Economie

Amerikaanse nachtmerrie

Waarom geloven meer Amerikanen dan Europeanen dat de krantenbezorger het tot multimiljonair kan schoppen? Het antwoord op die vraag doet ertoe, want het heeft verstrekkende consequenties voor de inrichting van de welvaartsstaat.

Uit sociologisch onderzoek blijkt dat Amerikanen de diepe overtuiging koesteren dat motivatie, inzet en hard werken de sleutels zijn voor maatschappelijk succes. Als dingen mislukken, is het eigen schuld. Europeanen zijn sceptischer over de mogelijkheden van mensen hun eigen sociaal-economische lot te bepalen. Europeanen geloven dat pech en geluk veel belangrijker zijn, soms zelfs meer dan eigen inzet.

In de American Economic Review van december 2006 schrijven Harvard-economen Alesina en Angeletos dat het niet verwonderlijk is dat de Amerikanen geen grote welvaartsstaat willen en de Europeanen wel. Amerikanen weigeren immers te betalen voor uitvreters. Europeanen helpen graag iedereen die door het noodlot wordt getroffen, ook al lopen ze het risico dat ze daarbij ook klaplopers financieren.

Fascinerend is dat de verschillende opvattingen leiden tot een self-fulfilling prophecy. De Amerikanen kiezen voor een kleine welvaartsstaat met lage belastingen. Bijgevolg loont het meer om inzet te tonen, te leren, hard te werken en carrière te maken. Door de lagere belastingen wordt het geloof in eigen mogelijkheden bevestigd, omdat een groter deel van economisch succes feitelijk op grotere inzet is terug te voeren.

Bij de Europeanen wordt het pessimisme over menselijke mogelijkheden ook bevestigd. Door hogere belastingen en uitkeringen loont het minder om de arbeidsmarkt te betreden, te leren, hard te werken en carrière te maken. Daardoor neemt het aandeel van geluk en pech in iemands sociaal-economische positie toe. De Europeaan ziet bevestigd dat inzet daadwerkelijk minder belangrijk is in vergelijking met het toeval.

De grote paradox is dat het geloof in de Amerikaanse droom nergens op is gebaseerd, net zo min als de Europese scepsis over eigen kunnen. Als er in Amerika meer kans op sociale stijging zou zijn dan in Europa is de statistische lakmoesproef simpel: kijk welk effect het inkomen van ouders heeft op het inkomen van de kinderen. Hoe kleiner het effect van ouderlijk inkomen op dat van kinderen, hoe meer sociale stijging van kinderen aan eigen verdiensten kan worden toegerekend.

De statistiek is zonneklaar. Het is een misvatting dat de Amerikaan exceptioneel dynamisch en sociaal mobiel is. In Amerika hangt het succes van kinderen zo sterk af van hun achtergrond dat je eerder kunt spreken van de Amerikaanse nachtmerrie. Als je geboren bent voor een nickel, word je niet snel een dime. De Amerikaanse droom is het meest van toepassing op de Scandinavische landen: nergens ter wereld is de inkomensmobiliteit hoger.

Waarom blijven de Amerikanen in weerwil van alle statistieken dan toch volhouden dat zij in het land van de onbegrensde mogelijkheden leven? En waarom blijven die Europeanen ten onrechte geloven dat mensen maar een beperkte invloed op hun sociaal-economische lot hebben?

Roland Bénabou (Princeton) en Jean Tirole (MIT) geven in de Quarterly Journal of Economics van april 2006 een verklaring. Mensen hebben behoefte om hun geloof in stand te houden, al hebben ze aantoonbaar ongelijk. De reden is dat mensen te veel in het heden leven en te laat inzien dat ze te weinig hun best hebben gedaan en te weinig hebben geïnvesteerd in hun opleiding en carrière. Mensen proberen te ontsnappen aan de verlokkingen op de korte termijn door zichzelf (of hun kinderen) voor te houden dat inzet loont en iedereen uiteindelijk zal krijgen waar hij recht op heeft. Als ze vervolgens geconfronteerd worden met bewijzen van het tegendeel zullen ze die proberen te vergeten, negeren of verdringen om zo hun geloof intact te houden dat hard werken uiteindelijk wordt beloond.

De Amerikanen lijden dus aan collectieve cognitieve dissonantie. De wereld is niet eerlijk, maar de Amerikanen blijven geloven dat iedereen krijgt waar hij recht op heeft. Mensen die door toeval zijn mislukt, worden ten onrechte als losers beschouwd, ook door zichzelf.

De Europeanen hebben een veel realistischer kijk op de economische werkelijkheid. En de pechvogels zijn ontegenzeggelijk beter af. Maar het Europese ongeloof in eigen kunnen heeft ook een donkere keerzijde. Te genereuze welvaartsstaten leiden tot verval van arbeidsethos, ook over de generaties heen. Deze sociaal-economische decadentie kan het begin van het einde van de welvaartsstaat inluiden.