Amerika’s vuile handen

WAT HEBBEN de Verenigde Staten gemeen met Somalië? Op het eerste gezicht is er geen groter verschil denkbaar dan tussen de laatst overgebleven supermacht en het straatarme landbouwstaatje in de Hoorn van Afrika. Toch is er een overeenkomst, aldus het opzienbarende Amnesty-rapport United States of America: Rights for All. Somalië en de Verenigde Staten zijn de enige twee landen die de Internationale Conventie voor de Rechten van het Kind niet hebben onderschreven. Beide landen behouden zich het recht voor om minderjarigen als volwassenen te berechten en ter dood te brengen.

Nu heeft Somalië niet eens een regering, laat staan een binnenlandse lobby die op ratificatie zou kunnen aandringen, maar voor Amerika ligt het anders. Dat land is een democratie die aan de wieg stond van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Niettemin overtreedt het tal van universele normen en internationale bepalingen op het gebied van de mensenrechten. De overeenkomst met Somalië is helaas veelzeggend. Te oordelen naar het 153 pagina’s tellende rapport, dat vorige week werd gelanceerd als opmaat voor een wereldwijde Amnesty-campagne tegen mensenrechtenschendingen in de VS, verschilt de gezagshandhaving in sommige Amerikaanse steden en deelstaten nauwelijks van die in een derdewereldland.
Hoewel het rapport weinig aandacht krijgt in de Amerikaanse media, is het kennelijk toch hard aangekomen. Volgens Amerikaanse bronnen werkt het State Department aan een ‘vernietigende’ reactie. De ambtenaren zullen hun handen vol hebben aan de gedetailleerde en goed gedocumenteerde kritiek van Amnesty. Het rapport constateert een 'aanhoudend en wijdverbreid patroon van mensenrechtenschendingen in de VS’. In zes hoofdstukken worden de meest aanstootgevende praktijken beschreven, te beginnen met het wangedrag van de politie, die systematisch arrestanten, demonstranten en voorbijgangers mishandelt. Onnodige geweldpleging en wederrechtelijke arrestaties zijn in sommige korpsen aan de orde van de dag en maken deel uit van een cultuur waarin racisme en corruptie hoogtij vieren. Agenten verschuilen zich achter een collegiale 'zwijgplicht’, intern en extern toezicht ontbreken en de overheid houdt geen behoorlijke statistieken bij. Als de slachtoffers een klacht indienen, komt het zelden tot vervolging. In de grote steden is dit machtsmisbruik 'alomtegenwoordig’, aldus Amnesty. Met name zwarten zijn het slachtoffer. Een beruchte arrestatiegrond is driving while black, vrij vertaald 'rijden met een zwarte huid’. Zwarten worden ook te pas en te onpas aangehouden op verdenking van drugsbezit. Geen wonder, zei een voormalige zwarte officier van politie tegen Amnesty: 'In de oefenvideo’s zijn alle getoonde misdadigers zwart.’
GEDETINEERDEN worden veelvuldig mishandeld, seksueel misbruikt of vernederd. Vanwege personeelstekorten en chronische overbezetting nemen bewakers hun toevlucht tot grof geweld, waarbij ze gebruik maken van wettelijk toegestane martelmethoden zoals stun belts (gordels waarmee de gevangene op afstand een stroomstoot is toe te dienen), spuitbussen, langdurig vastbinden, totale isolatie en lijfstraffen. Gevangenen hebben vaak geen mogelijkheid om in beroep te gaan terwijl effectief toezicht ontbreekt. Ook de toestand in de gevangenissen weerspiegelt het ingebouwde racisme in de rechtspraak: zestig procent van de gedetineerden behoort tot een etnische minderheid, de helft is zwart.
Een andere categorie slachtoffers zijn asielzoekers, die in veel deelstaten als criminelen worden beschouwd en opgesloten. Ouders worden soms van hun kinderen gescheiden, de opvang is doorgaans minimaal en de behandeling niet zelden gewelddadig of vernederend. Voor een land dat grotendeels door economische migranten en politieke vluchtelingen is opgebouwd, is deze gang van zaken wel heel navrant.
Getrouw aan zijn handvest wijdt Amnesty uiteraard een hoofdstuk aan de doodstraf. Afgezien van de bekende ethische bezwaren - die overigens niet internationaal erkend zijn, zodat de Verenigde Staten zich op dit punt niet hoeven te verontschuldigen - schort het in alle opzichten aan de uitvoering. De praktijk is volgens Amnesty 'racistisch, willekeurig en onbillijk’, maar het grote publiek ziet helaas niet de duidelijke samenhang tussen deze praktijk en het toenemende geweld in de samenleving als geheel.
Wat wil je ook - zo suggereren de schrijvers - in een land waar zelfs het staatshoofd over lijken gaat om verkozen te worden? Als 'progressieve’ gouverneur van Arkansas was Bill Clinton tegen de doodstraf, maar zodra het presidentschap binnen bereik kwam, sloeg hij om als een blad aan een boom. Om te bewijzen dat hij niet soft on crime was, weigerde hij in april 1992 een terdoodveroordeelde gratie te verlenen. Hij onderbrak zelfs zijn verkiezingstournee om de executie bij te wonen. Het slachtoffer was Ricky Ray Rector, uiteraard zwart en bovendien geestelijk gehandicapt. Rector had zo weinig benul van wat hem te wachten stond dat hij het toetje van zijn galgemaal liet staan 'voor later’.
De rechtsongelijkheid bij de doodstraf is flagrant: alleen al in Pennsylvania zijn sinds 1978 acht maal zo veel zwarten ter dood veroordeeld als blanken. Maar afstomping en cynisme hebben het in de jaren zeventig aarzelend op gang gekomen debat over de doodstraf grondig verziekt, aldus Amnesty: 'De doodstraf is zo gepolitiseerd dat praktisch geen politicus meer bereid is zich ertegen uit te spreken. Veel politici wedijveren om wie het “hardst” optreedt tegen misdadigers. Maar de steun van het grote publiek kan nooit een rechtvaardiging zijn voor een schending van de mensenrechten.’
Een geliefd argument voor veel nationale politici om niets te doen, namelijk het recht op eigen wetgeving van de deelstaten, is gewoon een uitvlucht: 'De geschiedenis van de VS wemelt van de mensenrechtenschendingen die op brede plaatselijke steun konden rekenen - slavernij, lynching en rassenscheiding inbegrepen - maar die werden afgeschaft zodra de federale overheid de moed opbracht om universele wettelijke en morele normen af te dwingen.’
Rights for All is meer dan een opsomming. Het is een regelrechte politieke aanklacht die weinig heel laat van de pretentie dat de Verenigde Staten een humanitair baken in een zee van dictaturen en halfslachtige democratieën zouden zijn. Om de mensenrechtenschendingen in perspectief te plaatsen, verwijst Amnesty naar het diepgewortelde racisme in de Amerikaanse samenleving, de kloof tussen arm en rijk en de steeds hardvochtiger behandeling van wetsovertreders onder druk van de publieke opinie. Het voornaamste verwijt aan de Amerikaanse overheid en het grote publiek betreft de algemene onverschilligheid voor het lot van leden van etnische minderheden en andere traditioneel ontrechte groepen zoals armen, vrouwen of verwaarloosde kinderen: 'Een maatschappij die zich niet bekommert om het lot van sommige leden, die gelooft dat individuen hun rechten verbeuren zodra ze de wet overtreden en die weigert om gezagsdragers ter verantwoording te roepen, schept de voorwaarden voor grootschalige mensenrechtenschendingen.’
TOCH BIEDT HET rapport tot zover niets nieuws in vergelijking met vroegere rapporten van Amnesty en andere mensenrechtenorganisaties zoals Human Rights Watch. Dat verandert echter in het slothoofdstuk, waar de kritiek opeens wordt gebundeld tot een frontale aanval op het imago van de Verenigde Staten als bewaker van de mensenrechten. In onverbloemde termen wordt de hypocrisie van de Amerikaanse buitenlandse politiek aan de kaak gesteld: 'De Verenigde Staten zijn vaak de eerste om kritiek te leveren op mensenrechtenschendingen in andere landen en daartegenover de overvloed aan burger- en politieke rechten in eigen land te benadrukken. Maar zoals dit rapport aantoont, is het land er niet in geslaagd deze rechten voor veel van zijn inwoners te verzekeren en zijn er tekenen dat, als er niet snel iets gebeurt, deze rechten verder zullen worden uitgehold.’ En in zijn verklaring bij de aanbieding van het rapport deed de secretaris-generaal van Amnesty, de Senegalees Pierre Sané, er nog een schepje bovenop: 'Wat we zien bij de huidige politieke elite van de VS is een duidelijk geval van hypocrisie en inconsequentie. De woorden van een vluchteling die veertien maanden onder beroerde omstandigheden werd opgesloten voordat hij asiel kreeg, geven de situatie goed weer: “Iedereen zegt dat Amerika het land van de mensenrechten is. Ik kreeg de indruk dat ik in het verkeerde land was terechtgekomen.”’ Voor de goede verstaander verwees hij zelfs naar de huidige commotie rond Kosovo, waarbij de Amerikanen de ernstige mensenrechtenschendingen door de Serviërs aangrijpen om te dreigen met militair geweld: 'Begrippen van goed en kwaad staan vandaag hoog op de agenda. Daarom is dit het aangewezen moment om onmenselijke praktijken met een lange voorgeschiedenis eens goed aan de kaak te stellen.’
OUD-HOOGLERAAR mensenrechten Peter Baehr heeft het rapport nog niet gelezen, maar hij vindt het openlijke verwijt van hypocrisie aan het adres van de Verenigde Staten opmerkelijk: 'Het is nogal een uitspraak die Sané daar heeft gedaan. Zoiets hoor je normaliter niet uit de koker van Amnesty. Maar het is natuurlijk wel terecht. De VS blazen hoog van de toren als het om mensenrechten gaat, maar het eigen blazoen is allesbehalve smetteloos. Om te beginnen hebben ze het Verdrag Inzake Sociale en Economische Rechten niet ondertekend. Het Verdrag Inzake Burger- en Politieke Rechten hebben ze slechts getekend onder voorbehoud, omdat ze vinden dat die rechten in hun land al voorbeeldig zijn geregeld. Als je die houding afzet tegen alles wat we weten over Amerikaanse mensenrechtenschendingen, is er natuurlijk weinig reden voor die zelfgenoegzaamheid.’
Inmiddels heeft de secretaris van de Amerikaanse Amnesty-sectie, William Schulz, de bedoeling van het rapport nader toegelicht in een eigen verklaring. Hij benadrukt dat Amnesty geen afbreuk wil doen aan de Amerikaanse inspanningen voor eerbiediging van de mensenrechten elders in de wereld, maar die inspanningen juist wil versterken door in eigen huis orde op zaken te stellen.
Het is de vraag of de autoriteiten zich hier iets van zullen aantrekken. Buitenlandse pottenkijkers stellen ze doorgaans niet op prijs, zeker niet als die de legitimiteit van de buitenlandse politiek aan de orde stellen. Washington liet een VN-rapporteur voor de mensenrechten al eens drie jaar wachten alvorens hem toestemming te verlenen voor een missie in Amerika. Toen de man een kritisch rapport uitbracht, drongen congresleden erop aan dat de Amerikaanse bijdrage aan de Verenigde Naties werd geblokkeerd totdat hij zijn excuses had aangeboden. Baehr vreest dat die onwillige houding bij politici en publiek sindsdien alleen maar is versterkt. De gebrekkige aandacht van de media voor de verschijning van Rights for All kan natuurlijk samenhangen met de crisis rond Kosovo en andere dwingende actualiteiten, maar helaas is er een omineus precedent: 'Volgens het Verdrag Inzake Burger- en Politieke Rechten moeten alle landen over hun mensenrechtensituatie rapporteren aan het VN-Comité voor de Mensenrechten. Twee jaar geleden hebben de Amerikanen dat zeer uitvoerig gedaan. Het State Department maakte er veel mensen voor vrij en de zitting vond plaats in New York, niet in Genève. Toch presteerden de Amerikaanse kranten het om die bijeenkomst volledig te negeren. Zelfs de veelgeprezen New York Times besteedde er geen letter aan.’