Voetbal

Amerika-Ajax 0-1

Tijdens de burgeroorlog in Libanon was het gedurende twee keer drie kwartier even helemaal stil. De elkaar bestrijdende milities hielden hun wapens stil gedurende de eerste en de tweede helft van de finale van het WK voetbal. Alleen in de rust daverde het mortiervuur opnieuw in de straten van Beiroet.

In de Eerste Wereldoorlog onderbraken de Duitsers en Fransen voor even hun stomvervelende en angstige bestaan in de loopgraven met een partijtje tegen elkaar.

Maar dat zijn soldaten. Tot maandagnacht twee uur leek het erop dat ook de huidige liefhebber aan de zijlijn een keuze moest maken. De oorlog kon weleens op dezelfde avond uitbreken als de voor het Nederlandse voetbal ongekend belangrijke wedstrijd AS Roma — Ajax. Onafwendbaar leek er een conflict op komst met de familie, de directe omgeving of het eigen geweten. Want waar kijk je naar? Kun je de consequenties van een nieuwe wereldoorlog aan je voorbij laten gaan ten gunste van de strijd om een plaats in de kwartfinales van de Champions League?

Al weet ik niet eens honderd procent zeker of ik meer tegen een Amerikaanse invasie ben dan tegen Saddam Hoesseins regime of Jacques Chiracs ijdele geschipper, toch hield ik vol, zowel tegen mezelf als de buitenwereld, dat een oorlog — altijd gruwelijk immers — het internationale machtsevenwicht verandert en dus enige contemplatie eist. Ook van mij. Je kunt dan niet het wereldtoneel onverschillig links laten liggen en jezelf opvreten van de zenuwen bij een balaanname van Andy van der Meyde.

Maar gelukkig, de oorlog begint kort na «het laatste fluitsignaal», zoals dat heet in de voetbaljournalistiek. Nu hoef ik niet met de billen bloot.

Toch weet ik het wel: ik had, ook in oorlog, gekeken naar het voetballen, twee keer drie kwartier lang, al was er een neutronenbom gegooid. Misschien omdat de uitkomst van de geritualiseerde, bloedeloze oorlogsvorm ongewisser is — en dus spannender — dan die van de andere, uiterst bloedige strijd in het Midden-Oosten. Maar wellicht ook omdat de voetbalwedstrijd je als toeschouwer confronteert met oeroude deugden als eer, trots en moed. In de hedendaagse, door techniek gedomineerde oorlog wordt daar nauwelijks meer een beroep op gedaan, hoeveel moorden, doden en hongerigen de oorlog ook tot gevolg heeft.

Hoewel trots en eer juist de mens eigen werden door de krijg, hebben ze in de hedendaagse oorlogsvoering nauwelijks meer enige waarde of betekenis. Als ik een Amerikaanse piloot stoere taal hoor en zie brallen over hetgeen hij Saddam zal aandoen vanaf tien kilometer hoogte en zonder luchtafweergeschut onder zijn vliegtuig, denk ik aan de talentvolle Wesley Sneijder, die bij voortduring de moed heeft, met gevaar voor een tegenaanval, centraal op te komen, in de veronderstelling dat zijn precisievoorzet de jonge held Van der Vaart in staat stelt Amsterdam tot eer te strekken.