American beauty

Joost Zwagerman deelt zijn fascinatie voor – vaak ‘getourmenteerde’ – Amerikaanse kunstenaars met ons. Uitgebreid. Zijn boek intrigeert, en verveelt.

Medium stag

In de inleiding van Americana – die opent met de kinderslaapkamers van Davy Jones (later: Bowie) in Bromley en Joost in Alkmaar – zet Joost Zwagerman het lekker vet aan. Vanuit een ‘grijs universum’ hunkerde Zwagerman vanaf zijn vijftiende naar ‘all things American’. Die liefde voor Amerikaanse cultuur bood hem ‘een uitweg in de geest’. Tot zo ver is het allemaal gemoedelijk, op een clichématige maar niet storende manier. Zwagerman stelt heel wijs dat hij niet wil pretenderen ‘een systematisch totaaloverzicht van de Amerikaanse cultuur vanaf ongeveer 1880’ te bieden.

De stakes worden pas wat hoger wanneer hij een paar pagina’s later schrijft: ‘Deze ervaring, dat je opgenomen wordt in een autonome wereld van de kunst die “echter” is dan de wereld waarin je woorden wijdt aan die kunst, vormde altijd de aandrijfriem voor het schrijven van non-fictie over “all things American”.’ Hij vervolgt: ‘Je portretteert kunstenaars uit een andere tijd, uit een verre en onbereikbare wereld, maar door middel van stijl probeer je die verre wereld te ontsluiten zoals in fictie een verbeeldingswereld zich ontsluit. Door “evocerend” essayeren kan men die andere tijd, die andere gestalten en hun oeuvres in kort bestek voor ogen toveren.’

Slaagt Zwagerman hierin? Je kunt eigenlijk niet anders dan bewondering voelen voor de hoeveelheid werk die hij heeft verzet: de doos waarin de twee boeken zijn samengebracht is even dik als Gore Vidals klassieke United States: Essays 1952-1992: zes centimeter. Het kost tijd iets of iemand te bedenken waarover hij niet heeft geschreven en een namenlijst van de mensen die veelvuldig of uitgebreid ter sprake komen zou deze pagina’s vullen. Het eerste deel valt ongeveer samen te vatten als ‘van de Beat Poets, Salinger en Capote via Bellow, Roth en Updike naar McInerney, Eggers en A.M. Homes, en bijna alles wat daartussen valt’. Vrijwel altijd is duidelijk dat hij zich redelijk tot (zeer) grondig in leven en werk heeft verdiept: de informatiedichtheid is hoog, erg hoog, al veroorlooft hij zich nogal veel herhalingen. Het resultaat is ernaar: Americana verveelt, intrigeert, verveelt, bekoort, ergert, pacificeert, verbaast, verveelt nog wat meer, wekt woede, vermaakt, stemt mild en tot slot verveelt het nog wat. Te vaak vooral veelheid aan biografische informatie, samenvattingen van leven en werk van deze of gene (altijd iemand over wie al zo veel en zo goed is geschreven) terwijl je smacht naar iets wat riekt naar een inzicht. Zelfs wanneer je bereid bent genoegen te nemen met iets waarvan in ieder geval enig schrijfplezier afstraalt, zit het niet mee.

Woorden en frases die ik in geen jaren had gehoord, deden al snel vermoeid aan: ik denk dat ongeveer de helft van de onderwerpen wordt omschreven als naysayer, ridder van de droevige figuur of (oude of tirannieke) sater. Kunstenaars zijn net te vaak ‘getourmenteerd’, of anders wel een ‘sjamaan’. En er is geen buitenwijk die niet aan American Beauty doet denken. Dat vervelende woord iconisch weet Zwagerman op bewonderenswaardige wijze te vermijden, denk je, totdat je beseft dat hij gewoon iedere keer ‘iconografisch’ schrijft. Of het in een van de openingshoofdstukken burroughiaans of burroughesk was, ben ik vergeten, maar de tic is vrij snel zichtbaar. Beatlesk, warholesk, geleibovitizeerd, gebaudrilleerd, verliechtensteind, onreediaans, picassoësk – Zwagerman doet het met zo’n vanzelfsprekendheid dat ik me bij ‘messiaans’ aanvankelijk afvroeg of hij op de componist of de voetballer doelde. Dieptepunt: ‘afDalíng’. Ik dacht dat het om een typefout ging, maar bij de tweede keer besefte ik dat het toch echt naar de schilder verwees.

Zwagerman lijkt te denken dat een hongerkunstenaar

Deze ergernissen maken dat je de auteur de (op twaalfhonderd pagina’s onvermijdelijke) kleine stijlfouten (‘waargebeurde feiten’), onjuistheden (Tony Shafrazi bekliederde in 1974 Picasso’s Guernica, niet ‘in de jaren vijftig’), luie gedachten die luie zinnen opleveren ook zwaarder gaat aanrekenen. Een ‘artisjokkenveld’ dat in dezelfde zin ‘niemandsland’ wordt genoemd? Je kunt je plotseling geen overtuigender bewijs van eigendom voorstellen dan artisjokken. Misschien mis ik keer op keer de ironie, maar Zwagerman lijkt te denken dat een hongerkunstenaar een kunstenaar met weinig geld is, in plaats van iemand die zich verhongert als artistieke daad – ook zoiets is normaliter gemakkelijk te vergeven. Wiens brein loopt niet over van misvattingen? Maar bij de derde keer dat hij het woord met veel pathos verkeerd leek te bezigen, dacht ik toch: auw.

Wat moet een essayist doen? Natuurlijk, net als andere schrijvers (‘echt’ of niet) moet een essayist niets. Maar toch: je verwacht persoonlijkheid. Iemand die zich tegen dingen aan bemoeit. Iemand die begrijpt dat hijzelf, zijn gedachtewereld en ervaringen, en niet alleen zijn kennis, voor de lezer het bindmiddel zullen moeten vormen. Wie dat achterwege laat, of onvoldoende gebruikt, schrijft weliswaar essays, maar dan in de betekenis van opstellen: nuttige verzamelingen van informatie met als het meezit een soort argumentatielijn om het geheel wat samenhang te laten vertonen. Er is sprake van een overschot aan journalistiek en een tekort aan essayistiek in Americana. Of in ieder geval in het eerste deel van Americana. Te veel informatie en te weinig gevoel, feiten zonder verbeelding. Zelfs wanneer hij in een introductie bij een verzameling teksten over schrijvers die kampten met depressies en/of zelfmoord pleegden zijn eigen worsteling met depressie ter sprake brengt, blijft het op de een of andere manier vlak. Zijn ervaringen met en lezen over ‘getourmenteerde mensenlevens [boden hoogstens] een basaal houvast – maar “houvast” is een woord voor mensen die nog in staat zijn hun handen uit te steken en zich ergens aan vast te grijpen.’ Dat leest als een opmaat naar iets groters, maar snel schakelt hij over naar een brave samenvatting van Fitzgeralds essay The Crack-Up.

Het is zonde, die vlakheid. Onnodig ook. Ergens tegen het einde van het eerste deel, wanneer Zwagerman schrijft over het korte verhaal, een genre dat in Amerika oneindig veel hoger wordt gewaardeerd dan in Nederland, is zijn enthousiasme plots wel aanstekelijk, iets wat ik daarvoor alleen had gevoeld bij zijn terechte ode aan Elizabeth Hardwick, tot dan ook een anomalie tussen al het Grote Namen-geweld.

Het tweede deel begint net als het eerste stroef, maar dan, wanneer de beeldend kunstenaars en de fotografen aan de beurt zijn, lijkt Zwagerman los te komen. De vorm wordt af en toe speelser – hij bekijkt het werk van Brice Marden bijvoorbeeld door de ogen van een schoolklas die hij voor diens werk treft – en is vaker zelf aanwezig. Die fysieke aanwezigheid, het beeld van Zwagerman die door een museum doolt, maakt dat je iets vreemds beseft: Zwagerman is sterker wanneer hij het met minder moet doen. Hij is beter wanneer hij aan zijn zintuigen is overgeleverd. Het klinkt paradoxaal, maar: hoe minder hij op (ingedaalde) feitenkennis kan leunen, hoe beter hij op z’n plek lijkt. Plots moet hij zichzelf zien te verhouden – sorry, een cliché if ever there was one – tot het werk dat hij bespreekt.

een kunstenaar met weinig geld is

Misschien is het ook wel logisch: voor de lezer van essays is het nu eenmaal fijner om een brein te zien worstelen, een poging tot het vinden van begrip van nabij mee te maken. Zwagerman worstelt om eigen woorden te vinden. Het wordt ook vaker spannend omdat hij kritisch durft te zijn. Baz Luhrmanns The Great Gatsby-_verfilming afserveren kan iedereen, maar ook Julian Schnabel krijgt er vrolijk van langs, net als Annie Leibovitz. Diane Arbus wordt met verve verdedigd (tegen aanvallen van veertig jaar terug, maar toch), net als Rothko. Een kort stukje over George Bellows’ boksschilderij _Stag at Sharkey’s is prachtig. Plots staan er dingen op het spel, of wil Zwagerman in ieder geval schrijven alsof dat het geval is. De inzet is inderdaad zo ambitieus als hij zevenhonderd pagina’s eerder in de introductie aankondigde en het schrijfplezier gaat er zichtbaar op vooruit. Zwagerman: ‘Maar ik kan niet kijken zoals een fotograaf dat kan. Het stilleven dat Leibovitz er met haar loepzuivere fotografenblik van maakt, verschaft de sofa een absolutistische allure: we kijken dankzij Leibovitz naar de Sofa, naar het sofa-geworden idee van de sofa, de sofa waarin in één keer de gehele mensheid zich te ruste mag leggen voor een eeuwigdurende, troostende en helende psychoanalyse.’ Nu kun je beweren dat Zwagerman hier – na een moment van prettige bescheidenheid – volledig uit de bocht vliegt; dan zou je gelijk hebben. Maar hij doet het met verve. Met plezier. De baan door de lucht is sierlijk, de landing zacht want je hebt het hem meteen vergeven.

Hier in het tweede deel ga je begrip in plaats van chagrijn voelen wanneer je terugdenkt aan zijn eerdere woorden: ‘In het allergelukkigste geval is het schrijven én lezen van non-fictie over kunst evenzeer een ervaring. De ervaring ván de tekst over kunst is van groter gewicht dan het oordeel over die kunst ín de tekst.’

Ergens in zijn tekst over de film makende gebroeders Coen varieert Zwagerman op ‘het gezegde van de fat man en de thin man’ en beweert hij – terecht – dat de kracht van de Coens is dat ze acteurs hun (eigen) stompzinnigheid laten omarmen: ‘In every smart man there’s a stupid man, struggling to get out.’ Op die manier zou je ook kunnen beweren dat in ieder heel dik aardig boek een goed dunner boek schuilt. (Het befaamde oordeel van de Amerikaanse satiricus Ambrose Bierce dringt zich hier aan de lezer op: ‘The covers of this book are too far apart.’)

Janis Bellow, de weduwe van Saul, vertelde bij het verschijnen van Bellows verzamelde brieven hoe haar man bleef sleutelen aan zijn werk, ook als het al was verschenen en hij het voordroeg, hoe hij, als hij de kans had gehad (‘Wordsworths pen’), jeugdige overdaad had weggesneden uit zijn vroegere werken. ‘Short views’ was het credo op het laatst. Net als Bellow blijft Zwagerman schaven aan zijn eerdere werk. Hij is onlangs vijftig geworden, het lijkt een mooi moment om scherpere keuzes te gaan maken.


Joost Zwagerman, Americana. De Arbeiderspers, twee delen, 1216 blz., € 49,95

Foto: Collection Hinman B. Hurlbut / Cleveland Museum of Art

Bijschrift: George Bellows, The Stag at Sharkey’s, 1909. Olie op doek