Philip Roth

Amok in Amerika

In Philip Roth’s trilogie tracht Nathan Zuckerman de andere personages en de Amerikaanse historie te doorgronden. De beste passages zijn echter die waarin zijn commentaar ontbreekt.

Philip Roth, De menselijke smet
Vertaald door Else Hoog Uitg. Meulenhoff, 415 blz., ƒ45,-

Waar is het debat over zedelijke schande als publieksvermaak? Waar is de taal die de mens en de maatschappij door meeslepende vertellingen tot op het bot analyseert? Waar is de hongerkunstenaar die de literatuur als verlossing predikt en de werkelijkheid dankzij zijn verbeelding tot indringende levenservaring weet om te smeden
Het zijn belangwekkende vragen die Philip Roth stelt in een recent interview met Die Zeit naar aanleiding van de verschijning van The Human Stain. Hij gaat aangenaam tekeer tegen het autobiografisme in de literatuur — die verveling en leegte oproept —; bekritiseert de Big Brother-mentaliteit van de Amerikaanse media die als quasi-fatsoens rakkers, puriteinen met een dubbele moraal of politiek correcte schoolmeesters de werkelijkheid naar hun hand zetten; neemt president Clinton in bescherming (in het Witte Huis «woont een mens») en staat stil bij het verschil tussen geschiedenis en literatuur als effectieve middelen om een kroniek van Amerika tussen 1945 en 2000 te schrijven. Geschiedenis is er voor het gedenken en niet-vergeten, aldus Roth, en de literatuur herinnert en onthoudt op esthetisch niveau.

Is het waar dat het historische moment de artistieke vorm dicteert in Philip Roth’s laatste drie romans, die een trilogie vormen? Is Roth ook een hongerkunstenaar, een bewogen schrijver van overrompelende verhalen over de menselijke conditie? Of blijft hij meer een maatschappelijk betrokken socioloog, vermomd als auteur, die via zijn alter ego Nathan Zuckerman commentaar levert op de politieke toestand in de wereld en in het bijzonder op de hoogte- en dieptepunten van de Amerikaanse historie van de laatste halve eeuw? In Amerikaanse pastorale (1997) wordt Seymour Levov, alias De Zweed, voorbeeldig topsporter zonder smetje en later handschoenenfabrikant, uit het lood geslagen door wat «Vietnam» doet met zijn dochter. Ik was getrouwd met een communist (1998) doet verslag van de levensloop van hoorspelacteur Ira Ringold, die slachtoffer wordt van de communistenjacht in het McCarthy-tijdperk. En in De menselijke smet (1999) is het Coleman Silk, academicus en man van minstens twee geheimen, die een tik krijgt van het politiek correcte klimaat op de universiteiten en van de Clinton-Lewinsky-affaire.
Met andere woorden: is Philip Roth een briljante chroniqueur van de recente Amerikaanse geschiedenis, een soort geschiedenisleraar die reproduceert en de lezer op leerzame wijze bijpraat, of weet hij met behulp van vertellerskompaan Nathan Zuckerman dat turbulente verleden om te buigen tot vertellingen die valse idealen ontmaskeren, wraak en verraad als drijfveren van menselijk handelen aanwijzen en «zuiverheid» in denken en doen relativeert?

«Hij zat vastgeketend aan de geschiedenis, was een werktuig van de geschiedenis.» Die zin in Amerikaanse pastorale verwijst naar de held van Roth’s verhaal, die meteen een antiheld is. Hij, Levov, zoekt contact met zijn vroegere schoolgenoot Zuckerman, al laat hij niet het achterste van zijn tong zien en krijgt Roth’s buikspreker een totaal verkeerd beeld van hem. Zuckerman moet zelf op onderzoek uit om Levovs pijn en «smet» op zijn volmaakte bestaan te ontdekken en vindt in Levovs broer een informant van formaat. Dankzij hem en met eigen fantasie kan Zuckerman Levovs levensloop reconstrueren rond de gebeurtenis in diens bestaan die alles veranderde. Dat leven is door een bom opgeblazen, een terroristische actie van zijn dwarse dochter Merry als protest tegen de Vietnam-oorlog. Vietnam ligt niet alleen in Azië maar ook in Amerika en drijft een wig tussen de generaties en blaast gezinnen op. Vaarwel idyllisch en pastoraal Amerika, de droom is uit.
In wezen gaat de roman — in feite de hele trilogie — over eenzaamheid, over het niet kunnen kennen van de ander, over onbegrip, over het leven achter maskers, over het verloochenen van afkomst en het zoeken naar een identiteit die de wortels met het verleden rigoureus doorsnijdt. Levov, maar ook Ira Ringold in Ik was getrouwd met een communist en Coleman Silk in De menselijke smet, is bezig met een «levenslang experiment in uithoudingsvermogen» (Amerikaanse pastorale) omdat hij een loodzwaar geheim meezeult. «Het belangrijkste woordje dat er bestaat: familie.» Maar het is de familie die er in de jaren zestig aangaat omdat de Amerikaanse geschiedenis gestoord raakt. «Het groteske verdringt langzamerhand alle gewone dingen waarom iedereen juist van dit land houdt.» Het land slaat door Vietnam op tilt. Waanzin en provocatie regeren, er is niets herkenbaars meer, niets wat geloofwaardig blijft. Zuckerman voelt zich goed in zijn rol van onheilsprofeet en bespreekt onbekommerd, zonder schroom of rem — waardoor Roth een verstikkende commentaar- en explicatielaag over de eigenlijke vertelling legt — de Werdegang van de Amerikaanse samenleving. De lezer krijgt het herhaaldelijk ingeprent: het systeem van vroeger werkt niet meer, er heerst nu alleen nog maar angst en verbijstering, aldus de finale van Amerikaanse pastorale. Door de alomaanwezigheid van Roth’s woordvoerder Zuckerman staat uiteindelijk niet het verhaal, de historie van een besmet leven, centraal, maar het praten erover en de interpretatie ervan. Zuckerman is niet alleen een gewillig oor, hij is ook een humanistische dominee, een maatschappelijk werker en een socioloog.
Een levensgeschiedenis, staat ergens in Ik was getrouwd met een communist, omvat een wezenlijke gebeurtenis waar niemand vat op kan krijgen. Iemands levensgeschiedenis is iets waar je maar heel weinig van afweet. In Roth’s trilogie onderneemt Zuckerman toch hardnekkige pogingen die typische levenslopen te doorgronden. Daarom verkleint en verpersoonlijkt hij de geschiedenis en Amerika, op het gevaar af de lezer eerder sociologische schema’s op basis van historische hoogte- en dieptepunten aan te bieden dan vertellingen zonder toelichting en uitleg. Waarmee hij — Roth/Zuckerman — niet zozeer een kroniek schrijft als wel comfortabel commentaar achteraf levert en de lezer voor de voeten loopt. Wie de worstelingen van de benarde mens wil vastleggen die, bijvoorbeeld, wordt achtervolgd door Koude-Oorlogsfanaten (maar kénnen we dat verhaal niet al uitentreuren?) en een shakespeareaanse wraakgodin, moet anno 2000 meer doen dan louter herkauwen. Natuurlijk zitten er excellente staaltjes van vertelkracht in Ik was getrouwd met een communist en wordt het boek bevolkt door een paar prachtige boze joden die hun wraakzucht botvieren, maar het geheel wordt toch overwoekerd door al te lange en overbekende uitweidingen over kunst en maatschappij, politiek en literatuur en het boek als wapen. Nooit verlaat in deze roman de opgroeiende en naïeve links-bewogen Nathan Zuckerman zijn gerieflijke commentaarpost.

«Ben je een Amerikaan die geen kind van zijn ouders wil zijn? Prachtig. Wil je niets met joden te maken hebben? Prachtig. Wil je dat niemand weet dat je als jood geboren bent, wil je je afkomst verdoezelen? Wil je van het hele probleem af en doen alsof je iemand anders bent? Prachtig. Dan leef je in het juiste land.» Dit is de broer van hoorspel acteur en communist Ira Ringold. De zinnen die hij uitspreekt, slaan op de hele trilogie van Roth. In De menselijke smet, het laatste en verreweg het beste deel van Roth’s trilogie over een halve eeuw amok in Amerika, doet de 71-jarige hoofdpersoon Coleman Silk — voormalig hoogleraar klassieke talen en decaan aan Athena College — zijn leven lang verwoede pogingen zich van zijn (zwarte) wortels te ontdoen en zijn historische bepaaldheid te negeren. Maar zijn afkomst springt hem weer op zijn nek als hij, door het uitspreken van één enkel woord, slachtoffer wordt van de academische terreur die politieke correctheid heet. Zijn achillespees is geraakt. De menselijke smet speelt zich af in 1998, de Verenigde Staten zijn in de greep van het Clinton-Lewinsky-schandaal. Het is «de zomer van een gigantische uitbarsting van braafheid, een uitbarsting van zuiverheid, toen het terrorisme (…) werd opgevolgd door het afzuigen van een pik…» Silk, die op een cruciaal punt in zijn leven weigert zijn lot te laten bepalen door zijn licht uitgevallen zwarte huidskleur, bewaart en bewaakt zijn geheim zo fanatiek dat hij zijn moeder verloochent. Hij, in zijn jeugd een getalenteerde bokser, wenst niet tot een gemeenschap (wij) te horen, hij wil uitzonderlijk zijn en zichzelf inkleuren zoals hem goeddunkt. Hij is op en top Amerikaan. «Hij was Coleman, de grootste van de grote pioniers van het ik.» Coleman loodst als een volleerde leugenaar zijn beweeglijke ego het «negerdom» uit en het «jodendom» in. Dat kan hij doen als groenogig en sluikharig product van het «superkeurige, lichtgetinte gezin Silk».
Zoals de Europese literatuur voortkomt uit de ruzie om een vrouw, lees Homeros’ Ilias maar, zo wordt er in het jaar 1998 ook getwist om een vrouw, in het Witte Huis en daarbuiten. Coleman, een zelfgemaakt brouwsel alsof hij een schepping van Sophocles is, iemand «met geen enkel zelfbeeld», komt in dat woeste jaar in chaos en anarchie terecht. Zijn vrouw sterft, en hij wordt verliefd op een 34-jarige schoonmaakster, Faunia Farley, de ex-vrouw van een verknipte Vietnam-veteraan. De ruzie om de vrouw wordt vervolgd. En de incontinente en impotente Nathan Zuckerman («Cata strofes zijn kanonnenvlees voor hem») probeert de beweegredenen van de hoofdpersonages tegen beter weten in te ontrafelen.

De menselijke smet is beter dan de twee voorafgaande romans, vooral omdat Roth af en toe laat blijken zijn schrijvende alter ego Zuckerman niet nodig te hebben. Dan daalt hij diep af in de psyche van intrigerende personages als de schoonmaakster Faunia, haar ex-man en oorlogsveteraan Les Farley en in de ontheemde Franse academica Delphine Roux, die in wraakgedachten en lustgevoelens verstrikt raakt. Faunia is het seksuele dier dat voorgeeft analfabete te zijn, Delphine lijkt een en al geest (dé Franse intellectueel als semiotisch orakel) maar handelt op cruciale momenten impulsief en zelfs beestachtig. Een van de hoogtepunten in De menselijke smet is de passage waarin Faunia haar kennis en liefde voor kraaien celebreert. Ze houdt een tamme kraai in haar hand, een vogel die vervreemd is van zijn soortgenoten omdat hij al zijn hele leven met mensen omgaat. Dat noemt Faunia de menselijke smet, homo sapiens die overal zijn sporen nalaat en zijn stempel op drukt. «Onzuiverheid, wreedheid, mishandeling, vergissingen, stront, zaad — er is geen andere manier om op aarde te zijn. Heeft niets met ongehoorzaamheid te maken. Niets te maken met genade, redding of verlossing. Het zit in iedereen. Het huist in ons.»
Niemand is een open boek, al bladert Zuckerman driftig al die levensverhalen door. Niemand kan weten hoe iets gebeurt zoals het gebeurt. Wat weten heet, is in feite onkenbaarheid. Iedereen méént bedoelingen, motieven, oorzaken en gevolgen te kunnen doorgronden. Maar de ratio zit niet op de troon. Zuckerman/Roth houdt niet op de lezer die het nog niet doorheeft college te geven: «Wat er onder de anarchie van de loop der gebeurtenissen ligt, de onzekerheden, de tegenslagen, de tweedracht, de schokkende onregelmatigheden die de aangelegenheden van de mens bepalen?»

Overal duikt de menselijke smet op. Aan het slot van Ik was getrouwd met een communist laat Zuckerman — duidelijk geïnspireerd door Auster, Coover, DeLillo, Doctorow, Mailer, Pynchon en andere criticasters van the American way of life — zijn gedachten gaan over «de entropie van het zedelijk systeem». Zuiverheid is onbestaanbaar, vermenging is de boodschap. Wie verraad buiten de deur weet te houden, pleegt het vroeg of laat binnenshuis. Puurheid is een onbereikbaar utopisch idee. «Omdat alles wat leeft in beweging is. Omdat zuiverheid verstening is. Omdat zuiverheid een leugen is.»
Het indrukwekkendste, meest beschadigde personage van De menselijke smet is de Vietnam-overlevende Les Farley. Zuckerman/Roth weet diep in de krochten van zijn kapotte hoofd door te dringen en geeft een schokkend beeld van een soldaat die nog steeds strijd levert, zich verraden voelt en wraak wil. Vietnam ligt in Amerika, en Les Farley is een ongeleid menselijk projectiel (aan het slot van de roman verpest Zuckerman het helaas weer door een ontmoeting met moralistische bedoelingen te arrangeren tussen de ex-soldaat en de schrijver).
Voor de allerdomste lezers vat leidsman Zuckerman aan het slot van De menselijke smet nog één keer samen waar Roth’s trilogie over gaat, wat het verlangen van de maker is. «Om een nieuwe mens te worden. Om zich af te splitsen. Het drama dat ten grondslag ligt aan het verhaal van Amerika, het psychologisch drama dat breken met het oude leven is — en de energie en wreedheid die deze meeslepende drift vergt.»
Een goede redacteur had door deze passage, na twaalfhonderd bladzijden en bijna drie romans, een rode streep gezet en er «redundante info» bij gezet
Zonder de vertellersconstructie die de betrokkenheid van de schrijver bij zijn hoofdpersonages hinderlijk benadrukt en zonder de te vaak storende commentaarstem van Zuckerman zou de trilogie leesbaarder zijn geweest. Dan had Roth zich beter kunnen concentreren op de karakters, dan had hij zich dieper in hun psyche kunnen nestelen en meer werk kunnen maken van het spannende spel dat perspectiefwisseling heet.
Er zit niets anders op voor de incontinente en impotente Nathan Zuckerman: in de volgende roman van Philip Roth moet hij eindelijk het loodje leggen. Daar hoop ik maar op.