Mijn ouders keerden in 1952 terug naar Nederland. Net als zijn broer (die in de Japanse mijnen had gewerkt) wilde mijn vader naar Amerika. Ze vonden dat ze in de oorlog te veel verloren hadden.

Mijn vader meende dat hij aan zijn juristen-opleiding in Amerika weinig zou hebben. En hij had mijn moeder wederom bezwangerd en die wilde niet naar Amerika. ‘Wat moet ik daar? Het is een eng land.’ Zij wilde in Nederland blijven, bij haar vader en moeder.

Oom Broer vertrok en heeft de Amerikaanse droom niet kunnen waarmaken. Uiteindelijk overleed hij in een garage waar hij mocht wonen. Mijn vader moest hem steeds grote sommen geld sturen. Eerst met verwijten, toen zonder, daarna helemaal niet meer. Hij wilde niets meer met zijn broer te maken hebben.

De Amerikaanse droom van mijn vader bleef. Naast de foto van Churchill kwam ook Kennedy.

Vader hield van de grote koelkasten, de Studebaker, de Amerikaanse televisie, de films, de boeken, de politiek. Hij meende dat die een samenhang met elkaar vertoonden.

Hoe alles met elkaar samenhing weet ik niet meer. Helaas heb ik daar nooit met hem over gesproken. Maar ik kan me er wel iets bij voorstellen. Het waren vaak symbolen van vrijheid.

Het enige waar ik wel met hem over sprak was die Studebaker Commander. Ontworpen in mijn geboortejaar. Met een motor die ook gebruikt was in de Amerikaanse voertuigen waarmee ze de Tweede Wereldoorlog hadden gewonnen.

En wat was die Commander een lust voor het oog: uitgeroepen tot de mooiste auto ooit gemaakt.

Maar toen ik er met mijn vader over sprak, was Studebaker verworden tot een… investeringsmaatschappij. De concurrentiestrijd met de overige automerken hadden ze verloren.

Mijn moeder wilde niet mee. ‘Wat moet ik daar? Het is een eng land’

Ze maakten geen auto’s meer. Ze waren mede ten onder gegaan omdat ze te hoge lonen betaalden.

In de Amerikaanse droom ging schoonheid ten onder aan het kapitalisme, maar in het communisme was helemaal geen schoonheid.

Vader vond uiteindelijk dat Amerika – en met name Robert Kennedy – Nederland had verraden.Toen Kennedy werd vermoord dacht mijn vader dat er oorlog zou komen. En toen later Robert Kennedy werd omgebracht, meende hij dat de deur naar het Westen door de communisten helemaal was ingetrapt.

Dromen lukte vader niet. Zijn nachtmerries over het kamp en het verlies van zijn dromen om Amerikaan te worden leken hand in hand te gaan.

Hij had Indië al verloren en verloor nu ook Amerika. Nederland zou spoedig volgen, meende hij. Hij had een map met berichten over de Cuba-crisis, een mapje met berichten over Indonesië, een mapje met berichten over communistische bewegingen in Nederland. Dat hij dat bijhield heb ik nooit geweten. En waarom hij dat deed ook niet. Waarschijnlijk om zijn angst te rechtvaardigen. Of om er anderen en mij mee te overtuigen.

Vader voelde zich in Nederland wel thuis en niet. Nee, hij had geen last van discriminatie, al kwam dat weleens voor. Daarvoor had hij te veel geestesadel. Hij vond het altijd domme mensen die discrimineerden en daarom deerde het hem niet. Maar hij voelde zich hier wel een vluchteling. Dat zei hij soms letterlijk. ‘Als het aan mij had gelegen, was ik nooit naar Nederland gegaan, maar in Indië gebleven.’

‘Waarom toch? Was alles daar beter dan hier?’ Dan knikte hij en zei: ‘Voor de oorlog waren we in Indië meer gericht op Amerika dan hier in Holland.’ En dan vertelde hij weer dat men eerder dan in Nederland Amerikaanse films zag, Amerikaanse boeken las en naar jazzplaten luisterde. De cultuur zou helemaal Amerikaans worden. In Nederland lukte dat niet.

Hoe meer Amerika in de jaren zestig en zeventig doordrong in onze samenleving – kijk, we krijgen een koelkast, een televisie – hoe mooier hij het vond. En hoe meer wij, de jeugd, ons tegen Amerika verzetten.

Uiteindelijk voelde hij zich nergens thuis. Zijn thuis waren zijn herinneringen. Hij vond zich thuis in Indisch eten, in een enkel verhaal dat zich voor de oorlog afspeelde, in een enkele vriend. Al die zaken die er maar even zijn.

Net als ik nu, zag hij alles waar hij van hield veranderen.