Joe Biden

Amerika’s treurzanger

Rouw vormt de rode draad in de politieke carrière en huidige verkiezingscampagne van presidentskandidaat Joe Biden. Als geen ander spreekt hij de taal van nabestaanden. Wat zegt dat over onze beleving en verwerking van persoonlijk verdriet?

Campagnebijeenkomst in Storm Lake, Iowa. 1 december 2019 © Charlie Neibergall / AP / HH

De doden tellen is makkelijk, de rouwenden tellen een stuk lastiger. Jaarlijks overlijdt bijna één procent van de Amerikaanse bevolking. De meest recente officiële cijfers, afkomstig van het National Vital Statistics System van de Centers for Disease Control and Prevention, hebben betrekking op het jaar 2017: 2.813.503 geregistreerde doden. Afgaande op de cijfers van 2014 heeft Joe Biden berekend dat die mensen stuk voor stuk ‘minstens een of twee dierbaren hebben achtergelaten die op een wezenlijk niveau zwaar zijn getroffen door het verlies; sommige mensen laten een handvol rouwenden na, anderen tientallen.’ Het gaat hier om mensen die ‘elke dag opnieuw uit hun bed komen, de ene voet voor de andere zetten, gewoon doorgaan’.

Als Biden al een vaste achterban heeft, dan is dat de bevolkingsgroep der rouwenden. ‘Er is een heel legioen van dergelijke soldaten’, schrijft hij in een autobiografie uit 2017, waarin zowel zijn tijd als vicepresident aan de orde komt als de periode waarin zijn zoon overlijdt. ‘Ik schat dat op elk willekeurig moment één op de tien mensen in ons land gebukt gaat onder een groot verdriet ten gevolge van een recent verlies.’ Deze berekening haalt een ongekende democratie van verdriet voor de geest: ‘Ik zie ze staan bij elke politieke bijeenkomst waar ik spreek, in hun blik schemert haast een smeekbede door. Help me, alstublieft… Ik probeer altijd voor ogen te houden dat een klein gebaar een enorm verschil kan maken als iemand het zwaar heeft. Hoe moeilijk is het nou helemaal om daar even bij stil te staan, om iemand echt aan te kijken, een arm om iemands schouder te slaan, iemand duidelijk te maken: ik weet wat je doormaakt, je staat er niet alleen voor?’

Het is een achterban die voortdurend in beweging is, maar voor ieder van ons geldt dat we er op enig moment deel van zullen uitmaken.

Om maar meteen kleur te bekennen: ik zou willen dat Biden geen gooi deed naar het presidentschap. Zijn terugkeer naar de politiek roept spoken op uit het verleden. De drie kwesties die het meest uitvoerig zijn uitgediept, waren zijn standpunten in het segregatiedebat van de jaren zeventig (Biden was tegen gratis schoolbussen waarmee zwarte kinderen naar scholen in betere buurten zouden kunnen), de badinerende manier waarop zijn senaatscommissie zich opstelde tegenover Anita Hill, die tijdens de benoemingsprocedure van opperrechter Clarence Thomas in 1991 naar voren kwam en Thomas van seksueel ongepast gedrag beschuldigde, en de rol die Biden heeft gespeeld in de strenge anti-misdaadwetgeving van de jaren negentig die onmiskenbaar discriminatoir heeft uitgepakt voor zwarte Amerikanen.

Bidens ‘bagage’ (een suggestieve term voor ‘ideologie’, alsof het een koffer is die we meezeulen, van de ene trein naar de andere) is niet uniek. Wat hem typeert is niet zijn politieke overtuiging maar iets veel ongrijpbaarders: de snaren van verdriet en rouw die hij weet te raken binnen onze samenleving, en die onze samenleving bij hem voelt resoneren. Binnen het populair politieke domein worden maar weinigen zozeer in verband gebracht met persoonlijk verdriet als Joe Biden, en zijn er ook maar weinigen die er zo mee vereenzelvigd worden. Zowel het begin als het einde van Bidens nationale politieke loopbaan is getekend door een persoonlijk drama. In 1972 werd hij gekozen in de Senaat en een paar weken later kwamen zijn vrouw en zijn jonge dochtertje om het leven bij een verkeersongeval. In 2015, toen zijn tijd als vicepresident er bijna op zat, overleed Beau, een van zijn twee zoons die het auto-ongeluk hadden overleefd, aan kanker. Verdriet was de voornaamste reden dat Biden in 2016 besloot geen gooi te doen naar het presidentschap. Verdriet en rouw zijn ook bepalend voor zijn huidige campagne, op manieren die niet eenvoudig zijn te duiden. Ik vermoed dat Biden zelf zich niet eens ten volle realiseert hoezeer rouw zijn situatie tekent. De grote groep verdrietige kiezers al evenmin.

Biden is in 1942 geboren in het schrale landschap van Scranton, Pennsylvania. Zijn ouders geloofden in volkswijsheden en hielden vast aan het zout-der-aarde-principe. ‘Denk eraan, Joey’, roept Biden de woorden van zijn moeder in herinnering uit de tijd dat hij op school werd gepest omdat hij stotterde: ‘Je bent een Biden. Je doet voor niemand onder. Je bent niet beter dan een ander, maar ook niet minder.’ De Bidens waren niet echt arm, maar ze wisten wat tegenslag was. In economische zin vertoonde de levensloop van Bidens vader een dalende lijn, beginnend in de buitenwijken van Boston en, via enkele ondernemingen die op de fles gingen, eindigend met een gewasbesproeiingsbedrijf op Long Island. Wat er ook gebeurde, vader Biden ging elke dag netjes in pak naar zijn werk. IJdelheid was een manier om je waardigheid overeind te houden: kleed je voor de baan die je zou moeten hebben, niet voor de baan waar je toevallig in bent beland.

Biden was de eerste van de familie die in de nationale politiek ging, zoals er in andere families een eerste kind is dat gaat studeren – wat in het geval van de familie Biden overigens ook Biden was. Hij betrad de politieke arena als de Kennedy van de gewone man, innemend en aantrekkelijk. Zijn woordenschat omspant zowel het vulgaire register als het bombastische. ‘Malarky’, kletspraat, is een van zijn lievelingswoorden. Hij zegt geregeld dingen als: ‘Ik zweer het bij God’ en: ‘Op mijn erewoord als Biden.’ Maar daarnaast gebruikt hij veel deftige juridische termen, zoals ‘subrogeren’. Om af te rekenen met zijn gestotter leerde hij hele paragrafen van Emersons American Scholar uit zijn hoofd en declameerde die keer op keer voor de spiegel, zag zijn kaak worstelen met de zinnen: ‘Meek young men grow up in libraries… Meek young men grow up in libraries.’

In 1966 trouwde Biden met Neilia Hunter, een niet-katholiek van de betere kant van het spoor – tevens de Republikeinse kant. Hij was 29 toen hij in 1972 werd gekozen en de zittende senator van Delaware, een Republikein, van de troon stootte. Hij werd net op tijd dertig om aan de constitutionele leeftijdseis voor de Senaat te voldoen. In The New York Times werd de naam van Neilia verkeerd gespeld (Nealia) in het korte berichtje over het ongeval waarbij ze om het leven kwam: haar stationwagen werd geraakt door een tractortrailer. Ook hun eenjarige dochtertje Naomi vond de dood; zoons Beau en Hunter raakten zwaargewond maar haalden het. ‘Ik begon te begrijpen dat wanhoop mensen ertoe kan drijven het bijltje erbij neer te gooien; dat zelfmoord niet zomaar een uitweg is maar een reële mogelijkheid’, zegt Biden in zijn eerste politieke autobiografie uit 2007. ‘Mijn toekomst was samengebald in de moeite die het me kostte de ene voet voor de andere te zetten.’

Bidens politieke persona is gevormd door die onverwachte tragedie, en door het ritme van de rouwverwerking. In het begin nam ‘Amtrak Joe’ elke dag de trein van Wilmington naar Washington, en weer terug, om elke avond bij zijn zoons te kunnen zijn. Wat begon als een verhaal over rouw en infrastructuur zou uitgroeien tot een symbool van het feit dat Biden zo gewoon is gebleven, al neemt hij inmiddels de luxere Acela Express. Een forens als vele anderen.

Joe Biden na een verkiezingscampagne-rally in Philadelphia. 18 mei 2019 © Mark Makela / Reuters / ANP
Ik zou willen dat Biden geen gooi deed naar het presidentschap. Zijn terugkeer naar de politiek roept spoken op uit het verleden
—————

Omdat Biden al zo lang meedraait en inmiddels te oud lijkt om nog president te worden, is het des te opmerkelijker om te bedenken hoe jong hij was toen hij in 1973 senator werd; net een jaar ouder dan Alexandria Ocasio-Cortez nu. Maar hij was geen politicus die symbool stond voor een nieuwe generatie. Hij was een paar jaar ouder dan de babyboomers, die pas een jaar of tien later in groten getale zouden doordringen in de politiek. Hij trouwde jong, hoefde niet naar Vietnam omdat hij rechten studeerde, en werd voor het eerst vader in 1969. Hij schaarde zich al vrij snel achter de burgerrechtenbeweging maar nam afstand van Nieuw Links. ‘Biden wordt niet graag de belofte van Nieuw Links genoemd’, schrijft Kitty Kelley in 1974 in een levendig portret vol roddels. Hij ging er prat op een liberaal standpunt in te nemen op het gebied van zowel ‘burgerrechten en mensenrechten’ als de gezondheidszorg. Maar op het gebied van ‘abortus, amnestie en lsd ben ik net zo vooruitstrevend als je grootmoeder’, zou hij volgens Kelley hebben gezegd.

Biden toont Kelley zijn ‘lievelingsfoto’ van zijn overleden vrouw, in bikini. ‘Ze had het mooiste lichaam dat ik ooit heb gezien. Ze is nog mooier dan een Playboy-bunny, vind je niet?’ Terugkijkend op de lange dagen van zijn campagne voor de Senaat betreurt Biden het dat hij meestal te moe was om nog te praten als hij thuiskwam. ‘In bed kwam ze niets tekort, maar verder had ik vrijwel nergens tijd voor.’ Anderhalf jaar na haar dood begint hij iets met een journaliste, maar hij weet dat hij ‘nog altijd verliefd is op zijn vrouw’. Zijn toespeling op een onstuimig liefdesleven werd in de jaren zeventig wellicht als minder ongepast beschouwd dan nu het geval zou zijn: Biden was een echte family man die een moderne seksuele openhartigheid wist te combineren met een meer archaïsch patriarchaal conservatisme. Hij was een geboren en getogen katholiek die uiteindelijk voorstander werd van geboortebeperking.

In 1974, toen er nog maar net een jaar was verstreken van zijn eerste termijn, noemde hij zichzelf in een televisiedebat over het hervormen van campagnefinancieringen ‘een excuus-jongere, zoals je ook een excuus-zwarte hebt, of een excuus-vrouw’. Je hoorde het publiek lachen en gniffelen toen hij die vergelijking maakte. Maar binnen het kleine wereldje van de Senaat vertegenwoordigde hij inderdaad een minderheid: de gemiddelde leeftijd van de senatoren was 57 (momenteel is dat 62, helaas). Een vertegenwoordiger van een minderheid is iets anders dan een golf. Integendeel zelfs: Biden moest allianties sluiten met oudere senatoren. De enige manier om de posities te bemachtigen die later bepalend zouden worden voor zijn politieke loopbaan – voorzitter van het Senate Judiciary Committee en het Foreign Relations Committee – was door zich strategisch te voegen naar de wensen van zijn oudere collega’s.

Door zijn ervaring met deze micro-generatiekloof is Biden uitgegroeid tot een interessante maar ook frustrerende vertelstem van de recente Amerikaanse geschiedenis. In 1990 kwam hij op de plek te zitten van een andere oude voorstander van segregatie, de gepensioneerde Democratische senator John Stennis van Mississippi. De mahoniehouten tafel in zijn werkkamer was, zo zegt Stennis, ‘het pronkstuk van de Confederatie tussen 1954 en 1968’. Op die tafel was het Southern Manifesto ondertekend. ‘Maar nu is het tijd’, aldus Stennis, ‘dat deze tafel overgaat van een man die tégen burgerrechten is, op een man die vóór burgerrechten is’. Het verhaal eindigt met Stennis’ tendentieuze morele inkeer:

‘“De burgerrechtenbeweging (zo zegt Stennis tegen Biden) heeft eerder de witten bevrijd dan de zwarten.” En ik keek hem aan, ik wist niet wat hij bedoelde. En toen zei hij, zoals alleen John Stennis dat zou kunnen zeggen: “Het heeft mijn ziel bevrijd; het heeft mijn ziel bevrijd.”’

Dit is een schitterende anekdote voor een lofrede, en Biden is een groot lofredenaar. Maar ondertussen wordt de burgerrechtenbeweging hier teruggebracht tot het melodramatische morele dilemma van een oude witte man. Biden beschrijft het einde van het melodrama, alsof hij Stennis absolutie verleent na een laatste gesprek op zijn sterfbed. Maar je kunt je afvragen of dat wel aan hem is.

Joe Biden met zijn eerste vrouw Neilia en zoons Hunter en Beau op zijn dertigste verjaardag. Wilmington, Delaware, 20 november 1972 © Bettmann Archive / Getty Images
—————

‘Alle politiek is lokaal.’ Het is een veelgehoorde opmerking om de kliek in Washington er met een zeker venijn van te doordringen dat het beleid zal worden afgerekend op de harde, alledaagse realiteit van de kiezers. Wijze woorden. Anderzijds zijn de enigen die reden hebben om dit cliché te benadrukken, mensen wier ambities allesbehalve lokaal zijn. Biden is er prat op gegaan ‘die bewering aan te scherpen’: ‘Ik ben ervan overtuigd dat alle politiek persoonlijk is omdat politiek uiteindelijk altijd neerkomt op vertrouwen, en tenzij je in staat bent een persoonlijke band aan te gaan, is het vrijwel onmogelijk om vertrouwen te kweken.’

Alle politiek is persoonlijk, is de slogan van een handjesschudder, en handen schudden is Bidens specialiteit. Binnen Amerika weet Biden iets lokaals uit te stralen, maar het is geen plaatsgebonden lokaliteit. Iedereen kan zich verwant voelen met de Bidens, die zijn verhuisd vanwege het werk. Biden wordt niet gezien als iemand uit Scranton of Wilmington, maar als iemand uit willekeurig welke plaats in het postindustriële Amerika. Zijn geestelijke geboortegrond is niet zozeer een bepaalde plek als wel een trein die van de ene plek naar de andere gaat.

Het handjesschudden van Biden is minder oppervlakkig dan je zou kunnen denken. Hij is geen handelsreiziger. De handjesschudder was een van de centrale figuren in The Lonely Crowd, David Riesmans portret van de Amerikaanse middenklasse halverwege de twintigste eeuw. Onder de beminnelijke glimlach van de handjesschudder schuilt een onderstroom van verlangen, onzekerheid en frustratie, symptomatisch voor de cultuur die het stereotype heeft voortgebracht. De bideniaanse handjesschudder weet een emotionele verbinding tot stand te brengen binnen een groep onbekenden, en Biden, die onbetwistbaar vertrouwd is met verdriet, is daar als geen ander toe in staat. Hij heeft iets zalvends, maar dan op een manier waarin het geloof sterk resoneert. Ergens wekt het geen verbazing dat Biden zelf de laatste sacramenten – de ultieme zalving – toegediend heeft gekregen toen hij in 1988 in allerijl moest worden geopereerd na een gescheurd hersenaneurysma. ‘Het overviel me’, zou hij later schrijven, ‘maar ik was niet echt bang om dood te gaan.’ Ik wil niet beweren dat Biden de tragedie die zijn gezin heeft getroffen uitspeelt; het is eerder zo dat hij als geen ander de esoterische taal beheerst van persoonlijk verdriet, en dat hij moeiteloos die mensen ertussenuit weet te pikken die dezelfde taal spreken. Hij komt even bij ons staan, in ons verstilde hoekje van verdriet.

Biden beheerst de esoterische taal van persoonlijk verdriet, en hij weet die mensen eruit te pikken die dezelfde taal spreken

Ik heb het dan niet over iets oppervlakkigs als ‘mensen aanvoelen’, zoals dat het geval was met Bill Clinton. Het contrast met Clinton is veelzeggend. De net iets jongere Clinton, een echte boomer, was de zoveelste ‘New Democrat’ die in de ogen van velen werd geassocieerd met een bepaalde geografische plek en met de economische problemen van de witten. Clinton was de jongen uit Arkansas, uit ‘a place called Hope’, die zou uitgroeien tot een ‘tactiele politicus’ in de negatieve betekenis van het woord. Clinton had iets geslepens: hij had een plek weten te bemachtigen op Yale en Harvard, hij had een fabelachtig geheugen en geweldige politieke voelsprieten, wat zijn neiging tot ideologisch marchanderen alleen maar in de kaart speelde. In het schandaal rondom Clinton kwam het allemaal samen: demonische seksualiteit, machtsmisbruik en abjecte leugens.

Biden straalt niets geslepens uit en zíjn zonden hebben een meer alledaags karakter, om het zo maar te zeggen. Zijn eerste gooi naar het presidentschap, in 1987, liep stuk op een beschuldiging van plagiaat. Naar bleek had hij tijdens zijn rechtenstudie in Syracuse vijf bladzijden overgenomen uit een artikel in een juridisch vakblad. Dat hij voor zijn eigen verkiezingsrede ook een paar zinnen leek te hebben ontleend aan een speech van een Britse Labour-politicus zou hem achtervolgen tot ver in de zomer van 1987. In september van dat jaar trok hij zich terug uit de race. Bidens eigen verhaal over het plagiaatonderzoek tijdens zijn studie luidt dat hij destijds zeer chaotisch bezig was en onder zijn niveau presteerde, en dat hij het college had gemist waarin werd uitgelegd hoe men met citaten dient om te gaan. Of dat al dan niet waar is, doet niet ter zake: een bideniaanse plagiaris is iemand die weliswaar een scheve schaats rijdt maar het hart op de goede plaats heeft zitten, iemand die weet dat hij maar weinig tijd heeft te verliezen omdat we geen van allen tijd hebben te verliezen.

Joe Biden met van links naar rechts zijn zoon Hunter, kleindochter Natalie, schoondochter Hallie, kleinzoon Hunter en echtgenote Jill na een herdenkingsbijeenkomst voor zijn overleden zoon Beau. 4 juni 2015, Dover, Delaware © Patrick Semansky / AP / HH
—————

Presidentsverkiezingen leggen de dynamiek bloot tussen de verschillende generaties binnen de Amerikaanse politiek. In 2008 koos Barack Obama voor Biden als vicepresident om het eerste niet-witte, post-boomer presidentschap het gewicht mee te geven van de ervaren politicus en het tegelijkertijd ook iets wits te verlenen. Deze keer grijpt het allemaal wat ingewikkelder in elkaar. Bernie Sanders is ouder dan alle anderen, maar populair bij de jongeren omdat hij hun een toekomst biedt. Pete Buttigieg is jonger dan alle anderen, maar wint steeds meer aan populariteit onder ouderen, omdat hij, als een kleinzoon die het allemaal zo graag goed wil doen, sussend zegt dat zij heus niet de toekomst hebben verwoest. Elizabeth Warren is zeventig maar zet in op het nogal jeugdige refrein van structurele verandering. Bidens aantrekkingskracht is eerder therapeutisch van aard dan structureel, niet zozeer een ‘boodschap’ als wel een oefening in tegenstrijdige vormen van nostalgie: naar zijn eigen verre verleden en naar het meer nabije ‘normaal’ van het Obama-tijdperk.

Maar de meest wrange omkering in Bidens bestaan is dat hij nu een vader is die de geestelijke nalatenschap van zijn overleden zoon veilig stelt. Waar zijn loopbaan in de Senaat begon met een plotselinge tragedie in zijn persoonlijke leven, werd zijn vicepresidentschap afgesloten met een tragedie die zich geleidelijker voltrok. Zijn oudste zoon, Beau, trad in de voetsporen van zijn vader en ging in de politiek. In 2006 werd hij procureur-generaal van Delaware. In 2013 werd bij hem een hersentumor gediagnosticeerd, een glioblastoom. Na bestraling, chemo en een meer experimentele behandeling overleed hij in mei 2015. Weer leefde het hele land mee met Biden, niet langer een jonge weduwnaar maar een rouwende vader. De belangstelling was alleen nog maar groter dan die eerste keer: Beau’s begrafenis hield het midden tussen een staatsbegrafenis en een familiebegrafenis in kleine kring, waar alle Amerikanen voor waren uitgenodigd. Obama hield een grafrede. Op een merkwaardige manier leek men te treuren om een politieke dynastie die nooit het licht had gezien.

Bidens tweede autobiografie, Promise Me, Dad: A Year of Hope, Hardship, and Purpose, verscheen in 2017. Het is een complex boek, deels bestaande uit politieke memoires en deels uit de verslaglegging van een immens verdriet. In de politieke memoires komt het beeld naar voren van Joe als een bekwaam manager van buitenlandse betrekkingen. Joe krijgt de grootste problemen van Obama’s buitenlandbeleid op zijn bordje. ‘Laat Joe Irak maar regelen’, zegt Obama. ‘Hij kent het land. Hij kent de spelers.’

De vermenging van genres heeft ook iets ongemakkelijks. Het meest opmerkelijke is de expliciete en gedetailleerde manier waarop Beau’s behandeling wordt vervlochten met de eerste aanvallen die de regering-Obama uitvoert op Islamitische Staat in Irak. Het heeft iets vervreemdends, omdat niet duidelijk is of oorlog de metafoor is voor Beau’s behandeling of dat Beau’s behandeling een metafoor is voor oorlog. Beau ondergaat een experimentele virotherapie, eind maart 2015, in dezelfde week waarin Amerika luchtaanvallen uitvoert op Tikrit, de stad die al zo lang heeft geleden, het toneel van burgeroorlog en sektarisch geweld na de Amerikaanse inval. Het virus (een ‘virale slimme bom’, zoals Biden schrijft) zou Beau’s immuunsysteem moeten mobiliseren in de strijd tegen de tumor; de luchtaanvallen zijn bedoeld om de verschillende facties in Irak te verenigen en een nieuwe impuls te geven aan de strijd tegen IS. In Tikrit blijkt deze aanpak succesvol, maar halverwege mei krijgt IS Ramadi in handen; Beau overlijdt op 30 mei. De onzekerheid bij de artsen – ‘ze wisten niet zeker of het virus de genadeklap had toegediend of de tumor’ – vertoont overeenkomsten met de verwarring die het Amerikaanse buitenlandbeleid typeert.

In het boek wordt gesuggereerd dat Beau’s dood een zoenoffer zou kunnen zijn voor de rampzalige oorlog in Irak, waar Biden in 2003 vóór heeft gestemd, en waar Beau in 2008 en 2009 aan heeft deelgenomen als lid van de Delaware National Guard. ‘Hij zei altijd dat de Verenigde Staten een nobel doel nastreefden’, schrijft Biden. ‘Als er een redelijke kans bestond dat de situatie in Irak zou verbeteren – op de lange termijn – dan moesten we een poging wagen, vond Beau. Er hadden al te veel goede mensen hun leven gegeven voor de strijd om nu nog de handdoek in de ring te gooien.’ Het is een krachtig gebaar, maar onbevredigend. Het is onmogelijk om het boek een gelukkig einde te geven, er is enkel verlies op twee fronten. >

Sinds de dood van Beau heeft het drama nog merkwaardiger vormen aangenomen, met allerlei plotwendingen die niet zouden misstaan in een soap. Bidens beslissing om zich in de race om het presidentschap te storten, bracht de biljartballen van Donald Trumps impeachment in beweging toen Trump de Oekraïne-banden van de familie Biden als wapen probeerde te gebruiken. Joe begon aan de campagne onder het nobele banier van Beau, maar schertsvertoningen en spelingen van het lot hebben Hunter, de verloren zoon, naar de voorgrond geschoven. Misschien is inderdaad alle politiek persoonlijk.

Lindy’s Dinner in Keene, New Hampshire. Augustus 2019 © Mark Peterson / Redux / HH
Het is lastig voor te stellen dat iemand in haar donkerste uren de zittende vicepresident zou bellen, en toch hoop ik dat het waar is
—————

‘Het doet me verdriet dat verdriet me niets kan leren.’ De zin is afkomstig uit ‘Experience’, een essay van Ralph Waldo Emerson uit 1844, twee jaar na de dood van zijn zoon. Het lijkt zo kil, in ieder geval in eerste instantie, alsof het primaire verdriet boekhoudkundig wordt uitgewist door het secundaire verdriet: verdriet heeft geen nut, laten we het afschrijven. Een verschrikkelijke gedachte. Maar het is een misvatting, want dat secundaire verdriet over de nutteloosheid van verdriet is zelf tenslotte ook een vorm van verdriet. Het is ook verschrikkelijk, maar niet kil. We voelen er een stille spiraal van verdriet in.

Ondanks de Emerson-citaten voor de spiegel van zijn jeugd is Biden Emersons tegenpool: verdriet is de spil geweest van zijn ontwikkeling. Het gaf hem een manier om zich tot anderen te verhouden, een soort pre- of supra-politieke taal. Die is esoterisch maar doorbreekt politieke scheidslijnen. Hij is niet de man van de ideologische standvastigheid of zelfs coherentie. Maar op een ander niveau is het wel mogelijk om te benoemen wat voor Biden de cruciale bouwstenen zijn waaruit politieke interactie bestaat: de interactie tussen onbekenden, die in een trein hun hart bij elkaar uitstorten omdat dat soms makkelijker gaat bij mensen die je nauwelijks kent. Dergelijke bouwstenen leveren geen grootse visie op van de politiek en misschien schreeuwt deze tijd wel om iets anders. Maar het is wel een beeld dat diep resoneert in de Amerikaanse samenleving. Biden is de politicus van de vluchtige maar diepgevoelde intimiteit.

Neem bijvoorbeeld het volgende opmerkelijke verhaal in zijn memoires. Biden heeft gesproken op de begrafenis van twee politieagenten die in 2014 zijn gedood in New York City. Het opmerkelijke is niet zijn rede bij de uitvaart, maar wat hij achteraf heeft gezegd, in een persoonlijk gesprek met een van de weduwen. Nu staat iedereen voor u klaar, zei hij, maar uiteindelijk gaat iedereen weer over tot de orde van de dag en dan wordt het verdriet zwaarder: ‘Na een tijdje gaat u zich schuldig voelen omdat u keer op keer bij dezelfde mensen aanklopt om steun, of gewoon om te praten.’ Dus geeft hij deze vrouw zijn privénummer: ‘Als u het moeilijk heeft en u bent bang uw familie en vrienden daar te veel mee te belasten, pak dan de telefoon en bel mij.’ De lezer ziet een beeld opdoemen van een geheim genootschap van rouwenden: ‘Er is een lange lijst van onbekenden die mijn nummer hebben, en die me op elk moment van de dag mogen bellen, en velen doen dat ook. Bel me als u wilt praten’, heb ik tegen haar gezegd. ‘Soms is het makkelijker om je hart te luchten bij iemand die je niet zo goed kent, maar van wie je weet dat hij begrijpt waar je het over hebt. Van wie je weet dat hij hetzelfde heeft meegemaakt.’

Het is lastig voor te stellen dat iemand in de donkerste uren, wanneer ze zich ongekend alleen voelt, de zittende vicepresident van de Verenigde Staten zou bellen. En toch hoop ik dat dit mooie, opmerkelijke verhaal waar is.

Wij leven in een cultuur die moeite heeft met de dood. Afgaande op Philippe Ariès’ The Hour of Our Death, een monumentale geschiedenis van duizend jaar westerse omgang met de dood, was het onvermijdelijke einde van het leven in het verre verleden ‘heel gewoon’: de betekenis was duidelijk, de rituelen waren vertrouwd. In de loop der eeuwen is de dood steeds ongewoner geworden, individualistischer en geromantiseerder, steeds meer vertwijfeld en dwangmatig ontkend. In de moderne tijd groeide de dood uit tot een taboe: de angst voor de dood ligt overal op de loer, maar we bannen hem uit ons bewustzijn. Daarnaast is de dood dankzij de geneeskunde meer en meer verplaatst van ons eigen huis naar het ziekenhuis. Door deze geleidelijke veranderingen heeft ook rouw een andere vorm aangenomen. ‘Rouw’, zo schrijft Ariès, ‘was een uiting van het verdriet binnen een gemeenschap die was bezocht door de dood, was besmet door zijn aanwezigheid, was verzwakt door het verlies van iemand uit hun midden.’ In de negentiende en twintigste eeuw werd rouwen meer en meer een privé-aangelegenheid: beperkt tot de familie, tot het eigen huis en de begrafenisonderneming (een moderne bedrijfstak).

In het voetspoor van het medicaliseren van de dood volgde het medicaliseren van verdriet: verdriet bestempelen tot een geestelijke aandoening. In de jaren zestig van de twintigste eeuw maakte de Britse antropoloog Geoffrey Gorer de balans op van het fenomeen rouwen in zijn tijd, nadat hij had gemerkt dat zijn eigen aanhoudende verdriet over het overlijden van zijn broer had geleid tot enkele opvallend ongemakkelijke situaties. Hij concludeerde dat er ‘tegenwoordig even preuts tegen rouw aan wordt gekeken als een eeuw geleden tegen seksuele driften (…) Men lijkt oprecht te geloven dat verstandige, redelijke mensen hun rouw volkomen in de hand kunnen houden met behulp van wilskracht en ruggengraat, zodat men er in het openbaar geen uiting aan hoeft te geven en er, indien nodig, slechts aan toegeeft in de beslotenheid van het eigen huis, alsof rouw op één lijn kan worden gesteld met masturbatie.’ Ariès formuleerde het als volgt: ‘De rouwende wordt vermorzeld tussen de zwaarte van het verdriet en de zwaarte van het taboe.’

Ons inmiddels conventionele, therapeutische vocabulaire van verdriet is begonnen als een vorm van verzet tegen dat taboe, halverwege de vorige eeuw. On Death and Dying, van Elisabeth Kübler-Ross, verscheen in 1969. Zij onderscheidde vijf fasen bij ongeneeslijk zieke mensen die gedwongen zijn de dood onder ogen te zien – ontkenning, woede, marchanderen, depressie en berusting. Niet veel later werden diezelfde ‘fasen van rouw’ toegepast op mensen die een dierbare waren verloren. Wat begon als een daad van verzet – heel direct datgene benoemen wat we hadden geleerd weg te drukken – werd, gaandeweg, eerder prescriptief dan descriptief. De fasen van rouw drongen zo diep door in onze cultuur dat ze haast werden gezien als een recept. Biden hanteert geregeld conventionele, oppervlakkige termen. In oktober 2015 noemde hij ‘het rouwproces’ als een van de redenen om af te zien van een gooi naar het presidentschap. ‘Ik weet uit eerdere ervaringen dat dit proces geen duidelijk tijdspad kent’, zei hij. ‘Het proces laat zich weinig gelegen liggen aan deadlines en debatten, aan voorverkiezingen en verkiezingsbijeenkomsten.’ Proces: gestandaardiseerde terminologie maar geen echte spreektaal, iets wat van binnen zit maar enige afstand heeft tot het zelf, alsof verdriet een soort pantoffeldiertje is.

In de jaren zeventig verwerkte Biden zijn verdriet – móest hij zijn verdriet verwerken. Dat was kort na de publicatie van Kübler-Ross’ On Death and Dying, maar nog voor de fasen van rouw echt waren ingedaald. Inmiddels is Biden zowel van vóór Kübler-Ross als van ná Kübler-Ross. Toen verdriet iets was wat men in het openbaar de baas moest zien te worden, zoals Gorer merkte dat er van hem werd verwacht, waren sommige mensen daar wel toe in staat en anderen niet. Paradoxaal genoeg praat en schrijft Biden erover dat hij niet in het openbaar uiting wil geven aan zijn verdriet, vanuit de oude gedachte dat zoiets ongepast zou zijn, maar ondertussen doet hij dat wél, in prachtige bewoordingen, waarbij hij op momenten ook therapeutische taal hanteert. Hij is de charismatische belijder van verdriet, die zich richt op een selecte achterban van rouwenden.

Onze overtrokken cultus rond het presidentschap heeft ons het idee gegeven dat de president een politiek atleet moet zijn, iemand die mentaal en emotioneel in topconditie is, een ‘Opperbevelhebber’ die om drie uur ’s nachts telefoongesprekken voert en waakt over onze veiligheid. Dit krankzinnige neveneffect van het keizerlijke presidentschap en de veiligheidsstaat is na 11 september 2001 uitgegroeid tot krankzinnig in het kwadraat. Obama heeft deze tendens eerder gevoed dan getemperd. Net als Biden zelf, die daarmee wrang genoeg een hinderlaag heeft gelegd voor zijn eigen presidentiële ambities. Het meest absurde moment in Promise Me, Dad is een gesprek onder vier ogen met Obama: ‘Een land kan nooit hoopvoller zijn dan de president’, zegt Biden tegen Obama. ‘Maak míj niet tot “De hoop”. Jij moet het land in gaan en “De hoop” belichamen.’ Maar het belichamen van hoop druist in tegen alles waar Biden uiteindelijk echt aan raakt binnen de Amerikaanse samenleving. Hij staat niet voor hoop maar voor verdriet.

Inmiddels heeft dat verdriet de vorm aangenomen van vastberadenheid (we zouden het Bidens zesde stadium van rouw kunnen noemen), een vastberadenheid die hem opnieuw een gooi laat doen naar het presidentschap. In de campagne van 2020 zet Biden opnieuw verdriet in, maar deze keer een heel ander soort verdriet dan het heimelijke, heilzame rouwen dat hij ons als vicepresident heeft getoond. Hij laat een emmer zakken in de brede, diepe put van het links-progressieve verdriet, een put die is geslagen door de verkiezingen van 2016, met alle rampzalige gevolgen van dien. De verkiezing van Trump heeft oneindig veel mensen geïnspireerd om de fasen van Kübler-Ross van toepassing te verklaren op de landelijke politiek, al dan niet schertsend. Die fasen zijn, vrees ik, nog minder een recept voor politieke actie dan voor het verwerken van verdriet. Het is een wrede speling van het lot dat de politicus die het meest wordt geassocieerd met het ‘rouwproces’ een campagne voert die ergens is blijven steken tussen de fasen van ontkenning, woede en gemarchandeer.

De karakteristieke ironie van Bidens carrière is dat hij al veel langer het presidentschap ambieert, maar dat zijn verdriet hem vooral geschikt heeft gemaakt voor het vicepresidentschap, een positie waar andere ambitieuze mannen zich van oudsher geringschattend over hebben uitgelaten. Nelson Rockefeller, vicepresident onder Gerald Ford, werd ooit gevraagd wat zijn baan behelsde. ‘Ik bezoek begrafenissen’, beklaagde hij zich. ‘Ik ga naar aardbevingen.’ Maar Biden, Amerika’s treurzanger, gaf die loze betrekking meer inhoud dan de schrijvers van de grondwet ooit hadden kunnen dromen: het bleek het ideale podium waarop hij, als onze rondreizende klaagzanger, tot zijn recht kon komen. Hij verhief rouwen van een aandoening tot een ware kunst. Had hij het daar maar bij gelaten.


Vertaling: Nicolette Hoekmeijer