Martin Amis

Amis durft niet

De naamloze hoofdpersoon in de roman Nachthuis van Martin Amis schrijft in 2004 brieven aan Venus, zijn stiefdochter in Amerika. Eerst schrijft hij ze onderweg op een cruiseschip, een oud stoomschip, Goergi Zjoekov. Wat een toeval, in 1944/45 diende hij onder generaal Zjoekov, ‘de man die de Tweede Wereldoorlog won’.

Even hoorde de briefschrijver tot de overwinnaars, toen hij zich in de eerste drie maanden van 1945 een weg verkrachtte door wat spoedig Oost-Duitsland zou zijn: ‘Dus je ziet, Venus, mensen laten zich door collega’s overal toe bewegen. Iedereen in het verkrachtersleger verkrachtte. Zelfs de kolonels verkrachtten. Ook ik verkrachtte.’ In 1946 wachtte hem de Goelag, zoals vele soldaten die besmet waren omdat ze met de vijand in aanraking waren gekomen. Tien jaar zat hij daar, overleefde, werd door een uitvinding in de robottechnologie zelfs een rijk man, en wist in 1983 naar Amerika te ontkomen. Als oude man keert hij naar de permafrost terug om daar te sterven, achter in de tachtig, constant dronken maar gedoogd vanwege zijn royale fooien. Van zichzelf zegt hij dat hij op het schip bekendstaat als ‘een abominabel gehumeurde, vuilbekkende ouwe vent, kolossaal en ruig’. Onderweg hoort of ziet hij flarden van berichten over de bezetting door Tjsetsjenen van een school in Beslan in Noord-Ossetië. Voor hem een mooie gelegenheid het ten dode opgeschreven Rusland een kruis na te geven. In een van de eerste brieven, op de rivier de Jenisj, 1 september 2004, heeft hij het over de kenmerkende Russische hardhandigheid: ‘De criminelen en de staat hebben onderling al het geld verdeeld.’ Maar, zo merkt hij op, hij wordt ook zelf zienderogen oosters, weer helemaal Russisch. Hij waarschuwt het meisje dat in wat volgt allerlei nationale eigenschappen de kop op zullen steken: gewetenloosheid, een zwak voor gore humor, tegenstrijdigheid, sentimentaliteit en de neiging tot abstracte stelligheden. Meteen voegt hij de daad bij het woord door te stellen dat op grotere schaal niet het karakter bepalend is, maar dat het lot het resultaat is van de demografie. Dat is zijn idee, dat was het idee van zijn jongere broer en dat is ook de strekking van de roman: in Rusland was men altijd al bezig met het uitvinden van het lijden, vooral de schrijvers; en kwaad wordt er altijd erger.

Als het verhaal van Amis een liefdesverhaal is, dan een over Russische liefde; als het een geschiedenisles is, dan een over de Russische volksziel; en als het over een strafkamp gaat, dan over een Russisch slavenkamp. In de roman is dat een kamp met een fictieve naam, dat Amis heeft samengesteld uit gegevens die hij van ooggetuigen heeft. Hoe kan het ook anders. Als na zestig jaar de rechtstreeks betrokkenen verdwenen zijn, maakt directe ervaring plaats voor een culturele herinnering, die van horen zeggen. Ook persoonlijke getuigenverhalen worden dan materiaal dat iedereen kan gebruiken. Hoe, dat is natuurlijk een tweede.

Oorspronkelijk was House of Meetings gedacht als verhaal in een bundel van drie, samen met een verhaal over de laatste dag van Mohammed Atta en een verhaal over Uday, de zoon van Saddam Hoessein. De twee andere zijn in tijdschriften gepubliceerd; de drieslag ligt waarschijnlijk in het verlengde van een groot essay van Amis: The Age of Horrorism. Hij zocht naar iets groters dan terrorisme; na 9/11 was ook volgens Amis de tijd van spelletjes voorbij. Prompt schiet mij een vroeger spelletje van Amis door het hoofd dat hij ooit met de jodenvernietiging speelde, toen hij nog dacht dat je zo’n onderwerp met een grap te lijf kon. In de roman De pijl van de tijd (1992) draaide Amis de levensloop van een kamparts achterstevoren af: uit de as van de crematoria verrijzen lichamen die bij duizenden de gaskamer ingaan om er weer levend uit te komen, zulke slapstick.

Bij het nieuwe boek van Amis heb ik een hele tijd gedacht dat hem iets lukte wat niemand van de populaire satiricus had verwacht. Na zijn zeer persoonlijke boek over Stalin hield ik het niet voor onmogelijk dat hij over de Goelag een soort verhaal zou kunnen schrijven waar een oorspronkelijke kampschrijver niet toe in staat was geweest. Zijn plakboek over Stalin – Koba the Dread: Laughter and the Twenty Million, 2002 – is bijna unaniem neergesabeld; het is ook niet vertaald. Amis zou aan de Stalin-literatuur niets hebben toegevoegd. Daar ging het hem ook niet om. Hij wou twee dingen weten: a) hoe het mogelijk was dat de man die miljoenen landgenoten vernietigde niettemin door gans het volk werd vereerd, tot na zijn begrafenis, en b) hoe zijn vader (Kingsley Amis, aan wiens geest hij op het eind van dat boek een brief schrijft) en de angry young men vijftien jaar lang in het sovjetcommunisme hebben kunnen geloven. Amis deed verslag van alles wat hij links en rechts las – die verzamelwoede vond de kritiek niet objectief genoeg. Ik vermoed dat Amis van de weeromstuit tot in de kern van zijn onderwerp wilde doordringen. Door zich in een survivor in te leven kon hij het kamp van binnen verkennen: als een Rusland in het klein.

Het probleem is dat het verhaal een roman werd en dat daarmee de truc van de uitgestelde ontknoping alle spankracht verliest. Nu leest de verteller op het eind een brief van zijn broer die hij sinds 1983, dus meer dan twintig jaar, ongeopend bij zich heeft, en die brief moet antwoord geven op de vraag wat er gebeurd is in een nacht in 1946. Maar wat als de lezer het geheim al in die nacht zelf doorhad? Laat ik die ontknoping dan maar meteen naar het knooppunt terugbrengen, dan wordt ook duidelijk wat de drie benen van de ongelijkbenige driehoeksgeschiedenis zijn: twee mannen en een meisje. Als de soldaat, terug uit het verkrachtingsleger, thuiskomt, probeert hij de schone Zoja te versieren. Het negentienjarige, joodse meisje met een eigen kamer doet het met iedereen behalve met de gedecoreerde oorlogsheld; gekreun. Na twee jaar krijgt hij in het sovjetkamp gezelschap van zijn jongere (half)broer Lev, intellectueel, foeilelijk en ook nog pacifist. Zonder de sterke arm van zijn cynische broer zou hij het niet gered hebben. En wie is er ondertussen met de verzengende Zoja getrouwd? Deze Lev, de kneus, die al in de eerste nacht door Zoja van het stotteren af werd geholpen, het eerste van een reeks wonderen. In het kamp kwam Lev al gauw op de bodem terecht, letterlijk: hij sliep op de vloer tussen het vuil en de andere strontvreters. Dat geeft de verteller de gelegenheid te vertellen over de oorlogen in het kamp tussen de gevangenen, vooral die met en van de criminelen. Plastisch beschrijft Amis de machtsverhoudingen ‘op onze boerderij der dieren’.

Dit is nu zo’n voorbeeld van wat Amis met zijn materiaal doet. Van de oorlog tussen twee typen criminelen maakt hij een bizarre sekteoorlog, terwijl Varlam Sjalamov, aan wie hij de feiten ontleent, in zijn ‘schetsen uit de wereld van de misdaad’ (in Berichten uit Kolyma) exact heeft aangegeven waaruit die oorlog tussen de twee soorten zware misdadigers in de kampen is ontstaan: het was een ernstige vergissing van Moskou, maar wel een die paste in de knechting, vernedering en vernietiging van de politieke gevangenen. Van Sjalamovs analytische en beeldende verhalen maakt Amis, in zijn poging om het kampleven realistisch voor te stellen, een knoeiboel. Het is maar goed dat hij Sjalamov in zijn literatuurlijst achterin niet noemt.

Het knooppunt is het Nachthuis, de datum 31 juli 1956. Broer Lev krijgt dan namelijk bezoek, van Zoja, met wie hij één nacht mag doorbrengen in een daarvoor ingerichte kleine barak bij de omheining van het kamp. In dit verband dient men te weten waarom Lev gedeporteerd is. Hij had de lof gezongen van Amerika, daarom. Maar zijn lof betrof de Amerika’s, zo heette namelijk het meisje Zoja in de codetaal van het gezin, vanwege de wespentaille (Panama) tussen twee continenten, en haar manier van lopen. De oudere broer hoopt vurig dat de nacht een fiasco wordt. Als Lev de volgende dag ontdaan uit het Nachthuis in zijn barak terugkeert en een hele tijd van de kaart is, lijkt zijn wens, die van de oudere broer, vervuld. Meteen daarna verdampt het kamp en laat men de gevangenen weglopen; en passant heet dat meteen het einde van het stalinisme – ook een manier om die episode af te sluiten. Daarna gaat het in de roman vooral om de twee broers en Zoja.

Lev wil over de nacht niet praten, Zoja zegt later dat het fantastisch was. De brief die Lev vlak voor zijn dood aan zijn broer schrijft vertelt een ander verhaal. Hij, Lev, dacht bij het vrijen niet aan de vrouw maar aan enorme hopen brood, en hij stelde vast dat de liefde zonder speelsheid werk werd: nachtdienst. Hij besefte bovendien dat hij door het kamp een slaaf was geworden die nog alleen maar naar medelijden smachtte. Amis zegt het – de slavernij heeft de levens ook na het kamp vergiftigd – maar in feite raffelt hij dat alles af. Als de kampperiode een patchwork is van bijeengesprokkeld materiaal, is de halve eeuw erna een wat ruim uitgevallen inhoudsopgave. Lev maakt, als Zoja bij hem lijkt weg te lopen, met een andere vrouw een kind, een zoon die in 1982 in Afghanistan omkomt (door stommiteit van de Russen zelf). Lev sterft diezelfde dag. De oudere broer probeert het dan nog één keer bij Zoja, maar verder dan een halve verkrachting komt hij niet bij de in een drankcoma liggende schoonheid, die kort daarna zelfmoord pleegt. Van de ongelijkbenige liefdesgeschiedenis heb ik meermalen gedacht: wat had een Hrabal of een Márquez er niet van gemaakt. Wat Amis over vrouwen zegt is flauwekul, en hij vergeet ze ook nog enige inhoud te geven.

Het hoogtepunt van de roman, het Nachthuis van 31 juli 1956, is romantechnisch een zeepbel. Voor een deel omdat het kampverhaal op dat moment een soap wordt. Er is iets ernstigers aan de hand. House of Meetings, zoals de roman oorspronkelijk heet, is ook de titel van een hoofdstuk in Een wereld apart van Gustav Herling, die als jonge Poolse student in 1941/42 in een Russisch kamp zat. Amis noemt hem niet, wel Anne Applebaum, die in haar grote Goelag-boek een hoofdstuk aan Het ontmoetingshuis besteedt. Daarin citeert zij maar één schrijver: Herling. Voor Amis is het Nachthuis een teken dat het regime milder werd, maar in 1941/42 was het ontmoetingshuis juist een perverse terreurmethode. Om voor bezoek in aanmerking te komen moest een gevangene minstens een jaar de volle werkquota gehaald hebben, wat bijna niet kon. En de bezoeker, meestal de echtgenote of de moeder, moest enkele jaren door alle sluizen van controle en hersenspoeling om op bezoek te mogen. En dan zou een bloedmooie en ook nog joodse vrouw zomaar toestemming hebben gekregen een ‘vijand van het volk’ op te zoeken? Hoe Zoja zo ver gekomen is, vertelt de roman niet: zij is alleen maar de twee Amerika’s. De verteller zegt dat hij na die nacht definitief van zijn geloof is gevallen, maar hij is nooit communist geweest – soldaat ja, verkrachter, een gevangene die zich met geweld in het kamp handhaafde, daarna een gewiekste profiteur. De lezer die Herling wel zelf gelezen heeft, had daar kunnen vinden dat de ellende van het Nachthuis was dat als wensen op zo’n manier in vervulling gingen daarmee aan alle hoop een einde kwam. Amis laat de lezer vijftig jaar wachten om hem dan af te schepen met wat abstract gebazel.

Dat Amis zijn bronnen niet noemt is minder erg dan het potje dat hij ervan maakt. Het leek een waagstuk na het boek over Stalin een roman over het kamp in de ik-vorm te schrijven. Maar Amis heeft het niet aangedurfd de oude man echt te laten vuilbekken, bijvoorbeeld door een monoloog à la Céline of Van Nieuwkerk (Triomf) uit hem te laten opborrelen. In feite heeft hij braaf zijn huiswerk gedaan, vergaloppeert hij zich alleen in zijn ambitie om in één moeite door de hele Russische volksaard te willen analyseren. Over vrouwen serveert hij een hoop flauwekul, maar over de eeuwige Russische ziel debiteert hij baarlijke, om niet te zeggen gevaarlijke, nonsens – het lijkt wel alsof Amis voor de Russen heeft willen doen wat Goldhagen voor de Duitsers deed.