Verdeeldheid is altijd de norm geweest

‘Amerika’ bestaat niet

Trump en zijn acolieten passen in een traditie. Onderling wantrouwen, paranoia en anti-intellectualisme zijn niet van vandaag of gisteren. De teloorgang van het presidentschap, door Trump verpersoonlijkt, is een symptoom van Amerika’s problemen, niet de oorzaak ervan.

© Plainpicture / ANP

Het was een ronkende speech waarmee Barack Obama in 2004 landelijke bekendheid verwierf op de Democratische conventie. ‘Er zijn geen rode staten, er zijn geen blauwe staten’, zei Obama. ‘Er zijn alleen de Verenigde Staten.’ Dat klonk geweldig in een toen al verdeeld en gepolariseerd Amerika. Inmiddels weet Obama wel beter en wij ook. De racist die hem opvolgde kent alleen rode staten, ‘my people’, zoals hij zegt. Mensen die anders denken zijn vijanden, onpatriottisch, scum, tuig.

Obama’s mooie formule was wensdenken, zoals ook de gedachte dat Joe Biden als president de Amerikanen zal verenigen een illusie is. Want Trump mag Amerikanen tegen elkaar opzetten en zijn grofheid mag uitzonderlijk zijn, verdeeldheid is zo Amerikaans als apple pie. Niets is normaler dan dat Amerika na een periode van de ene kant op hangen de andere kant opzoekt.

Wie de Amerikaanse geschiedenis overziet kan alleen maar concluderen dat daarin verdeeldheid meer de norm is dan eensgezindheid. Ik wil wel verder gaan, polarisatie is het levensbloed van Amerika, gaf het land de energie die het tot een wereldmacht maakte. Het mag provocerend klinken, maar een Amerika zonder verdeeldheid zou zichzelf niet zijn. De echte vraag is of Amerika, dat die verdeeldheid meestal constructief gebruikte, in staat is om de destructieve spiraal van de laatste decennia om te buigen.

Zelfs in zijn diepste idealen straalde Amerika tweeslachtigheid uit, te beginnen met de schrijver van ‘all men are created equal’ die er driehonderd slaven op nahield. Amerika is geboren uit confrontatie en strijd. Met de oorspronkelijke inwoners, met de Fransen, de Engelsen, de Spanjaarden en vooral met elkaar. Het werd nooit een eenheid. Altijd stonden platteland tegenover grote steden, arbeiders tegenover werkgevers, kapitalisten tegenover socialisten, conservatieven tegenover progressieven, isolationisten tegenover internationalisten, gelovigen tegenover de rest. En altijd was er de Amerikaanse erfzonde van diepgeworteld racisme en de abjecte behandeling van zwarten, Chinezen, immigranten en joden.

Amerika ontleende een zekere energie aan die confrontaties, al was het maar omdat ze het land in beweging hielden: niet-puriteinen ontvluchtten de theocratie van New England, arme keuterboertjes trokken naar Californië, rechteloze zwarten naar het noorden, veelwijvende Mormonen naar het Great Salt Lake. Het idee dat Amerika een gezamenlijke geschiedenis heeft, is een mythe.

‘Amerika’ bestaat niet. Het is een product van onze verbeelding, van ieders verbeelding, een vrij in te kleuren omtrek die de vorm van de Verenigde Staten heeft. Niemand heeft er het alleenrecht op. Er zijn veel verschillende Amerika’s, met eigen verhalen die lang niet altijd met elkaar in overeenstemming zijn te brengen. Onderling wantrouwen was en is normaal en vaak gerechtvaardigd. Paranoia en anti-intellectualisme zijn niet van vandaag of gisteren. Trump en zijn acolieten passen in een traditie.

Meestal konden de krachten die het land uit elkaar rukten worden getemperd of beheerst door wat het land bond. Het gevoel ‘een Amerikaan te zijn’ overstemde alle andere sentimenten. Zoals de historicus Richard Hofstadter zei: ‘Het is altijd ons lot geweest als natie om niet ideologieën te hebben maar er een te zijn.’ Vooruitgang verhulde de problemen. Democratie, vrijheid, gelijkheid, individualisme en de rechtsstaat waren de codewoorden voor een breekbare en vaak illusoire gezamenlijkheid. De droom, de belofte van een beter leven die zoveel immigranten naar Amerika haalde, was sterker dan de dagelijkse werkelijkheid.

Die droom is al heel lang aan erosie onderhevig, de problemen hebben nu de regie overgenomen. Amerika’s teloorgang is een beetje zoals iemand schreef over hoe een faillissement tot stand komt: eerst langzaam, daarna razendsnel. Neergang is moeilijk te meten, misschien zijn we al voorbij het point of no return.

Wat houdt de Verenigde Staten dan bij elkaar? Daarvoor zou ik kijken naar de Amerikaanse grondwet. It’scomplicated, maar dat 233 jaar oude document is tegelijkertijd wat Amerika verbindt en wat het verdeelt. Interessant genoeg is de grondwet zowel de oorzaak van veel van Amerika’s problemen als de oplossing ervoor, of in elk geval biedt hij een uitweg om daarmee te leven.

Dit document, opgesteld in 1787 en als bewijs van verdeeldheid maar net aangenomen, vormde de Verenigde Staten zoals we ze kennen. Het weerspiegelde geen eenheid en schiep geen eenheid, het was een modus vivendi. Grof gezegd zijn alle verdelende facetten van de huidige Amerikaanse samenleving al te vinden in de gesloten compromissen. De kleine staten wilden een senaat, de grote staten zo veel mogelijk afgevaardigden. Iedereen wilde het onderwerp slavernij vermijden, maar feit is dat tot de Burgeroorlog slaven telden als drie vijfde mens in de vertegenwoordiging in het Congres en in het kiescollege. Niet zo vreemd dan dat vier van de eerste zes presidenten plantagehouders uit Virginia waren.

De Founding Fathers waren geen liefhebbers van al te veel democratie. Kiezen was prima maar dan wel door keurig gekalibreerde groepen en met allerlei randvoorwaarden om te voorkomen dat het volk de zaak uit de hand zou laten lopen. Het moest geen plutocratie worden maar tegelijkertijd wilde de elite voorkomen dat het gewone volk te veel te zeggen kreeg. Vandaar die tot 1913 indirect gekozen Senaat, een middel om de directe macht van de echte volksvertegenwoordigers in het Huis te temperen. Vandaar het kiescollege waarin de kiesmannen door staten worden aangewezen. Staten bepalen wie er president wordt, niet kiezers.

En dat is de crux: altijd behielden de staten grote vrijheid om zichzelf te organiseren, zelfs toen in de twintigste eeuw de federale overheid flink groeide. De tegenstelling, het conflict tussen federale overheid en de staten, bestaat nog steeds en wordt bijna dagelijks uitgevochten. Zoals zuidelijke staten ooit betoogden dat beslissingen over slavernij en segregatie bij hen lagen, zo voert Californië zijn eigen milieubeleid als Trump dat op federaal niveau afschaft.

Sommige staten voerden Obamacare in, een aantal Republikeinse staten weigerden voorzieningen, ook al kwamen die hun armste burgers ten goede. Texas en andere staten wierpen hindernissen op voor abortusklinieken, zo een farce makend van het recht om over je eigen lichaam te beschikken. In Wisconsin kunnen de Republikeinen met 45 procent van de stemmen 65 procent van de zetels verwerven. En dagelijks horen we hoe staten het moeilijk of onmogelijk maken je als kiezer te registreren, en als dat wel is gelukt, kunnen ze een scala van obstakels opwerpen om daadwerkelijk te stemmen.

De coronacrisis bracht een mooie illustratie van dit principe. Toen president Trump verkondigde beleid te kunnen opleggen aan de gouverneurs riepen die staten hem meteen tot de orde. We hebben geen koning in Amerika, hoorden we. Een paar dagen later gaf Trump toe. Sindsdien voert hij verbale oorlog (en soms ook een regelrechte oorlog in de zin dat hij federale voorzieningen onthoudt) met staten die hem niet aanstaan – natuurlijk allemaal door Democraten gerunde staten.

De grondwet, door creatieve conservatieve juristen nu beschouwd als een heilige graal, was niet voor de eeuwigheid geschreven. Zo vond Thomas Jefferson dat hij iedere negentien jaar moest worden herzien, grofweg iedere generatie. De ‘originalists’ in het Supreme Court, die claimen enkel de tekst te hanteren om hun conservatisme op te dringen, stellen zo politiek buiten te sluiten. Dat is nonsens, de keuze voor een onwrikbare interpretatie is net zo politiek als die voor de grondwet als een ‘living document’, te interpreteren naar de tijd.

In het tweepartijensysteem dat het gevolg is van de manier waarop Amerika politiek is georganiseerd, zijn nuances een luxe. Het loont om de zaken aan te scherpen, verkiezingen tussen twee personen zijn altijd binair: de een of de ander. Duidelijkheid helpt. Een van de redenen dat Al Gore in 2000 verloor is dat hij er niet in slaagde om die verkiezingen ergens over te laten gaan. Hij polariseerde niet genoeg en verloor van de aimabel ogende Bush. Trump maakte het verschil met Hillary Clinton juist glashelder.

Beide partijen polariseren, toch is er maar één Amerikaanse partij die steeds als zij geen macht heeft het systeem laat vastlopen en steeds als zij wel macht heeft die zonder terughoudendheid gebruikt en vaak misbruikt. Dat is de Republikeinse Partij, de partij van Nixon, Gingrich en McConnell, de partij van de zielloze, ruggengraatloze politici die zich nu met huid en haar hebben uitgeleverd aan het bastaardkind van hun strategie, Donald Trump.

Trump was enkel de logische volgende stap in de radicalisering en het obstructionisme van de Republikeinen. Dat Trump de Republikeinse Partij heeft overgenomen was niet vanzelfsprekend maar is goed verklaarbaar als bewuste keuze van de politieke elite. Hij past in het patroon. Waar Trump een natuurtalent is in leugen en bedrog, daar is Senaatsleider Mitch McConnell een professionele expert met buitengewoon succes. Voor beiden is macht het enige doel.

Democraten krijgen vaak het verwijt dat ze een mes meebrengen naar een 'gunfight'. Het is tijd dat ze een bazooka in stelling brengen

De Republikeinen weten dat hun witte libertaire conservatisme in Amerika een minderheidsstandpunt is. Hun strategieën houden daar rekening mee. In de minderheid zijn hoeft niet te betekenen dat je verliest, sterker, je kunt zeggen dat ze er spectaculair succes mee hebben geboekt. In elk geval vanuit het oogpunt van macht. Voor de cynische Republikeinen is Amerikaanse politiek een spel geworden van niet verliezen.

Het gevolg van die polarisatie is dat er vooral heel veel niet gebeurt. Terwijl maatschappelijke problemen schreeuwen om beleid leveren Republikeinen niets meer dan belastingverlagingen voor ondernemingen en de rijken, tekorten creërend die overheidsbeleid tot in lengte van jaren onmogelijk maken. In een sluwe formule slagen Republikeinen erin om deze agenda te verbergen onder een verhaal van ressentiment tegen elites, tegen minderheden, vermeende aantastingen van geloof, vrijheid en wapenbezit. Ze worden ermee gekozen, ook al is het niet wat de meerderheid van het land wil.

Het behoud van wat min of meer organisch is gegroeid, wat je het credo van conservatieven zou kunnen noemen, staat niet op de Republikeinse agenda. Het beschaafd delibereren over hoe de samenleving eruitziet of zou moeten zien evenmin. Maar zoals Democraten honderd jaar segregatie overeind hielden met rücksichtslose machtspolitiek, zo past ook dit Republikeinse optreden in het Amerikaanse model van confrontatie.

Een grootscheepse verandering zou op zijn plaats zijn. De Senaat, die ridicule oververtegenwoordiging van staten waar vrijwel niemand woont, moet verdwijnen omdat hij een minderheid te veel macht geeft, vooral de macht om te blokkeren. Dat effect wordt nog versterkt door de filibuster, de werkregel in de Senaat dat je minstens zestig van de honderd stemmen nodig hebt om iets erdoor te krijgen. Het is enkel een werkregel, hij dient te verdwijnen. Ook rijp voor vervanging is het kiescollege, dat participatie ontmoedigt en leidt tot ondemocratische resultaten.

Het zal niet gebeuren, verandering is onmogelijk. De groepen en de staten die profiteren van de huidige arrangementen zullen hun voordelen nooit opgeven. Er komt geen grondwetsconferentie. Deze grondwet kan nog flink wat opgerekt worden maar er komt een punt waarop hij knapt.

Na de Kincade-brand op Oak Hill Angus in Calistoga, Californië op 28 oktober 2019 © Stephen Lam / Reuters

Democratie, overigens niet een woord dat in de grondwet voorkomt, vereist dat burgers op een bepaalde manier met elkaar omgaan. Zoals de Franse socioloog Alexis de Tocqueville opmerkte in Democratie in Amerika: burgers moeten in democratie blijven geloven om haar te laten overleven. Je moet bereid zijn tot ingetogenheid, niet macht pakken alleen maar omdat zij beschikbaar is, niet grote minderheden of zelfs de meerderheid buitenspel zetten. Niet rechters in het Supreme Court zetten enkel omdat het kan. Wat misschien het meest schokt over het tijdperk-Trump is hoe snel de normen van beschaafde democratische omgang kunnen eroderen. President Trump heeft door zijn gedrag en uitingen het ambt danig aangetast.

Een van de tekenen is het dehumaniseren van tegenstanders. Niet alleen was Hillary Clinton rijp voor de gevangenis, Hispanics waren verkrachters en drugdealers, ‘beesten’ in Trumps termen, maar ook Kamala Harris is volgens de president ‘een monster’. Het publiek van zijn circusshow roept automatisch ‘lock her up’. Een Republikeins senator, Mike Lee van Utah, zei eerder deze maand dat ‘democratie niet het doel [is]’ van het Amerikaanse politieke systeem. Volgens hem zouden dat ‘vrijheid, vrede en welvarendheid’ zijn. ‘Democratie kan daarbij een hinderpaal zijn’, schreef hij. Niemand nam de moeite om hem aan te spreken op de implicaties daarvan.

‘We the people’, de aanhef van de grondwet, klinkt mooier dan de praktijk laat zien. Er is niets zeker aan Amerikaanse democratie. Historisch was zij altijd een verre van volmaakt systeem waarin zwarte én arme witte Amerikanen opzij gezet werden. Amerika accepteerde zonder al te veel morren een eeuw lang de beperkingen die de zuidelijke racisten opdrongen. Het is maar 55 jaar geleden dat alle burgers het recht kregen om te stemmen. Anno 2020 proberen de Republikeinen overal dat weer zo moeilijk mogelijk te maken, geholpen door een Supreme Court dat in 2013 besloot dat controle op staten die aantoonbaar de regels schenden niet meer nodig was. De rechters wisten wel beter, het was een doelbewuste ondermijning van het kiesstelsel door een kwaadwillende meerderheid in het Hof.

Als een marginaal beter functionerende democratie, beter althans dan voor 1965, nu wordt bedreigd, dan moeten we ons afvragen waarom we daar verbaasd over zijn, waarom dit hinkende Amerika ooit als democratisch ideaal werd beschouwd. Het gaat te ver om hier te exploreren, maar is ónze Amerikaanse droom, of ons droombeeld van Amerika, niet rijp voor herziening? Als wij daar niet over willen denken, hoe kunnen we dan die glunderende Chinese autoritaire leiders of zelfs onze eigen achterbuur Viktor Orbán van repliek dienen?

De kans dat Amerika uiteenvalt is kleiner dan de kans dat het zijn democratie kwijtraakt, dat het ooit gerund zal worden door een coterie die autoritaire middelen zal hanteren, door Amerikanen die er simpelweg belang bij hebben de touwtjes in handen te houden. Volgens sommigen is dat al het geval, onder een democratisch sausje. Met hulp van rechtse financiers en aanhangers ontmantelde Donald Trump de moderne overheid door haar te verlammen. De organisatie van de Koch-broers wist op de valreep nog een anti-reguleringsrechter in het Supreme Court onder te brengen.

Zo zitten we met Amerikaanse verscheidenheid die meer dan ooit de vraag oproept wie Amerikaan is, wat Amerika is en waar het voor staat. Geen van die vragen is nieuw, geen van de groepen is nieuw. Trump heeft de verdeeldheid uitgebuit en vergroot, opgerekt tot brekens toe. Maar het zou misleidend zijn om Trump overal voor verantwoordelijk te houden, daarvoor is hij als persoon te klein. De teloorgang van het presidentschap, door hem verpersoonlijkt, is een symptoom van Amerika’s problemen, niet de oorzaak ervan. Hij heeft niets opgelost, zoals een president Hillary Clinton de rot niet had kunnen stoppen.

De destructieve krachten die in Amerika altijd onder de oppervlakte sluimeren doen zich steeds meer gelden. Twee keer eerder verscheurden ze het land: tijdens de Burgeroorlog en tijdens de Grote Depressie. Dat is ons voorland en we kunnen alleen maar hopen dat als de grote kladderadatsch komt, of als we daar, met dank aan Trump en corona, nu al bij zijn aangekomen, er een politicus opstaat van het niveau van Abraham Lincoln of Franklin Roosevelt. De sfeer in Amerika, het klimaat dat Trump en zijn enablers hebben geschapen, voelt als een voorspel tot een confrontatie, een klassenoorlog, een stammenoorlog, hoe je het ook wilt noemen. Soms hoor je burgeroorlog.

Meer voor de hand ligt een terugkeer naar het geweld van de late jaren zestig, begin jaren zeventig van de twintigste eeuw. Toen was Amerika een kruitvat met meer dan tweeduizend gevallen van binnenlands terrorisme, waaronder de moorden op Martin Luther King en Robert Kennedy, twee aanslagen op president Ford, de Weathermen, Patty Hearst en de Symbionese Liberation Army. Voor een burgeroorlog is meer vereist, meer eenheid in de onenigheid bijvoorbeeld. Niettemin kunnen de tot de tanden gewapende groepen Trump-aanhangers grote schade aanrichten. De arrestaties van rechtse radicalen in Michigan die van plan waren gouverneur Gretchen Whitmer te ontvoeren en eventueel te vermoorden, wijzen die kant op.

Wie zoekt naar een optimistische noot in dit weinig opbeurende verhaal kan vaststellen dat de binnenlandse crisis historische proporties begint aan te nemen. Misschien opent de combinatie van de depressie van 2008, de armetierige kandidaten van 2016 (en van 2020), het presidentschap van Trump en de coronacrisis de weg voor drastisch beleid dat de werkelijke problemen aanpakt. Daarvoor moet eerst een verkiezingsuitslag plaats hebben die de Democraten ongebreidelde macht geeft.

Vervolgens moeten de Democraten die macht gebruiken. Ze moeten daarin niet terughoudend zijn, ze moeten een voorbeeld nemen aan de Republikeinen die al vijftig jaar de Amerikaanse politiek in een houdgreep hebben. De les: als verdeeldheid de norm is, gebruik die dan. Accepteer de verwijten maar stoom gewoon door. Verdeeldheid is onvermijdelijk, zij is er niet om op te lossen, zij is er om uit te buiten. Leer van Mitch McConnell. Democraten krijgen vaak het verwijt dat ze een mes meebrengen naar een gunfight. Het is tijd dat ze een bazooka in stelling brengen.

De vraag is of een president Biden er hard genoeg in zal gaan. Er wordt vaak verwezen naar Franklin Roosevelt die in 1933 de crisis gebruikte om rigoureus beleid te voeren. Maar het valt niet mee om in Joe Biden een fdr te zien. Misschien is het beter te wijzen op de vicepresidenten van de twintigste eeuw die na het overlijden van hun baas president werden. Afgezien van fdr waren de meest invloedrijke presidenten van de twintigste eeuw Theodore Roosevelt, TR, die in 1901 de vermoorde McKinley opvolgde; Harry Truman die in 1945 de plek van de overleden fdr innam, en Lyndon Johnson die de moord op Kennedy maximaal uitbuitte om Amerika serieus te veranderen. Anders gezegd, en niet geheel zonder terughoudendheid over de morbide kant van de stelling: de kans op herstel van Amerika is groter onder president Kamala Harris dan onder de bejaarde gladstrijker Joe Biden. Kijk niet naar fdr, kijk naar TR. Kijk niet naar Biden, kijk naar Harris.

Het land laat zich niet verenigen, maar evenmin zal het uiteenvallen. Alle zorgen over de samenhang ten spijt, dát lijkt niet waarschijnlijk zonder een confrontatie van nachtmerrie-proporties. Met dank aan de kracht van die grondwet. Juist die wankele constructie van staten en federale overheid die al 233 jaar voor verdeeldheid zorgt en die tegelijkertijd tempert zal het Verenigde deel van de Verenigde Staten blijven redden. Staten zullen hun eigen zaken regelen zoals ze dat altijd al deden. Een disfunctionele nationale overheid biedt die ruimte.

Maar er hangt een prijskaartje aan. Voor de gewone Amerikaan die de onderlinge afstanden steeds groter ziet worden, voor alle Amerikanen die in een land wonen waarin elementaire voorzieningen ontbreken, waarin het vertrouwen in de overheid en het vertrouwen in elkaar dieptepunten bereiken. Maar ook voor de rest van de wereld, want een totaal verdeeld land, vijftig staten die nauwelijks bij elkaar horen, kan niet meer de rol op zich nemen die Amerika speelde in de American Century, de periode na de Tweede Wereldoorlog. Want zoals we onder Trump, maar eerlijk gezegd ook al onder zijn voorgangers, hebben gemerkt, is dat arrangement niet langer vanzelfsprekend. We leven in een andere wereld met een ander Amerika.

Founding Father Benjamin Franklin, altijd goed voor anekdotes, observeerde dat tijdens de besprekingen over de grondwet voorzitter George Washington in een stoel zat met een zon op de achterkant. Schilders, zei Franklin, konden moeilijk in hun werk het verschil maken tussen een opkomende en een ondergaande zon. ‘Ik heb me tijdens deze besprekingen’, vervolgde hij, ‘vaak afgevraagd of die zon achter de president nu opkwam of onderging. Nu ben ik uiteindelijk zo gelukkig dat ik weet dat het een opkomende en niet een ondergaande zon is.’ Je mag je afvragen of Franklin dat anno 2020 nog zo zou vinden.