Interview David Mixner: «Je kunt je vrijheid niet aan andere mensen overlaten»

Amerikaanse apartheid

Volgens Newsweek is David Mixner «the most powerful gay man in America». Hij speelt een belangrijke rol in het verzet tegen de aangekondigde wijziging van de grondwet, die het homohuwelijk moet verbieden. Er dreigt volgens Mixner een vorm van apartheid te ontstaan.

David Mixner (1946), lobbyist, fundraiser, activist en schrijver, is een veteraan van vele slagvelden. Hij diende begin jaren zestig in de campagnes van John en Bobby Kennedy, Martin Luther King en George McGovern. Hij werd een prominent leider in de Vietnambeweging en is sinds zijn coming out in 1977 een boegbeeld van de homo-emancipatie in de Verenigde Staten.
Daarnaast schrijft hij. Zijn filmscript over de Nederlandse kunstenaar-verzetsman Willem Arondéus zal mogelijk dit jaar nog in productie gaan. Maar nu is hij een spil in het verzet tegen het voorgestelde amendement om het verbod op het homohuwelijk grondwettelijk te verankeren.
David Mixner: «Voor homo’s in de VS was het huwelijk eigenlijk nooit een optie, totdat de Nederlandse wet werd aangenomen. We moesten er altijd een beetje om lachen. Het leek zo potsierlijk, twee mannen of twee vrouwen in een trouwzaal. Het was een ongemakkelijk, nieuw idee, ook voor ons: om je relatie zo serieus te nemen, je liefde openbaar te verklaren, voor anderen, voor je familie.
Mijn partner is gestorven aan aids. We waren twaalf jaar bij elkaar, hij was vele jaren ziek en ik heb al zijn ziektekosten betaald. Toen hij overleed, had ik geen enkel recht. Ik kwam thuis van de begrafenis en de politie stond voor de deur. Ik mocht er niet in. Zijn ouders hadden beslag laten leggen op ons huis, de inventaris, zijn spullen. Ze stonden volledig in hun recht. We waren niet getrouwd.
Voor ons gaat het verbieden van het homohuwelijk niet over het voordragen van slechte gedichten met bloemen in je haar en het aansnijden van een taart. Met dit amendement zouden homoseksuelen de enige groep in het hele land zijn voor wie in de grondwet een uitzonderingspositie wordt gecreëerd. Ongeveer 1200 wetten, rechten, regelingen en privileges die voor alle andere Amerikanen van toepassing zijn – in adoptie, erfrecht, uitkeringen, verzekeringen, pensioenen – zullen niet meer voor ons gelden. Samenlevingscontracten in welke vorm ook worden ongeldig. Het is een vorm van apartheid en niets minder dan dat. Velen in Washington zijn bang, erg bang, dat we zullen verliezen en dat we daarmee nog veel meer kwijt zullen raken. De scheiding van kerk en staat staat op het spel, de macht van het Supreme Court staat op het spel. Uniformiteit in rechten voor homo’s kun je stad voor stad en staat voor staat bevechten, en dan kom je er wel, op den duur. Maar als de ongelijkheid in de grondwet wordt vastgelegd, komen we daar nooit meer overheen.»

David Mixner groeide op in New Jersey, als kind van straatarme Iers-katholieke ouders. «Mijn ouders waren warme, liefhebbende mensen. John F. Kennedy was hun held. Maar ze waren ook voor rassenscheiding. Toen een zestienjarige jongen in de buurt zelfmoord pleegde omdat hij homo was, zeiden ze aan tafel dat zijn familie maar beter af was, zo, dan te moeten leven met de schande. Het was in die tijd niet ongewoon dat een homo in een gesticht werd opgesloten en tot lobotomie werd gedwongen.
Ik hielp mee in de Kennedy-campagnes en toen ik zestien, zeventien was ging ik in de zomervakanties naar het zuiden, naar dr. Martin Luther King en de acties van de burgerrechtenbeweging. Mijn ouders werden er doodnerveus van, vooral, denk ik, omdat mijn vader bang was dat ik een zwart meisje zou trouwen. Bij nader inzien was hij daarmee misschien best blij geweest.
Ik rolde automatisch in het Vietnam-protest. Op mijn 23ste was ik voorzitter van het Vietnam Moratorium, de grootste anti-oorlogsorganisatie in de VS. Ik werd behoorlijk prominent in de nationale politiek, ook al omdat ik zo jong was, maar iederéén was jong, in die Summer of Love. We brachten zevenhonderdduizend mensen naar Washington voor een anti-oorlogsdemonstratie. We stonden op de cover van Time en van Life. Ik sprak op universiteiten en op tv. Ik had dienst geweigerd en was bereid om daarvoor vijf jaar naar de gevangenis te gaan. Om onder Vietnam uit te komen, had ik alleen maar hoeven zeggen dat ik gay was, maar vijf jaar cel was een veel betere optie. Als ik voor mijn hoge idealen naar de gevangenis zou moeten, zou dat voor mijn familie geen schande zijn. Maar als ik ervoor zou uitkomen dat ik homo was, zou dat alleen maar schaamte, afwijzing en ontkenning teweegbrengen.»

«In mei 1969 ontmoette ik Bill Clinton voor het eerst. Nixon had de verkiezingen gewonnen, er was een bijeenkomst van anti-oorlogsleiders over onze strategie, enzovoort. Clinton was er, Strobe Talbott, later onderminister van Buitenlandse Zaken, Taylor Branch, later winnaar van de Pulitzer Prize, kortom, een groepje dat later heel invloedrijk zou blijken. Clinton zei toen al dat hij president wilde worden. Wij dachten: dat is zeker mogelijk, maar er waren er nog wel drie of vier die dachten dat ze het zover zouden brengen, en ze dachten het ook van mij.
Maar dat zat er niet in. Twee jaar eerder had ik in een bar een man ontmoet, Frank. Het was een idylle. Hij hield van Neruda en Yeats, net als ik, zei dat-ie van me hield. Ik trok bij hem in. Een maand lang was ik volmaakt gelukkig. Toen was Frank opeens verdwenen. Ik werd benaderd door twee heren van de FBI. Ze toonden me foto’s van Frank en mij, gemaakt in diens appartement. Hij bleek een undercoveragent te zijn. Als ik me niet terugtrok uit de beweging zouden ze de foto’s naar mijn ouders en de pers sturen.
Ik pleegde bijna zelfmoord. De schade aan de anti-oorlogscampagne zou enorm zijn, om maar te zwijgen van de schande die de publiciteit over mijn ouders zou brengen. Maar ik ging niet dood. Drie dagen later sprak ik de agenten weer, en zei: ‹Stuur ze maar op.› Ze deden het niet. Er gebeurde niets. Maandenlang dacht ik, als de telefoon ging, dat het mijn ouders waren. In die tijd had ik met het Vietnam Moratorium herhaaldelijk ontmoetingen met Nixon, Kissinger, enzovoort. Dan zat ik daar te onderhandelen over de oorlog, over de protesten, en dan wist ik dat zij van alles op de hoogte waren en mijn vrienden niet. Het was krankzinnig.
Clinton en ik werden vrienden, omdat we allebei uit arme blanke families kwamen. Hij ging naar Oxford, ik was daar gastdocent, we deelden een kamer. We werden erg close. Hij was niet echt betrokken bij de anti-oorlogsbeweging. Clinton was briljant in het vriend zijn voor mensen die dingen konden veranderen. Hij kende iedereen, hij was charmant, iedereen was dol op hem. Maar hij stak zelf nooit zijn nek uit. Hij zou ver komen, ik niet. Hij was straight, ik niet.
Uiteindelijk kwam dat toch uit. Ik woonde in Californië, ik had in de Democratische Partij een positie van aanzien en macht, ik kende de Kennedy’s, ik had alles mee om zeer machtig en invloedrijk in de partij te worden, niet als kandidaat, maar achter de schermen. In 1978 werd in Californië een referendumvoorstel ingediend, gesteund door de beruchte Anita Bryant, dat de aanwezigheid van homoseksuelen in het onderwijs strafbaar zou maken. Een leraar die homo bleek te zijn, kon worden vervolgd en zijn vergunning verliezen. Er leek voor dat voorstel een meerderheid van 75 procent te zijn. Zelfs de homogemeenschap zei: dit kunnen we niet winnen. Toen schreef ik mijn ouders een brief, vertelde ze dat ik gay was en nam de campagne op me. De volgende dag stond het in alle kranten. Mijn politieke vrienden lieten me binnen een dag in de steek. Ze accepteerden geen donaties meer, ik werd niet meer uitgenodigd voor vergaderingen van de partij, ze zeiden dat ik zelfmoord had gepleegd. En dit waren mensen met wie ik in de gevangenis had gezeten! Ik werd de woestijn in gestuurd.
We wonnen. We versloegen het voorstel in de hele staat. Zelfs Ronald Reagan sprak zich tegen het voorstel uit. Ik formeerde in Los Angeles de eerste Gay & Lesbian PAC (fundraising-comité – kk). In het eerste jaar hoopten we een paar duizend dollar op te halen; het werd veertigduizend dollar, een enorm bedrag. Dat trok de aandacht. PAC werd politiek belangrijk, in Californië. Ted Kennedy, Gary Hart, dat soort mensen kwam allemaal langs. Er zat geld. We boekten behoorlijke vooruitgang, ik bouwde een nieuwe machtsbasis. En toen kwam aids.»

«Jongeren tegenwoordig hebben geen benul van hoe dat was, in de vroege jaren tachtig. De eerste aids-jaren waren een nachtmerrie. Het grootste trauma van mijn leven. Horror beyond horror. Eén persoon te zien sterven aan aids is afgrijselijk. Als je er honderden ziet doodgaan, is het of je getuige bent van de holocaust in miniatuur.
Ik weet precies hoeveel ik er heb verloren. Ik heb onlangs mijn archief aan Yale geschonken en daar zat mijn dagboek bij, met 289 namen van vrienden die er niet meer zijn, gestorven aan aids. Van de dertig mannen met wie ik PAC vormde ben alleen ik nog in leven. Alle 29 dood, allemaal voor hun veertigste. In 1989 en 1990 heb ik op negentig begrafenissen een herdenkingsrede uitgesproken. Negentig in twee jaar. Er was niemand meer. Iedereen die ik kende werd ziek en ging dood. Soms in zes maanden, soms in vier weken, soms in een weekend. Niemand wist wat er aan de hand was.
Peter, mijn geliefde, werd ziek. We waren verzekerd, maar de verzekering zei dat aids een ‹zelf-toegebrachte› ziekte was en dekte de kosten niet. Alsof we er iets aan hadden kunnen doen. We hadden een goed leven, we hadden een tweede huis in Palm Springs, we hadden geluk: wij hadden iets om te verkopen, zodat we de ziektekosten konden betalen. Tandartsen weigerden ons. Sommige artsen weigerden ons. Begrafenisondernemers weigerden aids-doden.
Mijn partner en ik hoorden tot de eerste stellen in Los Angeles die op heterodiners werden uitgenodigd. Het was zelfs een beetje chic. Onze vrienden waren er jaloers op, konden het niet geloven. Het leek een hele eer. Maar de vernederingen waren onbeschrijflijk. Dit waren progressieve mensen, Democraten, liberals, anti-oorlog, showbizz, maar we kregen ons eten op papieren bordjes. Als ik er nu aan denk, zeg ik: wat dacht ik wel niet!!? Waarom heb ik ze die bordjes niet naar hun kop gegooid?»

«Uit die afgrijselijke jaren is een ongelooflijke eendracht en waardigheid en kracht geboren – zoals Yeats schreef: ‹a terrible beauty is born›. Beroemde Amerikanen kregen aids en waren dus gedwongen out te komen. De homobeweging kreeg een gezicht. In 1988 zamelde ik een miljoen dollar in voor de campagne van Dukakis. Die weigerde het geld. De Democratische kandidaat kon zich niet associëren met de homobeweging. Ik mocht niet eens naar de verkiezingsconventie.
Vier jaar later kwam Clinton. Ik bracht vier miljoen dollar bijeen voor zijn campagne. Ik zat in zijn kitchen cabinet, een groep van tien, twaalf mensen die hem de hele campagne lang van advies dienden. Toen Clinton de verkiezingen won, dachten we dat we er waren. We dachten dat God was neergedaald en ons gezegend had, en dat de oorlog voorbij was. We verwachtten dat Clinton de rug recht zou houden en dat hij voor homo’s zou zijn wat Kennedy was geweest voor zwarte Amerikanen. Hij bood me een baan aan als adviseur binnenlands beleid, maar ik sloeg die af. De eerste homo op zo’n positie kon beter iemand zijn met een wat minder, eh, avontuurlijke levensstijl.
Het moet gezegd dat Clinton veel heeft gedaan. Hij maakte per decreet een einde aan de discriminatie van homo’s in alle overheidsinstellingen inclusief de civiele defensie, het Peace Corps, enzovoort. Tot dan – 1993! – was het wettelijk niet toegestaan dat homo’s werkten op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Op de echt zware punten, homo’s in het leger, heeft hij niet doorgezet. Dat heeft hij verknald, en daarmee heeft hij mij en de homobeweging zwaar belazerd.
Ik liet me uit protest voor de deur van het Witte Huis arresteren. Clinton was woest. Het kostte me mijn consultancybedrijf: binnen 24 uur zegden al mijn relaties hun contracten op. Ik had drie jaar lang geen werk. Om de schulden te delgen, schreef ik mijn boek – niet een ‹ik vertel alles-boek›, zo ben ik ook weer niet – en dat werd een bestseller. Ik schreef Clinton een briefje: ‹Dank u, dat u een schrijver van me hebt gemaakt!› We hebben ons, sindsdien, verzoend.»

«Ik ben optimistisch. Ik denk dat het amendement zal worden verslagen. De Log Cabin Republicans (homo’s binnen de Republikeinse Partij) hebben een miljoen ingezameld om er actie tegen te voeren. Human Rights Campaign: net zo. Bij elkaar hebben we alleen al dit jaar 25 miljoen binnengehaald. De homogemeenschap in de VS is inmiddels zo volwassen geworden dat we begrijpen dat we door de machthebbers altijd zullen worden teleurgesteld. Zwarte Amerikanen hebben dat geleerd, de joodse gemeenschap heeft dat geleerd – je kunt je vrijheid niet aan andere mensen overlaten. Dat kan gewoon niet. Je kunt je verantwoordelijkheid niet opgeven.»