Economie

Amerikaanse toestanden

Naast mij klonken zuchten van medelijden, klakkende tongen van ergernis en gesnuif van woede. In de duisternis van de bioscoop was lastig vast te stellen of het een man of vrouw was, jong of oud, rijk of arm, maar het ademen van de zaal suggereerde dat dat niet uitmaakte; iedereen deinde mee met de emotionele manipulaties van de maker.
Ik heb het over een vertoning van Michael Moore’s Capitalism: A Love Story in het Amsterdamse Kriterion. De zaal reageerde zoals Moore moet hebben bedoeld: men zuchtte van afgrijzen bij de scènes met huisuitzettingen; men brieste bij interviews met Congresleden die verhaalden over de politieke druk van zakenbankiers om met belastinggeld banken te steunen; men gnuifde van misnoegen bij de cijfers die Moore toonde over de bonuspotten op Wall Street.
Moore’s laatste maakt duidelijker dan al zijn vorige films wat de morele bronnen van zijn woede zijn. In Capitalism: A Love Story betoont hij zich een linkse populist die uit libertaire autarkie, communitaristisch zelfbestuur en katholieke naastenliefde een niet-socialistische kritiek op de verwordingen van het hedendaagse Amerikaanse kapitalisme heeft gebrouwen. Het is duidelijk wat Moore aan dat kapitalisme tegenstaat: de nauwe vervlechting van een financiële en politieke elite die alleen aan de eigen portemonnee denkt en geen zier om de kleine man geeft.
Minder duidelijk is wat Moore daar tegenover stelt. De film bevat zowel nostalgische terugblikken op het geordende kapitalisme van de jaren vijftig als een bewieroking van het jaren-zeventigideaal van arbeiderszelfbestuur. Als West-Europese kijker ontkom je echter niet aan de indruk dat de subtekst van Moore’s film in essentie een lofzang is op het meer gebreidelde kapitalisme van West-Europese snit. Dat kapitalisme fungeert reeds langer als de achtergrond waartegen Moore zijn frontale aanvallen op de Amerikaanse samenleving lanceert; in Sicko is het de Franse, Britse en Canadese gezondheidszorg waartegen de Amerikaanse schril afsteekt, in Bowling for Columbine is het Canada dat voor het contrast zorgt en in Capitalism: A Love Story moet Europa als geheel een wenkende, niet-socialistische toekomst bieden.
Er is veel op Capitalism: A Love Story aan te merken. Zo ontbreekt de observatie dat in de VS financiële markten de plaatsvervanger zijn van Europese verzorgingsstaten. Wat hier de staat via belastingheffing doet, doet daar de bank via rentestanden. Dat vertaalt zich in markten met een mate van regulering en toezicht die wereldwijd verder niet voorkomt. Ook laat Moore de andere kant van de larmoyante scènes met huisuitzettingen onbelicht. Veel huizenbezitters in de VS hebben willens en wetens gegokt op waardestijgingen en zijn gewoon weggelopen toen de prijzen daalden. In de VS is de lening niet gekoppeld aan de hypotheeknemer maar aan het onderpand. De hebzucht had dus niet alleen Wall Street in zijn greep: ook Main Street.
Ten slotte maakt Moore veel werk van het A4’tje waarmee Hank Paulson (oud-Goldman Sachs) in september 2008 zevenhonderd miljard dollar van de belastingbetaler probeerde los te troggelen. Met geen woord rept hij van het vierhonderd pagina’s dikke document dat uiteindelijk vier dagen later werd aangenomen en waarin alle belangengroepen een fikse prijs hadden weten te bedingen voor hun instemming, met als meest hilarische voorbeeld een invoerheffing op buitenlandse speelgoedpijltjes op verzoek van de afgevaardigde uit Montana. Niet toevallig de staat waar de enige binnenlandse pijltjesfabrikant is gevestigd.
Verontrustend is de weerklank die Capitalism: A Love Story in Nederland heeft. Zonder veel kennis van zaken wordt vaak verwezen naar ‘Amerikaanse toestanden’ om alles bij het oude te houden. Met name de SP is er bedreven in om iedere poging om de Nederlandse verzorgingsstaat aan te passen aan veranderde arbeids- en gezinsomstandigheden af te schilderen als eerste schreden op weg naar Amerikaanse toestanden. Gemakshalve wordt dan vergeten dat de Nederlandse verzorgingsstaat minder universeel en algemeen is dan ze pretendeert. Ook in Nederland zijn mensen namelijk uitgesloten van deelname, waaronder de bijna een miljoen zzp’ers. Anders dan in de VS moeten deze buitengeslotenen echter net zo hard meebetalen.
Het gezucht, gegnuif en gesteun in het Amsterdamse Kriterion is natuurlijk een eerbetoon aan de manipulatieve vermogens van Moore. Maar voordat zijn ironische liefdesverklaring aan het kapitalisme een vrijbrief wordt voor nieuwe Nederlandse experimenten in staatspaternalisme, doe ik hierbij de oproep om Capitalism: A Love Story vooral niet te gaan zien. Het is gewoon een slechte film: drammerig, humorloos, zelfgenoegzaam en slecht geïnformeerd. Wie echt iets te weten wil komen over de crisis leze Too Big to Fail van New York Times-columnist Sorkin. Maar dat kost met 640 pagina’s wel even wat meer tijd dan de twee uur van Moore.