Amerika voor alle leeftijden

GLEN DAVID GOLD
SUNNYSIDE
Spectre, 559 blz., € 16,95

Glen David Gold brak acht jaar geleden door met zijn debuut Carter Beats the Devil (2001). De roman met de goed bekkende titel en het innemende verhaal over een succesvolle doch tobbende goochelaar in het San Francisco van de jaren twintig, is een pageturner van het juiste soort: vlot, vermakelijk en aangenaam speels met historische feiten en personen. Harry Houdini, president Warren Harding en Philo Farnsworth, de uitvinder van de televisie, zijn enkele van de figuren die de auteur overtuigend naar zijn hand zet. ‘Rewriting history to my own specifications’, zoals James Ellroy dat noemt. Carter Beats the Devil presenteert een aantrekkelijke versie van de vroege twintigste eeuw, maar blijft, hoe charmant en virtuoos ook, aan de oppervlakte van de geschiedenis. Het draait uiteindelijk om het simpele verhaal waarin de schurken geheimzinnig en gemeen zijn en de melancholische held Verlossing vindt door de Liefde van een Goede Vrouw. Tom Cruise bezit al jaren de filmrechten.
Sunnyside heet Golds tweede en weer haalt hij historisch alles uit de kast. Het is 1916 en de Eerste Wereldoorlog lonkt naar de Verenigde Staten, terwijl in Hollywood Charlie Chaplin een emotionele en artistieke crisis beleeft. De auteur voert de lezer langs filmstudio’s en slagvelden, laat keizer Wilhelm II piekeren over indianen, en de weinig bekende geallieerde militaire campagne in Rusland in 1918 brengt hij in al haar ijzigheid tot leven. En dan alle feiten en weetjes: typeaanduiding en werking van verrekijkers (‘the Alvan Clark with a two-inch lens’), treinen, wapens, schepen, vliegtuigen, enzovoort. Gold kan niet ophouden met beschrijven en benoemen: ‘… the AT&T-trained Women’s Telephone Unit, a 233-member division of the Army Signal Corps’. Ongetwijfeld accuraat allemaal, maar te veel en vaak overbodig, deze onweerstaanbare vruchten van research. Een schrijver die zijn psychologische werkelijkheid voor elkaar heeft, hoeft al deze moeite niet te doen.
Zoals het een tweede roman betaamt is Sunnyside, met passend ironische titel, ambitieuzer en donkerder dan zijn voorganger. Alle belangrijke personages worstelen met desillusie en verlies. De oorlog zorgt voor de benodigde gravitas. Drie hoofdfiguren: Leland Wheeler, zoon van een strenge moeder en een verlopen ster van een Wild West Show; Hugo Black, een nuffige intellectueel die verzeild raakt in de oorlog tegen de Bolsjewieken; en Charlie Chaplin, de beroemdste mens van de wereld. Leland Wheeler is een wat kleurloze jongeman, ondanks zijn onweerstaanbare aantrekkingskracht op vrouwen, die droomt van succes in Hollywood. Door allerlei schermutselingen belandt hij in de Europese oorlog. Te midden van het krijgsgewoel vindt hij op een dag twee puppy’s, waarvan er een later de fameuze filmhond Rin Tin Tin zal worden. Melodrama met een hond: het kan bijna niet zoetsappiger. Veel vermakelijker zijn de flashbacks van Lelands hopeloze verwekker, Percy Bysshe Duncan, die als een dronken poor man’s Buffalo Bill door het leven gaat. Vlak voor de oorlog verzorgen hij en zijn gezelschap van cowboys en indianen een optreden voor keizer Wilhelm II in Berlijn. Aan het eind van het optreden geeft de hilarisch hautaine keizer opdracht om de Wild West Show voor oorlogsdoeleinden te ontdoen van alle wapens en paarden, waarbij Duncan levensgevaarlijk gewond raakt. ‘Such was the end of Percy Duncan, showman.’
Echte hoofdpersoon van het boek is natuurlijk Charlie Chaplin, het genie, de kleine grote man die in zijn autobiografie nog een mysterie blijft. Gold beschrijft hem als eenzaam, rusteloos, twijfelend, onzeker en egocentrisch. Chaplin durft zijn gestoorde moeder niet te ontmoeten; hij is misschien verliefd; hij wil na een reeks banale successen een film maken ‘as good as he was’. Maar de legendarische filmmaker komt maar niet dichterbij. Golds interpretatie van Chaplin is te afstandelijk, alsof hij de gevoelsarmoe van zijn onderwerp te slaafs heeft gevolgd.
Gelukkig is er altijd nog Rusland, waar geallieerde legers aan het eind van de oorlog de strijd aangaan met de Bolsjewieken. Daar heeft Gold echt iets te pakken en de passages met de verontwaardigde Hugo Black en de mythische generaal Edmund Ironside in de kou van het Russische Archangel behoren tot de hoogtepunten van de roman.
Sunnyside, naar het huis van Washington Irving en een film van Chaplin uit 1919, scheert behendig langs alle gebeurtenissen, maar in een stijl die lijkt te zijn ontleend aan de plechtige en kuise conventies van vroege Hollywoodfilms. Chaplin, bijvoorbeeld, die bekendstond om zijn lengte overschrijdend libido, beroert in het boek slechts één omfloerste tepel en één bedekte borst. Waar in een historische roman als Ragtime (1975) van E.L. Doctorow iemand opzichtig ejaculerend uit een kast mag springen, houden bij Gold de personages hun handen krampachtig voor hun edele delen. Ook geweld wordt meer besproken dan beschreven. Er sterven genoeg mensen, maar Gold wendt op het beslissende moment het gezicht af.
Het lukt Gold niet om licht en donker in evenwicht te houden, maar waar hij wél in slaagt is het creëren van een weemoedige sfeer en een aanstekelijke nostalgie, waarmee hij de genadeloosheid van tijd en menselijk verlangen weet te vangen: ‘Helen never appeared in another moving picture. Nor Olive. Willie Mae was in the background of a handful of one-reelers. Olive Ann played a dancer once or twice and later appeared in photographs taken for artistic purposes and sent from a San Francisco post-office box to hobbyists and enthusiasts across the country. Who can tell if she was happy?’