H.J.A. Hofland

Amerikaanse burgeroorlog

Oorlog is een poging tot oplossing van een probleem dat voor de politiek te groot was, waardoor een probleem ontstaat dat militair niet kan worden opgelost zodat een beroep op de politiek moet worden gedaan.

Het is een ander soort oorlog dan die beschreven is door Carl von Clausewitz: de voortzetting van de politiek met andere mid delen. Hij bedoelde een oorlog die eindigt in het duidelijke resultaat waarbij de overwinnaar zijn zin krijgt zodat de politici hun werk kunnen hervatten. De ouderwetse oorlog, tussen staatkundige eenheden.

De huidige oorlog is de andere oorlog, van onzichtbare internationale netwerken tegen de oude eenheden. Al tientallen jaren aan de gang maar op 11 september 2001 pas definitief ontdekt. Vóór de grote aanval was dit terrorisme voor de Amerikanen, hoezeer ze er van tijd tot tijd ook bij betrokken waren, geen grote nationale kwestie. Als daarna president Bush cum suis zich hadden bepaald tot de oorlog in Afghanistan, de langzame wederopbouw van dit land en tegelijkertijd een geloofwaardige inmenging in het Israëlisch-Palestijnse conflict, zou het er nu voor de president misschien beter uitzien.

Het valt niet te bewijzen. Dat is ook niet nodig, want door Irak is alles anders geworden. De aanval op het bewind van Saddam Hoessein, gedefinieerd en begonnen als een ouderwetse oorlog, heeft zich binnen anderhalf jaar ontwikkeld tot de grootste complicatie. De oorlog is nu voor een deel een atavis tisch overblijfsel van een anti koloniale strijd, in dit geval tegen de «bezetter» die het niet zozeer om de verbreiding van de democratie als wel om de olie te doen is. Voor een deel een uitbreiding van het terroristisch front tegen het Westen. En voor de rest, zoals iedere grootscheepse wanorde, een jacht terrein voor allerhande grote en kleine profiteurs.

Tegenover deze chaos staat de president die zich oorlogspresident noemt. Op basis van een lange reeks verkeerde beoordelingen en misleidingen heeft hij Amerika deze oorlog binnengevoerd. Op iedere kritiek heeft hij onmiddellijk zijn antwoord klaar: «We will prevail.» In het licht van de eindoverwinning worden alle verwijten en twijfels gereduceerd tot defaitistisch gezeur. Bij iedere gelegenheid belooft hij dat de goedwillenden zich binnenkort naar de Amerikaanse macht zullen voegen, en dat de kwaden voor het gerecht worden gebracht. Maar dat doet hij nu al anderhalf jaar, terwijl iedere dag het tegendeel zichtbaar is. Drie maanden voor de verkiezingen is het niet de vraag of het terrorisme en de rest tussen nu en 2 november zal worden verslagen, maar wat het zal doen om te bevorderen dat Bush niet wordt herkozen, als het dat tenminste zou willen.

Kortom, de machtigste man ter wereld heeft moeten toestaan dat hem het initiatief is ontnomen. De shock and awe die de inleiding tot de definitieve oplossing van wereldprobleem nummer één had moeten zijn, heeft de deur naar de chaos geopend.

In welke mate wordt dit over drie maanden door de Amerikaanse kiezers beseft? En op welke manier? Zal John Kerry nog met een geloofwaardig alternatief komen dat de vaderlandsliefde met de doelmatigheid in overeenstemming brengt, anders gezegd, waarmee de eer wordt gered terwijl er snel een einde komt aan de bezetting zonder dat het probleem in Irak daarmee nog groter wordt? Zou hij, om te beginnen, de kans krijgen om dit het grote publiek duidelijk te maken?

Bij de vorige presidents verkiezingen was Amerika een scherp verdeeld land, tussen het Noordoosten en het Zuiden, de grote steden en het Heartland, tussen praktiserend godsdienstigen en liberalen, arm en rijk. Toch bracht maar 51 procent zijn stem uit. Politieke onverschilligheid was de ziekte die de Amerikaanse democratie leek te hebben aangetast. Maar aan het einde van de welvarende jaren negentig leek Amerika zich het te kunnen veroorloven.

Vier jaar later hebben George W. Bush en Osama bin Laden de omwenteling veroorzaakt, waar door niet alleen Amerika maar vrijwel de hele wereld zich bij deze verkiezingen betrokken voelt. Door de economische politiek van deze president, met de staat van de economie op dit ogenblik, begint de armoede weer een politiek bewustzijn te krijgen. Zijn christelijk-fundamentalistische opvattingen van wat fatsoen en zedelijkheid zijn, dragen bij tot de polarisatie. Door de voorlopig nog uitzichtloze betrokkenheid bij Irak en de rest van het Midden-Oosten worden de tegenstellingen verscherpt. De reserve van Bush als de unieke vertegenwoordiger van de vaderlandsliefde raakt uitgeput.

Wat dit alles voor de oorlog in Irak zal betekenen? Nog vier jaar Bush lijkt mij toenemende internationale Verelendung, heb ik al eens geschreven. Hier gaat het over het verdeelde Amerika. De Amerikaanse politiek is aanmerkelijk harder dan de Europese. Dat zal in de komende verkiezingscampagnes opnieuw blijken. In de jaren van Clinton is stelselmatig een haatcampagne tegen de president gevoerd. Hetzelfde geldt nu voor de campagnes tegen Bush, juist in Amerika. De Amerikaanse publieke opinie is wars van compromissen. «Demoniseren» is een Europees begrip. Verwacht daarom de komende maanden een hervatting van een Amerikaanse burgeroorlog, tussen twee semi-staatkundige eenheden in hetzelfde land, en hoop dat het bij woorden zal blijven.