweest in de VS: wie structurele verandering willen, zullen een jarenlange, bittere strijd moeten aangaan in de publieke arena. Het is de enige manier om politici te bereiken, of dit nu liberals of conservatieven zijn.

Listen, Liberal is echter geenszins een oproep tot meer activisme. Occupy wordt in het boek geen enkele keer genoemd, Black Lives Matter slechts één keer. Inspanningen om een derde, werkelijk progressieve partij op te richten acht Frank nutteloos, ook al geeft hij aan zich zeer te kunnen vinden in het programma van de Green Party. ‘De laatste keer dat we effectieve derde partijen hadden was tijdens de Progressive Era, toen arbeiders, boeren en middenstanders zich verbonden in populistische partijen’, zegt hij. ‘Sindsdien hebben de elites in bijna alle staten wetten aangenomen die het bijna onmogelijk maken een partij van betekenis op te richten. Het maximaal haalbare is een “spoiler party”. Dat zag je in 2000, toen Ralph Nader met de Green Party zoveel stemmen weghaalde bij Al Gore dat George W. Bush president werd.’

Frank bepleit wel om de Democratische Partij te veranderen, hoewel hij ook dat somber inziet. ‘De liberale klasse is niet geïnteresseerd in de mening van gewone Amerikanen. Dat zie je aan de hautaine afwijzing van Bernie Sanders’ ideeën als onrealistisch en radicaal. Maar een van de partijen moet kraken. Het kan niet langer doorgaan dat de enige twee partijen alleen de belangen van een bovenlaag behartigen. Dat kan het politieke systeem niet aan. Misschien worden het wel de Republikeinen. Trump omarmt al ideeën die de Democraten eigenlijk zouden moeten promoten, zoals het beschermen van Social Security en het opzeggen van vrijhandelsverdragen die funest zijn voor gewone Amerikanen. Maar dat gaat weer gepaard met giftige onverdraagzaamheid.’

Het Democratische partijkader zou er goed aan doen om Franks polemiek tegen de liberale klasse serieus te nemen. Sinds 1968 heeft de partij bijna alle verkiezingen verloren, en dat terwijl zij nadrukkelijk de demografische wind in de rug heeft. Amerika wordt steeds jonger en gekleurder, een ontwikkeling die in een tweepartijenstelsel normaliter in het voordeel van de meer linkse partij zou moeten werken. In de laatste twee presidentsverkiezingen kwam dit zowaar uit: Obama werd gekozen dankzij een coalitie van hoogopgeleide professionals, jongeren, minderheden en de restanten van de vakbeweging. Maar het ging bij zijn herverkiezing al niet meer van harte, althans, niet bij die laatste drie groepen. Bovendien is een stem voor een Democraat vaak vooral een anti-Republikeinse stem – een sentiment waarop de Democraten ook in deze cyclus weer rekenen, nu de buiten zijn eigen aanhang uiterst impopulaire Donald Trump waarschijnlijk de Republikeinse kandidaat wordt.

‘Dat alle winsten sinds de crisis naar de top tien procent zijn gegaan, zei Obama niet’

De laatste drie Democratische presidenten werden met geluk of in reactie op extreem impopulaire Republikeinse presidentschappen gekozen: Jimmy Carter (1976) won na het Watergate-schandaal, Bill Clinton (1992) won dankzij de stemmen die de rechts-populistische miljardair Ross Perot van de zittende president George Bush I afsnoepte, en Obama (2008) kon na het desastreuze presidentschap van George Bush II bijna niet verliezen. In nagenoeg alle overige verkiezingen, zowel op federaal als op staatsniveau, verloren de Democraten echter terrein. Dat is ook onder Obama gebeurd, sterker, nog nooit deden de Democraten het electoraal zo slecht. Sinds zijn inauguratie in 2009 gingen op staatsniveau meer dan negenhonderd zetels en twaalf gouverneurschappen verloren, terwijl de Republikeinen in Washington 69 Huis-zetels en dertien Senaatszetels wonnen. Het gevolg: de Republikeinen hebben in twee derde van alle staten absolute controle, terwijl ze in Washington meerderheden hebben in het Huis van Afgevaardigden en de Senaat.

Als verklaring hiervoor worden vaak twee factoren aangehaald: de invloed van geld in de politiek en het zogeheten ‘gerrymandering’: het veranderen van kiesdistricten zodat de zittende partij gegarandeerd meer districten wint. Dat beide factoren louter in het voordeel van Republikeinen werken, is twijfelachtig: Democraten zijn ook dol op gerrymandering als ze de kans krijgen en zijn dankzij hun aangehaalde banden met Wall Street en het grootbedrijf minstens even geliefd bij politieke donoren. Een logischer verklaring is dat de Republikeinse aanhang fanatieker en enthousiaster is.

Hier komt de analyse van Frank weer in beeld: de liberale klasse die de Democratische Partij runt, vertrouwt erop dat de midden- en onderklassen hen bij gebrek aan beter zullen steunen, maar heeft hun in werkelijkheid de rug toegekeerd. Wanneer het niet om presidentsverkiezingen gaat, wordt die koude schouder in het stemlokaal beantwoord met apathie.

De electorale verliezen lijken de Democraten echter nauwelijks te deren: het is in ieder geval geen aanleiding voor een koerswijziging. De reden hiervoor is zelfgenoegzaamheid, denkt Frank: ‘De moderne liberal is in de regel heel tevreden met de gang van zaken in het land. Zolang ze elke vier jaar het Witte Huis winnen, is het prima.’

Het beste voorbeeld daarvan is volgens Frank president Obama zelf, die onlangs in een interview met The New York Times tevreden terugkeek op zijn economische nalatenschap. ‘Hij noemde het herstel na de crisis, de gedaalde werkloosheid, de economische groei, de financiële markten’, zegt Frank. ‘Maar dat alle winsten sinds de crisis naar de top tien procent zijn gegaan, zei hij niet. Dat miljoenen mensen gestopt zijn werk te zoeken, of dat de nieuwe banen slecht betalen, evenmin. Natuurlijk kreeg hij van de interviewer, die immers lid is van dezelfde liberale klasse, geen noemenswaardige tegenwerpingen.’

Dagelijks zijn er bewijzen te zien van Franks these. Vorige week voerde Hillary Clinton campagne in West Virginia, een van oudsher arme staat waar het sinds de inkrimping van de kolenindustrie alleen maar slechter gaat. Ze beloofde er hard te vechten voor investeringen in infrastructuur en schone energie, in een speech die verder in het teken stond van ‘Amerikanen bij elkaar brengen’. Donald Trump pakte het anders aan: hij beloofde de kolenindustrie terug te brengen en alle vrijhandelsverdragen op te zeggen.

Terwijl Clinton in het land campagne voerde, sprak de Democratische senator Mark Warner uit buurstaat Virginia een groep business executives en lobbyisten toe. De gelegenheid was de jaarlijkse Global Conference van het Milken Institute in Californië, ook wel ‘Davos met palmbomen’ genoemd. Warners boodschap was: in antwoord op de populistische woede van het moment moet het bedrijfsleven harder lobbyen, wil het maatregelen als lagere vennootschapsbelasting en bezuinigingen op Social Security gerealiseerd zien. Dat heeft uiteraard weinig met de wil van het volk te maken. In onderzoeken geven Amerikanen keer op keer aan tegen bezuinigingen op Social Security te zijn. Een Pew-peiling liet onlangs zien dat twee derde van de bevolking vindt dat Amerikaanse bedrijven niet genoeg belasting betalen.

Hoezeer de Democraten – of misschien moeten we zeggen: de goedbetaalde liberale consultants die hun campagnes runnen – het contact met het Amerikaanse volk kwijt zijn, bleek onlangs ook uit iets heel anders: de presentatie van een nieuw honkbalpetje dat Democratische kiezers voor dertig dollar kunnen kopen. Op de blauwe pet staat de tekst: ‘America is already great’, een sneer naar Trumps leus ‘Make America great again’.

Het bijschrift op de merchandise-website van de partij luidt: ‘Amerika is al geweldig. Daarom hebben we dit hier in Amerika door vakbondsleden gemaakte petje bedrukt, wat geweldig is. Draag het als je je vrienden vertelt over de 73 achtereenvolgende maanden van banengroei in de private sector onder president Obama, het historisch lage aantal onverzekerden en de vooruitgang in de bescherming van ons milieu waardoor Amerika mooi (en geweldig) blijft voor de komende generaties.’ Zonder ironie.


Thomas Frank, Listen, Liberal: Or, What Ever Happened to the Party of the People?’ Metropolitan Books, 320 blz., $ 16.20

Beeld: (1) Thomas Frank. Teleurgesteld in Obama (Youtube); (2) Verkiezingsbijeenkomst in Los Angeles, 16 april (Jae C. Hong / AP / HH)