Amerika als cipier

Een fraaie vondst: in Colson Whiteheads net vertaalde roman is De ondergrondse spoorweg geen metafoor voor een netwerk van verborgen wegen en organisaties die slaven bij hun bevrijding helpen, het is een werkelijk ondergronds aangelegde spoorweg, onzichtbaar voor de buitenwereld. De perrons van de spoorweg zijn gevestigd onder keurige (witte) woonhuizen en brengen, met behulp van krakkemikkige karren en stoomlocomotieven, allerlei steden met elkaar in verbinding die voor vluchtende slaven anders onbereikbaar blijven.

Medium gettyimages 526493602
Slaven op de Hopkinson-plantage, South Carolina, ca 1862 © Corbis / Getty Images

Midden negentiende eeuw. In het Zuiden van de Verenigde Staten wordt nog steeds volop van slavernij gebruik gemaakt, slavenjagers speuren met een zeldzame wellust naar degenen die weglopen – en het vrije Noorden vormt een droombeeld waar op de plantages volop naar wordt verlangd. Voor de meesten blijft het daarbij, ze worden geboren in ketens en sterven zodra hun meester hen laat ophangen of aftuigen, maar de jonge Cora neemt het heft in eigen hand. Samen met haar handlanger Caesar verlaat ze hun katoenplantage in Georgia, te voet, urenlang rennend door moerassen en bossen. Ze weten hoe ze een halte van de ondergrondse spoorweg moeten bereiken, en daarna? Tja, ze hebben geen concreet plan, ze zien wel waar de trein hen heen leidt – nu willen ze alleen maar weg. Dat maakt het beeld van Whitehead (1969) ook zo sterk: die ondergrondse spoorweg wordt niet alleen bijzonder sfeervol beschreven, er hangt ook iets invoelbaar magisch omheen, iets net zo weinig concreets als het vrijheidsverlangen – kortom, een Sjakie en de chocoladefabriek-achtig element in de verder inktzwarte werkelijkheid.

Een roman over slavernij is onherroepelijk een roman over fysieke pijn, tuchtiging, maar Whitehead heeft er knap genoeg voor gekozen die pijn nergens nadrukkelijk uit te smeren. Als Cora op haar katoenplantage in elkaar wordt geslagen, zouden veel auteurs hebben uitgepakt met beschrijvingen van bloederige zweepslagen, maar Whitehead houdt het bij: ‘Als er al iemand iets van zag of hoorde, kwam die niet tussenbeide. De vrouwen van de Keet hechtten haar met naald en draad.’ Los van de suggestieve kracht die er van deze zinnen uitgaat – juist het weglaten van elk gekerm doet je als lezer huiveren, het mechanische, de onderdrukte pijn – is het ook verteltechnisch een intelligente keuze. Op deze manier maakt Whitehead vanaf het overweldigende begin, waarin het plantageleven ijzingwekkend realistisch wordt beschreven, duidelijk dat hier meer op het spel staat dan fysiek leed. De ondergrondse spoorweg – afgelopen jaar bekroond met de National Book Award – gaat over de achterliggende vraag met welk leven iemand genoegen moet nemen, en misschien nog wel meer dan dat: de vraag of iemand werkelijk in staat is zijn of haar lot te ontvluchten.

Juist het weglaten van elk gekerm doet je als lezer huiveren

Wat De ondergrondse spoorweg zo krachtig maakt, is de mate waarin Whitehead die vragen vervolgens uitdiept. Het gaat niet alleen om Cora, maar ook om haar grootmoeder Ajarry, die per schip vanuit Afrika meegenomen werd om op de Amerikaanse katoenvelden te werken. Ze is op verschillende plaatsen ingezet, ze werd mishandeld en doorverkocht, om uiteindelijk in Georgia te belanden: de plaats waar ze nooit meer vandaan zou komen en waar haar dochter Mabel opgroeide. Ook deze Mabel – Cora’s moeder – wordt uitgebreid beschreven, ze krijgt zelfs een eigen hoofdstuk over haar levensloop – iets wat Whitehead bij meer personages doet: in afzonderlijke alinea’s beschrijft hij Cora’s handlanger Caesar, de duistere slavenjager die achter hen aan gaat, allerlei figuren die ze tijdens haar vlucht tegenkomt; De ondergrondse spoorweg is daarmee veel meer dan een persoonlijk ontsnappingsverhaal, het is een fictieverslag van de machinale werking van slavernij, van de inherente vernedering en ook aantrekkingskracht die het opjagen, schofferen of juist helpen van slaven voor enorme bevolkingsgroepen heeft.

Er zit nog een ander voordeel aan de veelvoud van personages. Vrijwel het hele boek is Cora in beweging. Ook nadat ze Georgia al lang heeft verlaten, blijft ze voortdurend vluchten, waardoor er een stoet bijpersonages langskomt: andere slaven, helpers, agenten, potentiële verraders, noem het maar op. Door deze figuren één voor één te beschrijven, door zeker in slavengemeenschappen namen te noemen die vervolgens nooit meer terugkomen, en waar na een zoveelste mishandeling of sterfgeval niemand meer aan terugdenkt, maakt Whitehead heel effectief duidelijk hoe inwisselbaar al die figuren zijn. Hoe makkelijk ze vergeten en vervangen worden. En zo wordt Cora’s verlangen om weg te komen van haar oude leven heel effectief duidelijk gemaakt zonder dat daar pamflettistische of uitgekauwde argumentaties voor nodig zijn.

Wat het allemaal extra wrang maakt: het lukt Cora, zelfs als ze weggekomen is uit Georgia, maar niet om helemaal los te komen van haar oude leven. Dat laat Whitehead krachtig zien, bijvoorbeeld wanneer ze tijdelijk neerstrijkt bij een echtpaar in North Carolina. Daar, opgesloten op een zolderruimte die haar aan het zicht van slavenjagers moet onttrekken, beseft ze met een schok dat ze op de plantages tenminste nog buiten mocht zijn – en dat ze nu alleen maar zit te wachten, zonder precies te weten waarop. ‘Of het nu op de katoenvelden, ondergrond, of ergens op een vliering was, het maakte niet uit: Amerika was en bleef haar cipier.’

De ondergrondse spoorweg is op alle niveaus een overtuigende roman: strak gecomponeerd en voortvarend geschreven, spannend (sommige passages lezen als een geslaagde thriller), ontroerend en niet-sentimenteel, onvoorspelbaar, en tja, ook confronterend – dat klinkt wat afgezaagd, maar Whitehead laat zien dat ook van bekende onderwerpen en voorspelbare gevoelens nog steeds prachtige, overrompelende literatuur te maken valt.