De tweede termijn Obama krijgt meer tijd. Voor wat?

Amerika heeft geen links

In zijn eerste termijn bleek Obama niet de president van verandering die hij vooraf zei te zijn. Het werd business as usual. De vrees bestaat dat hij de komende vier jaar opnieuw een conservatieve agenda zal voeren.

Je zou er kort over kunnen zijn. Een jonge, charismatische president die ondanks een slechte economie en een krankzinnig destructieve Republikeinse oppositie toch het nodige voor elkaar kreeg – economische stimulus, hervorming van de zorg, terugtrekking uit Irak, om maar wat te noemen – krijgt een tweede ambtstermijn. Zo veranderen deze verkiezingen op het eerste gezicht weinig: Amerika heeft de komende vier jaar dezelfde Democratische president, die in ieder geval de eerste twee jaar opnieuw te maken krijgt met een Democratische Senaat en een Republikeins Huis van Afgevaardigden.

De politieke wetenschap was er op Election Night zelve als de kippen bij om op basis van de exit polls te determineren welke bevolkingsgroepen op welke kandidaat hadden gestemd. Als verwacht stemden minderheden – zwarten, latino’s en Aziaten – in grote meerderheid voor Obama, hoewel in mindere mate dan in 2008. Daar staat tegenover dat het aantal door minderheden uitgebrachte stemmen groter was dan in 2008. Mannen stemden meer op Romney, vrouwen op Obama. Had het electoraat louter uit blanken bestaan, dan was Romney met gemak president geworden.

Dit is reuze interessante informatie voor de strategen van beide partijen, die zullen pogen om die cijfers dusdanig te duiden dat erop geanticipeerd kan worden voor de volgende electorale campagne. De cijfers zullen overigens bij Republikeinse strategen de alarmbellen doen rinkelen: het Amerikaanse electoraat wordt minder blank, wat ertoe leidde dat zelfs bij een werkloosheid van bijna acht procent de Republikeinse kandidaat niet kon winnen. De partij, met haar extreme versie van conservatisme die alleen onder oudere blanken een meerderheid trekt, zit op een dood spoor.

Maar met de dissectie van de uitgebrachte stemmen gingen de numerologen voorbij aan een cijfer dat minstens even veelzeggend is: volgens voorlopige berekeningen van het Center for the Study of the American Electorate heeft slechts 55 procent van de stemgerechtigden gestemd (in 2008 stemde nog 61,6 procent). Je zou ook kunnen zeggen: ondanks de zes miljard dollar (volgens het Center for Responsive Politics) die aan de verkiezingen zijn besteed en de enorme media-aandacht is 45 procent thuisgebleven. Geen westerse democratie heeft zo’n lage opkomst als het land dat met bommen en granaten de wereld over trekt ter verdediging van vrijheid en democratie.

Hiervoor zijn redenen te over aan te dragen: de verplichte kiezersregistratie werkt ontmoedigend; stemwetten in Republikeinse staten maken het lastiger voor arme minderheden om te stemmen; in ideologisch gekleurde staten als Texas en Californië maakt een individuele stem weinig verschil; er is met twee partijen te weinig keuze. Maar het aantal niet-stemmers is te hoog om simpelweg te concluderen dat de belangrijkste reden om niet te stemmen in de buurt ligt van: het zal wel; dit gaat niet over mij; het maakt toch geen verschil of een Democraat of Republikein president wordt.

Nu is de opkomst in Amerikaanse verkiezingen traditioneel laag. Sinds de Tweede Wereldoorlog schommelt het opkomstpercentage voor de presidentsverkiezingen volgens de Federal Election Commission tussen 49 (1996, Clinton vs. Dole) en 62,8 (1960, Kennedy vs. Nixon). Al die tijd is de politiek gedomineerd geweest door de twee grote ideologische stromingen in het land: liberalisme en conservatisme. De strijd tussen die twee wordt gepresenteerd als een tussen links en rechts, hoewel beide een variant zijn van de meedogenloze vorm van kapitalisme die sinds de jaren tachtig geleidelijk tot een inkomensongelijkheid heeft geleid die doet denken aan de jaren twintig.

Oftewel: Amerika heeft geen links. Maar die lacune is geen onderdeel van het publieke debat zoals dat wordt uitgevochten in de mainstream media. Dat het duopolie van de Democratische en Republikeinse Partij in het Amerikaanse politieke stelsel tot een structureel democratisch tekort heeft geleid is echter wel degelijk al decennialang onderwerp van gesprek onder linkse intellectuelen als Noam Chomsky, Ralph Nader, Gar Alperovitz en Naomi Klein. Maar hun ideeën worden genegeerd door de mainstream media, zoals ze ook nauwelijks de lezers bereiken van vermeend linkse, of in ieder geval liberale publicaties als The New York Times of de New Yorker.

In de presidentiële campagne kwamen dergelijke grieven al helemaal niet aan de orde, zoals wel meer essentiële onderwerpen niet of nauwelijks aan de orde kwamen. Meest opvallende afwezige was de klimaatverandering, een onderwerp waarmee Obama in 2008 nog veel jonge kiezers aan zich bond, maar dat hij nu schuwde uit angst om zwevende kiezers te verliezen die zich drukker maken om de benzineprijs dan om zoiets abstracts als een geleidelijk stijgende zeespiegel. Zo leek het ook alsof Amerika met bijna 2,5 miljoen mensen in de gevangenis, grotendeels een gevolg van de krankzinnige oorlog tegen drugs, niet de hoogste detentiegraad ter wereld heeft of dat de dertigduizend jaarlijkse doden door schietwapens geen reden zijn om het wapenbeleid eens onder de loep te nemen. Andere stiltegebieden: de toenemende armoede – bijna de helft van de bevolking is naar maatstaven van de eigen overheid arm of bijna arm – en de rol van geld in de politiek.

In plaats daarvan ging het primair over de staatsschuld, de werkloosheid en het beste plan om de economische groei weer aan te jagen. Voor menige kiezer belangrijke onderwerpen, maar als evenveel belangrijks onbesproken blijft, is het niet vreemd dat veel kiezers zich niet aangesproken voelen.

Zo bezien lijkt de overwinning van Obama erop te wijzen dat als er ergens electorale ruimte zit in de Verenigde Staten, dit ‘op links’ is: het progressieve deel van Obama’s kiezers heeft immers alleen op hem gestemd omdat ze vermoeden dat de onderwerpen die hun aan het hart gaan – klimaatverandering, sociale rechtvaardigheid, vrouwenrechten – bij hem nog altijd in betere handen zijn dan bij Mitt Romney of welke Republikein dan ook. En ter rechterzijde van de Tea Party, die na de ‘revolutie’ van 2009 een invloedrijk onderdeel van de Republikeinse Partij is geworden, lijkt geen ruimte meer te zitten.

Dat Obama niet de extreem-linkse politicus is zoals de Republikeinen het publiek nog altijd willen doen geloven, is altijd wel duidelijk geweest. Na zijn eerste ambtstermijn is ook duidelijk dat hij niet de president is van ‘verandering waarin je kunt geloven’. Obama is business as usual, een stabiele, gehaaide politicus die het hart vast op de goede plaats heeft – de suggestie dat hij ooit welzijnswerker in Chicago was met in het achterhoofd een politieke carrière, is wel erg cynisch – maar die bereid is gebleken om om wille van het behoud van zijn machtspositie zijn principes en beloftes opzij te zetten. Ziehier de verklaring voor het gemak waarmee klimaatverandering van de agenda verdween. Hetzelfde geldt voor de oorlog tegen drugs of de problematiek rondom illegale immigratie.

Een van de eerste critici die door de persoon Obama heen prikte was Naomi Klein. In 2009 was ze in de nieuwe inleiding op de jubileum­versie van haar bestseller No Logo (1999) ondubbelzinnig over Amerika’s nieuwe president: Obama is helemaal niet geïnteresseerd in structurele verandering, zoals Klein dat zelf uiteraard wel is, maar, zo schreef ze, ‘prefereert het grote symbolische gebaar’.

Al met al hebben Obama en de Democratische Partij een moeizaam mandaat: een Republikeins Huis van Afgevaardigden, een minimale verkiezingsoverwinning en een half-overtuigde, achterdochtige achterban.

Het in vergelijking met 2008 matte enthousiasme van Obama’s kiezers en de gedempte verwachtingen voor Obama’s tweede ambtstermijn waren in de nacht na de verkiezingen terug te zien in de straten van New York. In bijvoorbeeld de wijk Fort Greene in Brooklyn – een smeltkroes van recent gearriveerde creatieven en professionals en een zwarte middenklasse die er van oudsher woont – ontstond in 2008 een spontaan volksfeest. Pannen en pollepels werden drumstellen, autoclaxons zorgden voor begeleiding en ‘Yes we can!’ werd de oneindig herhaalde mantra. Nu werd er sporadisch getoeterd, een enkeling opende het raam voor het uiten van enige vreugdekreten – maar bleef wel binnen.

En Obama zelf? ‘In deze verkiezingen hebben jullie, het Amerikaanse volk, ons eraan herinnerd dat hoewel de weg zwaar is geweest en onze reis lang, we onszelf hebben opgepakt en teruggevochten’, zei de president in zijn overwinningsspeech. ‘In ons hart weten we dat het beste nog zal komen voor de Verenigde Staten van Amerika.’

Mooi gezegd natuurlijk, maar wat betekent dit voor de toekomst? Dat vroeg ook een oude vriend van Obama, Christopher Edley van de University of California in Berkeley, zich in The New York Times af: ‘Je kunt op een nipte overwinning reageren door je zeilen te strijken, of je kunt besluiten: “Wat de hel, laten we de storm inzeilen en zeker stellen dat het allemaal iets betekend heeft.”’

Gelet op de eerste vier jaren van zijn presidentschap en zijn schijnbaar conservatieve persoonlijke karakter bestaat de verwachting – of de vrees – dat Obama de zeilen zal strijken. Dat betekent nieuwe pogingen om met de Republikeinen tot overeenstemming te komen over terugdringing van het begrotingstekort en de staatsschuld, of benoemingen van rechters die ook voor conservatieven acceptabel zijn. Kiest hij daarvoor, en blijven dus opnieuw onderwerpen als klimaatverandering en inkomens­ongelijkheid onbehandeld, dan zullen progressieven niet opnieuw ‘hopend’ aan de kant blijven toekijken, zoals ze dit de eerste twee jaar van Obama’s eerste termijn deden. De energie van onder meer de milieubeweging en van Occupy Wall Street zullen zich dan tegen hem keren. Iets waarom Obama overigens zelf altijd heeft gevraagd, door de mensen voor te houden: ‘Jullie moeten me dwingen het juiste te doen.’

Mocht Obama besluiten om uit eigen beweging de storm in te varen, dan zullen er evengoed activisten in de benen komen: de Tea Partiers die koste wat het kost ‘hun land’ terug willen. In dat geval zal Obama de linkse activisten, die zich bij een conservatieve agenda tegen hem zullen keren, juist nodig hebben. Zo worden dit hoe dan ook vier interessante, roerige jaren in het land van hoop.