Hoe de hoofdstad groot werd

Amsterdam heeft ’t nog steeds

Avontuur, cultuur en diversiteit zitten in de genen van Amsterdam. Dat is een stevige basis voor succes gebleken. Maar na de bloei van de Amsterdamse economie tussen de jaren tachtig en 2008 nadert er een tijd van bezinning.


Overal in het land vallen ontslagen door de crisis. In de bouw en de industrie, bij de overheid, adviesbureaus en nu ook bij de grote financiële dienstverleners en andere Nederlandse grootverdieners. ABN Amro, ing, Aegon, Akzo Nobel, TomTom, Philips – allemaal moeten ze bezuinigen en dat kost duizenden banen. Een deel van de ontslagen valt in Amsterdam, de stad van de hoofdkantoren. En binnen Amsterdam wordt de Zuidas relatief hard getroffen. Frank de Grave, wethouder van Financiën in Amsterdam van 1990 tot 1996, bevindt zich de laatste tijd nogal eens in het beklaagdenbankje. Hij was immers bestuurder toen werd besloten de Zuidas te ontwikkelen en vol in te zetten op Amsterdam als centrum van financiële dienstverlening.

‘Hoe konden wij voorzien dat het financiële stelsel in elkaar zou klappen?’ vraagt hij zich wild gebarend af. Hij zit in een luie stoel in zijn appartement op de grens van de Jordaan en de Haarlemmerbuurt. Buiten is het een gezellige chaos van fietsers, voetgangers en auto’s. Binnen eet de vvd-senator een boterham met kaas. Hij windt zich op over de teneur van de berichtgeving. Alsof alle inspanningen van toen weggegooid geld of zelfs misdadig zouden zijn.

Dat het met de economie in het algemeen en in Amsterdam in het bijzonder minder gaat dan vijf jaar geleden is evident. In 2008 barstte de luchtbel in de financiële sector en dat werkte door in alle geledingen van de economie. Iets later dan de rest van het land voelt Amsterdam nu ook de klappen. ‘Je kunt je afvragen of het economische succes dat Amsterdam de afgelopen decennia heeft geboekt niet geheel is gebouwd op een luchtbel’, zegt Ewald Engelen, hoogleraar financiële geografie, dan ook. ‘De financiële sector heeft aan de basis gestaan van de economische groei, terwijl het uitgeven van grond voor kantoren de belangrijkste bron van inkomsten is geweest. Daarmee is de bouw van eindeloos veel projecten gefinancierd. En de kantorenmarkt is ook een luchtbel die op het punt van klappen staat.’

Een werkloosheidspercentage van 8,1 en 34.000 werklozen – zo bezien ziet het er belabberd uit. Maar schijn kan bedriegen. De situatie in Amsterdam is gunstiger dan die in de andere grote steden en wie door de cijfers heen kijkt, ziet dat de perspectieven goed zijn. De Amsterdamse economie is dynamisch en veerkrachtig en de beroepsbevolking is hoogopgeleid. En dat is wel eens anders geweest.

‘Kijk nou eens hoe de stad erbij ligt en vergelijk het met dertig jaar geleden’, zegt Frank de Grave. ‘De jaren tachtig, dat was pas crisis. We hadden een werkloosheid van 25 procent. Als ik terugdenk aan die tijd is het bijna onwerkelijk. Ik werkte bij de ABN Amro op het Rembrandtplein en als ik ’s avonds naar huis ging, dan wemelde het van de hoeren. Je struikelde bijna over de condooms. De Pijp was een afbraakbuurt, de Staatsliedenbuurt een no go area. Mijn moeder schrok toen ik haar vertelde dat ik in deze buurt ging wonen. In haar ogen kwam je daar als net meisje niet. Niet zo lang geleden was dat ook zo.’

De periode aan het eind van de jaren zeventig en het begin van de jaren tachtig is een bijna legendarisch tijdperk in de geschiedenis van Amsterdam. In de jaren zestig en zeventig trokken bewoners en bedrijven massaal weg uit de stad, naar de groeikernen en bedrijventerreinen langs de snelweg. Oude haventerreinen aan de noordelijke en zuidelijke oevers van het IJ lagen braak, huizen en kantoorgebouwen overal in de stad raakten in verval. Krakers namen bezit van panden, straten en zelfs hele buurten. De Grave: ‘De stad was een rotzooi. Ik zie nog de grachtenpanden voor me die met balken werden gestut. Hele delen van de gracht waren afgesloten. En aan de achterkant van het Centraal Station kwam je niet als je geen prostituee of dealer was.’

Daar is nu weinig van te merken. Een fietstochtje van de Silodam ten westen van het station naar het Oostelijk Havengebied aan de oostkant is een aangenaam ritje langs het IJ. De Silodam zelf is een pronkstuk van de bloeitijd in de jaren negentig, het Westerdok een geslaagde nieuwe buurt op een voormalig industrieterrein en de Piet Heinkade met het Muziekgebouw, de Passenger Terminal voor cruiseschepen, Pakhuis de Zwijger, Panama en een imposante rij kantoortorens en appartementencomplexen doet in niets meer denken aan het verlaten gebied dat het dertig jaar geleden was.

Verlaten? Marleen Stikker ziet het anders. ‘Hier gebeurde van alles, het was een vrijplaats.’ Stikker maakte in de jaren negentig en 2000 furore als oprichter van De Digitale Stad, de Waag Society en Pakhuis de Zwijger. Vanuit haar kantoorruimte boven in Pakhuis de Zwijger kijkt ze uit over de stad. Haar iPad en iPhone liggen binnen handbereik. ‘In dit gebouw woonden en werkten krakers, net als in zo veel verlaten gebouwen in de stad. Ik durf wel te stellen dat daar de basis is gelegd voor het succes van Amsterdam in de creatieve en zakelijke dienstverlening.’

Stikker studeerde filosofie maar dat bracht haar weinig voldoening. Ze raakte geïnspireerd door experimenteel theater en nieuwe media en werd actief in de scene van zelforganisaties en woon-werkpanden. ‘De babyboomers voor ons hadden de hemel bestormd en zaten te wachten tot wij dat ook zouden doen. Maar wij hadden gezien dat de mensen die de oude garde van het pluche hadden verdreven zelf ook weer op het pluche gingen zitten. Niet echt een bewonderenswaardig voorbeeld.’ Bovendien was de werkloosheid historisch hoog. ‘Niemand zat op ons te wachten. Omdat we niet in de marge van de wereld wilden leven, ontstond een gevoel dat we zelf het centrum van onze eigen wereld waren.’

Dat viel samen met een razendsnelle technologische ontwikkeling en de opkomst van de pc. Een perfecte combinatie. ‘Er ontstond een do it yourself-_cultuur. Iedereen kon ineens een uitgeverij beginnen, een drukkerij of een opmaakbedrijf. Het was een klein autarkisch apparaatje.’ Stikker was een drijvende kracht in een wereld van eigen radio- en tv-zenders, podia, uitgeverijen en festivals en was daarin keer op keer een _early adapter, zeker op het gebied van technologische innovatie.

De grote revolutie volgde iets later. Begin jaren negentig kwam ze zijdelings steeds vaker in aanraking met het fenomeen internet. Een onontgonnen gebied, waarvan het bestaan nog nauwelijks bekend was. Stikker zag de potentie en nam het initiatief om het internet toegankelijk te maken voor gewone gebruikers. Een missie was geboren. Vanuit De Balie, toen nog enkel een podium voor politiek debat, richtte ze samen met een paar collega-pioniers in 1994 De Digitale Stad op, een virtueel exemplaar van een gewone stad. ‘Tot die tijd werd internet alleen maar gebruikt voor het uitwisselen van informatie. Als een encyclopedie of een archief. Ik wilde laten zien dat het veel meer was dan dat. Een stad met een plein, een postkantoor, een winkel, huizen, burgers.’ En dat allemaal gratis toegankelijk. Iedereen met een modem kon een gratis account krijgen met toegang tot internet, een e-mailadres en de mogelijkheid een eigen homepage te bouwen. ‘Binnen de kortste keren waren alle modems in Noord-Holland uitverkocht.’ Het internettijdperk was aangebroken.

In de tussentijd was Amsterdam flink veranderd. De crisis was voorbij, een tijdperk van economische bloei aangebroken. Bloei die zich vooral uitte in een exponentiële groei van de dienstensector. En die gelijk op ging met de politieke carrière van Frank de Grave in Amsterdam. Toen hij in 1982 begon als raadslid was het hoogtepunt van de krakersrellen net voorbij, toen hij in 1990 aantrad als wethouder stond de stad aan de vooravond van wat even een nieuwe Gouden Eeuw leek te zijn. Terugkijkend ziet hij een paar doorslaggevende factoren: ‘We hebben heel hard gewerkt om de crisis te bestrijden. Toen die voorbij was, wilden we voorkomen dat Amsterdam ooit weer in die situatie zou belanden. Het besef drong door dat je daar als stad hard voor moet werken.’ Een contrast met de jaren zeventig, waarin onwillige bedrijven met de nek werden aangekeken. ‘Graag of niet, was de gedachte. Als ze niet naar Amsterdam willen komen, dan rotten die kapitalisten maar op. Dat was de sfeer.’

Er werd een einde gemaakt aan de huisvestingspolitiek van pvda-wethouder Jan Schaefer. De man die beroemd werd met zijn uitspraak ‘in gelul kun je niet wonen’ vond uit principe dat de Amsterdamse woningvoorraad voor negentig procent moest bestaan uit sociale huurwoningen. Ook op de grachten, in Zuid en op andere toplocaties. De Grave: ‘Op zich een nobel streven, maar daarmee verdwijnt alle ruimte voor particuliere investeringen. Toen de stad dat percentage liet zakken, kwam er een heel grote particuliere geldstroom op gang die zich richtte op het opknappen van panden en buurten.’

En dan was er de leefbaarheid van de stad. Tegenwoordig een vanzelfsprekend begrip, toen nog onbekend. Om mensen en bedrijven naar de stad te trekken, moet je iets te bieden hebben. Een fijne stad om te wonen en te werken. ‘Daar pasten geen heroïnejunks bij, geen verloederde straten en vervallen panden. En wel kunst en cultuur. We hebben toen veel geïnvesteerd in het opknappen van de stad en in ons cultuuraanbod. Normaal gesproken kun je als vvd-wethouder moeilijk aan je fractie uitleggen dat er publiek geld in cultuur moet worden geïnvesteerd, maar dat was toen geen probleem. Het had een duidelijk economisch doel.’

Kunst en cultuur als inzet voor economisch succes – ook dat is inmiddels een bekend gegeven, maar het was dat dertig jaar geleden nog niet. De tweede helft van de jaren tachtig was een keerpunt in het bestaan van steden in de westerse wereld. Nadat tientallen jaren bewoners en bedrijven waren verloren, keerde het tij. Geheel tegen de verwachtingen in, weet ook Gerard Marlet, directeur van het onderzoeksbureau Atlas voor gemeenten. Hij promoveerde op het proefschrift De aantrekkelijke stad, waarin hij de ontwikkeling schetst van westerse steden in de afgelopen decennia. Hij vertelt: ‘In de jaren zeventig en de jaren tachtig heerste de gedachte dat de stad alleen maar verder leeg zou lopen. Eind jaren tachtig stelde de beroemde stadssocioloog John Friedmann dat als gevolg van de digitalisering iedereen zijn eigen stuk ruimte op zou gaan zoeken. Waarom zou je allemaal bij elkaar gaan wonen als je via de computer contact kunt onderhouden?’

Onder de nieuwe creatieve kenniswerkers ontstond inderdaad die verleiding, herinnert Caroline Bos, stedenbouwkundige en medeoprichter van architectenbureau UNStudios zich: ‘Met bevriende architecten hadden we het er wel over dat je net zo goed op een berg kon gaan wonen, of in een hutje in het bos. Je kon met je computer overal je werk doen en altijd met iedereen in contact staan.’ Maar ze deden het niet. ‘Uiteindelijk wilden we toch in de buurt zijn van andere mensen, van de kennis en creativiteit in de stad.’ De digitalisering en vooral de opkomst van het internet bleken dan ook een heel ander effect te hebben. Hoe meer contact er werd onderhouden via technologische middelen, hoe groter de behoefte werd om ook fysiek met elkaar in contact te komen.

De Spaanse socioloog Manuel Castells beschreef in zijn beroemde trilogie The Information Age, uit de tweede helft van de jaren negentig, de invloed van de technologische ontwikkelingen op de samenleving: ‘New technologies, that have emerged in their applications in full strength since the mid-nineteenseventies, are transforming production and consumption, management and work, life and death, culture and warfare, communication and education, space and time. (…) As the industrial revolution was based on energy, the current revolution is based upon information technologies.’

Castells liet zien hoe in de nieuwe economie de klassieke grondstoffen werden vervangen door kennis, intelligentie, creativiteit, informatie. Het was niet zo dat de nieuwe industrie de oude zou vervangen, maar door automatisering werd het productieproces zelf een vanzelfsprekendheid, en werd het organiseren van het proces cruciaal. Winst werd niet zozeer gemaakt door meer arbeiders in te zetten, maar door innovatieve productieprocessen te ontwikkelen. Of zoals de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid het in 1990 samenvatte: ‘Grof gezegd gaat het om een verschuiving van arbeid gebaseerd op spierkracht naar arbeid gebaseerd op denkvermogen.’

Daarnaast creëerde de digitalisering van data door de opkomst van de fax en later de pc een mondiaal netwerk, waarbinnen een geglobaliseerde economie ontstond. Een hoofdkantoor in Amsterdam kon leiding geven aan een fabriek in China, informatie uitwisselen met een zakenpartner in Singapore en concurreren met collega’s in Frankfurt. Er ontstond een netwerksamenleving die draaide om het uitwisselen van kennis en informatie. Niet alleen via fax, telefoon of pc, maar juist ook via _face to face-_contacten. Marlet legt uit: ‘Door veel kennis en creativiteit te bundelen in een stad worden individuen en ook bedrijven collectief slimmer. Op straat, op terrassen, bij brainstormsessies, op een kantoor of een feestje worden kennis, ideeën en gedachten uitgewisseld. Door geplande ontmoetingen, maar ook door toevallige ontmoetingen. Stel dat iemand van Philips in een café een medewerker van Douwe Egberts tegenkomt en ze samen op een bierviltje de Senseo bedenken. De kans op zo’n ontmoeting en kruisbestuiving vergroot je door in dezelfde stad te zijn gevestigd.’ Het hoofdkantoor van Philips verhuisde in 1998 van Eindhoven naar Amsterdam, Douwe Egberts liet deze zomer weten Utrecht achter zich te laten en naar de hoofdstad te vertrekken.

Niet veel later volgde een even invloedrijk werk van de Amerikaanse urbanist Richard Florida. In The Rise of the Creative Class, uit 2002, legt hij het belang uit van de creatieve kenniswerkers voor een stad. De ‘high bohemiens’ creëren een open, dynamische stedelijke cultuur waarin zowel het privé-leven als het professionele leven tot bloei kan komen. Dat trekt vervolgens meer creatieven en kenniswerkers en in navolging van deze groep ook bedrijven, werkgelegenheid.

Marlet licht toe: ‘Een cruciale omslag hierbij is dat vroeger werknemers achter een bedrijf aan verhuisden. Nu vestigen bedrijven zich op een plek waar veel creatieven, kenniswerkers wonen. Toen het productieproces simpel lopendebandwerk was en ook andere functies relatief simpel waren, maakte het niet zo veel uit waar je als bedrijf was gevestigd, veel personeel was inwisselbaar. Nu het gaat om ingewikkelde productieprocessen, informatiemanagement, analyse, creatieve oplossingen, is je personeelsbestand cruciaal.’ Binnen deze nieuwe dynamiek staan de keuzes van de potentiële medewerkers centraal. Waar gaan zij wonen? ‘In een aantrekkelijke stad’, aldus Marlet, die zich schaart naast Florida. ‘Inmiddels weten we dat de stad is veranderd van een productiecentrum in een consumptiecentrum. Mensen zijn in de afgelopen decennia welvarender geworden en ze hebben meer vrije tijd. Dan willen ze wonen in een prettig woonklimaat met voorzieningen als cafés en restaurants, maar ook theaters, musea, bioscopen en boekwinkels om de hoek, tussen soortgenoten en in een mooi gebouwde omgeving. In Nederland het liefst in een stad met een historisch stadshart. In steden dus als Amsterdam, maar ook Groningen, Nijmegen, Leiden of Delft.’ Ook de grote groei van het aantal studenten aan de hoger onderwijsinstellingen in Amsterdam werkte in het voordeel van de stad. Ze zorgen voor een constante aanwas van kenniswerkers in de stad.

In 1991 klopte ABN Amro op de deur bij het Amsterdamse gemeentebestuur. Ze wilden een nieuw hoofdkantoor bouwen, in Amsterdam. Het college van b. en w. was klaar voor het project, er was namelijk juist bedacht dat de IJ-oever ten oosten van het Centraal Station, de kade van de verlaten industriële gebouwen zoals Pakhuis de Zwijger, het nieuwe financiële centrum van de stad zou worden. Het liefst zelfs van Europa. De Piet Heinkade had een centrale ligging, dicht bij de kantoren op de grachten, het station en de A10. Ideaal voor een zakencentrum. ‘Dat hebben we tegen ABN Amro gezegd’, vertelt De Grave. ‘Leuk dat jullie hier een nieuw hoofdkantoor willen bouwen, wij weten wel een plek.’

Maar ABN Amro zag meer potentie in de Zuidas, toen een nog onontwikkeld gebied, met sportvelden en een enkel bescheiden kantoorgebouw. Hoewel het gemeentebestuur zich bewust was van de potentie van de locatie, dicht bij de A10, dicht bij de kantoren in Zuid en vooral ook dicht bij Schiphol, een van de grootste transitluchthavens ter wereld, hield ze voet bij stuk. De Grave: ‘We hadden de IJ-oever bedacht, de Zuidas zou wat ons betreft later volgen.’ Er volgde een welles-nietes-discussie waarin ABN Amro het college uiteindelijk voor het blok zette. Als ze niet op de Zuidas mochten bouwen, zouden ze wel naar Rotterdam gaan. ‘Voor de ambities van Amsterdam zou het dramatisch zijn geweest’, blikt De Grave terug. ‘Ik weet niet of ze het ooit serieus hebben overwogen, maar voor ons was het duidelijk dat we bakzeil moesten halen. Daar is ook geen enkele discussie over geweest binnen het college.’

Zijn collega-wethouder van toen, Jeroen Saris van GroenLinks, verantwoordelijk voor ruimtelijke ordening, moet bijna lachen als hij terugdenkt aan toen: ‘De arrogantie om te denken dat wij konden bepalen waar een bedrijf zich moest vestigen. Onvoorstelbaar.’ Dat was tientallen jaren gebruikelijk geweest. De maakbaarheidgedachte. ‘Die kwam hiermee definitief ten einde. We wisten vanaf dat moment dat we op dit gebied de markt moesten volgen.’ Over de ontwikkeling van de IJ-oever is hij desondanks nog altijd te spreken. Met het Muziekgebouw, Panama en Pakhuis de Zwijger is de kade nu een nieuwe cultureel centrum. En cultuur, zo weet Saris, is de basis van de nieuwe stedelijke economie.

Saris, sinds jaar en dag eigenaar van ruimtelijk adviesbureau De Stad BV, woont en werkt in een oude meubelfabriek in het hart van de Jordaan. Een paar jaar geleden is het door NEXT Architects uit Amsterdam grondig verbouwd. De benedenverdieping is opgedeeld in een relaxruimte met een ronde tafel, houten stoelen en een keuken met espressoapparaat. Aan de achterkant is een werkeiland met computers en boven bevindt zich het woongedeelte. Het oude hijsluik van de meubelfabriek is behouden gebleven. ‘Er wonen hier nog mensen in de straat die kunnen vertellen hoe het er hier vijftig jaar geleden uitzag. Deze straat zat vol met meubelfabrieken, meubelmakers, stoffeerders, matrassen- en beddenmakers. Het was het bedrijfsterrein van de stad in de negentiende eeuw. Nu zitten hier architecten, vormgevers, galeries en een reparatiewinkel voor Macs.’

Saris heeft zich de afgelopen jaren als zelfstandig onderzoeker en adviseur bekwaamd in de moderne stedelijke economie. ‘Eind jaren negentig kreeg ik steeds meer het gevoel dat er in Amsterdam iets aan het ontstaan was wat leek op cultuur, maar het niet was. Mensen zonder stropdassen, conferenties, het voelde spannend. Ik heb een conferentie georganiseerd over de creatieve stad en de Brit Guy Hayward van het succesvolle reclamebureau 180 Amsterdam uitgenodigd. Waarom had hij ervoor gekozen hun kantoor in Amsterdam te vestigen? Hij zei: “Dat is simpel. We zoeken een stad met een goed Engels sprekende bevolking, waar onze medewerkers willen wonen, waar groeipotentie is en die internationaal is georiënteerd.” Voor een volle zaal ging hij op zijn vingers een aantal steden af. In Barcelona spreekt bijna niemand Engels en de stad was nog op weg internationaal te worden. Helsinki lag te perifeer en was niet internationaal, uit Londen kwamen ze net vandaan, Parijs was te Frans om er te willen wonen. Amsterdam scoorde dubbel op alle punten. Bovendien kun je door de nabijheid van Schiphol makkelijk collega’s of klanten uit andere delen van de wereld ontvangen, kun je op je fiets naar je werk, de kinderen kunnen veilig naar school, er is veel werk en er heerst een creatieve cultuur.’

Architecte Caroline Bos van UNStudios, die haar doorbraak kende met de Erasmusbrug en het Mercedes Benz Museum in Stuttgart en voor haar projecten de hele wereld over reist, kan dit beamen: ‘Amsterdam is geen machtscentrum als Londen of New York, maar heeft wel een grote artistieke traditie. Er heerst een creatieve, intellectuele, tolerante cultuur. Niet vergelijkbaar met de cultuur in bankenstad Londen. Je kunt excentriek zijn. Hier kijken klanten niet op van een rommelig, kleurrijk atelier. En je kunt nog zo’n geniale artiest zijn, aan het einde van de dag rijd je gewoon op de fiets naar huis.’

De bouw van het nieuwe hoofdkantoor van ABN Amro aan de Zuidas lijkt symbool te staan voor de opkomst van Amsterdam als centrum van commerciële dienstverlening. Hoewel de stad er nooit in slaagde een financieel centrum van wereldformaat te worden, speelden de financiële dienstverleners die zich er wel vestigden een grote rol in de economie. Geld trekt geld, en met bedrijven als ABN Amro, ing, Aegon en Delta Lloyd herbergde de Zuidas al snel een gigantisch vermogen. En een bron van nieuwe bedrijvigheid, legt Ewald Engelen uit: ‘Veel activiteiten in de zakelijke dienstverlening beginnen bij een financiële dienstverlener. Een bank haalt een klant bijvoorbeeld over om naar de beurs te gaan. Dan krijg je een stroom van opdrachten. Er moet een prospectus worden gemaakt, er zijn advocaten nodig, notarissen. De prospectus moet worden gedrukt, daarvoor zijn foto’s nodig en een grafisch vormgever. Ook zijn er fusies en overnames, aandelenemissies, obligatie-emissies, noem maar op. De financiële dienstverlening initieert stromen die werk opleveren voor een heel scala aan bedrijven.’

Het verklaart de stormachtige opkomst van het aantal bedrijven in Amsterdam in de zakelijke dienstverlening zoals de advocatuur, het notarieel recht, accountancy en consultancy. Maar ook in de creatieve dienstverlening: de grafisch vormgevers, tekstschrijvers, fotografen. En, op het snijvlak van commercieel en creatief, de reclamebureaus en internetbedrijven.

Uit cijfers van Bureau Onderzoek en Statistiek van de gemeente Amsterdam is goed te zien hoe de Amsterdamse economie zich in de afgelopen decennia heeft ontwikkeld. Tussen 1975 en 2011 groeide het aantal arbeidsplaatsen van bijna 350.000 naar ruim 450.000. Werkgelegenheid in de industriële sector werd bijna gehalveerd; bij de semi-overheid steeg het aantal arbeidsplaatsen van ongeveer 65.000 naar ruim 125.000. Nog groter was de stijging in de commerciële dienstverlening, van 105.000 naar 230.000 arbeidsplaatsen. Het aandeel arbeidsplaatsen in de semi-overheid en commerciële dienstverlening, over het algemeen bezet door hoogopgeleide arbeidskrachten, steeg van ruim vijftig procent naar ruim tachtig procent van de Amsterdamse economie. In de grote reorganisatiegolf in de jaren negentig, als gevolg van de digitalisering, werden lokale kantoren in het land gesloten en hoofdkantoren gevestigd in de hoofdstad. Daarnaast kende de stad een hoog percentage nieuwe bedrijven, oftewel startups, trok het (hoofd)kantoren vanuit het buitenland en vanuit andere delen van het land. Zoals Philips uit Eindhoven, Ahold uit Zaandam en Vodafone uit Maastricht. Mediabedrijven met aanzien, zoals mtv, Endemol en komend jaar de Avro, trokken vanuit de regio Hilversum naar Amsterdam. Lag het opleidingsniveau in Amsterdam in 1970 nog onder het landelijk gemiddelde, in 2010, met circa vijftig procent van de beroepsbevolking hoogopgeleid, lag het erboven. Het leidde tot een explosieve groei van de kantorenmarkt en de aanleg van grote kantorenlocaties, niet alleen op de Zuidas, maar ook in Zuidoost en bij Station Sloterdijk.

Coen Teulings, directeur van het Centraal Planbureau, is inmiddels niet meer verbaasd over de economische groei in Amsterdam: ‘Maar als ik zeg dat ik het 25 jaar geleden had voorzien, dan zou ik liegen. Dat heeft niemand kunnen voorzien. Zowel de vernieuwde aantrekkingskracht van de stad als de groei van de diensteneconomie heeft ons allemaal verrast.’ Samen gaven ze de Amsterdamse economie een enorme impuls, die hier en daar ten koste is gegaan van andere regio’s in het land. Steeds vaker kiezen afgestudeerden van universiteiten in Groningen, Nijmegen, Twente, Tilburg, Maastricht en Rotterdam voor een baan in de hoofdstad. ‘Toen ik directeur was van het Tinbergen Instituut, een samenwerking tussen de UvA, de VU en de Erasmus Universiteit in Rotterdam, hadden we altijd moeite om aio’s te vinden voor onze locatie in Rotterdam’, weet ook Teulings. En dat is begrijpelijk. Amsterdam groeit steeds verder in zijn positie als nationaal centrum voor hoogwaardige werkgelegenheid.

Een ongewenste ontwikkeling, vindt Ewald Engelen: ‘Het is een waterbeddeneffect. De economische groei van Amsterdam is ten koste gegaan van economische groei in andere delen van het land. En ik betwijfel of het geheel meer is dan de som der delen.’

Een stellingname waar Teulings het niet mee eens is. Hij beschrijft het als ‘een gevaarlijke gedachte. Daarmee onderschat hij het agglomeratievoordeel.’ Veel bedrijven, mensen, kennis, kunde en creativiteit dicht bij elkaar leveren samen extra kennis, creativiteit en kunde op die worden omgezet in extra winst en extra economische groei. Bovendien worden er transactiekosten van mensen, informatie en materialen bespaard. In de praktijk leidt dit schaalvoordeel ertoe dat lonen voor een identieke functie in Amsterdam en andere succesvolle agglomeraties hoger zijn dan in bijvoorbeeld Groningen of Enschede. Maar of dat agglomeratievoordeel daadwerkelijk leidt tot een grotere netto winst en tot een geheel dat groter is dan de som der delen is niet bewezen. ‘We hebben het nooit onderzocht, dat kan ook niet en dat willen we niet’, geeft Teulings toe. ‘Is Amsterdam binnen Nederland netto-ontvanger of nettobetaler? Het is de grote vraag. Maar ik geloof dat een economische motor als Amsterdam goed is voor het hele land.’ Daar dachten ze in Eindhoven in 1997 anders over. Toen Cor Boonstra, net aangetreden als president, aankondigde met de gehele top van Philips naar Amsterdam te verkassen, stond de stad op z’n kop. ‘Ik wil niet zeggen dat de hele regio in elkaar stort, maar het is behoorlijk vervelend’, was destijds de reactie van burgemeester Welschen.

Teulings ligt niet wakker van de veranderende concurrentieposities binnen Nederland. ‘Ik kan dat geen probleem noemen’, antwoordt hij. ‘Het is een gegeven. Als we allemaal denken dat we gelukkig worden als we bij elkaar wonen en kennis en kunde delen, dan ben ik daar niet bezorgd over. Het is de redding van de Nederlandse economie dat we een stad hebben die nationaal en internationaal deze aantrekkingskracht heeft.’ Jeroen Saris twijfelt: ‘De agglomeratietheorie is een puur economische theorie. Feit is dat steden overal in het land klagen dat Amsterdam de beste mensen wegtrekt.’ Hij is van mening dat het succes van Amsterdam niet ten koste hoeft te gaan van de rest: ‘Maar andere steden moeten niet proberen Amsterdam te kopiëren en met Amsterdam te concurreren. Deze tijd vraagt om een zoektocht naar je eigen kracht, historie en identiteit. Eindhoven heeft die gevonden. Daar zie je dat de nalatenschap van Philips leidt tot een bloeiende economie op het gebied van technologie en design. Arnhem doet het heel goed als modestad. Er zijn genoeg niches. Voor oude industriële steden, zoals Rotterdam, die van oudsher weinig banden hebben met de dienstverlening, is dat moeilijker dan voor bijvoorbeeld Groningen, dat altijd een cultuurstad en een regionaal dienstencentrum is geweest. Toch is niets onmogelijk. Glasgow en Liverpool, vergelijkbaar met Rotterdam, hebben zichzelf met behulp van kunst en cultuur ook opnieuw uitgevonden en zijn nu succesvolle steden met een sterke economische positie.’

Dicht bij het centrum van de stad, aan een pleintje in het statige Oud-Zuid, ligt het kantoor van Space Expedition Corporation, naast Virgin Galactic van beroepsavonturier Richard Branson het enige bedrijf ter wereld dat op korte termijn commerciële ruimtevluchten verwacht aan te bieden. Aan het hoofd van de organisatie staat Michiel Mol, topondernemer, multimiljonair en pas 43 jaar. Hij draagt een spijkerbroek, een shirt en sneakers en ziet eruit alsof hij gisteren is afgestudeerd. Negentien jaar geleden richtte hij met twee vrienden internetbedrijf Lost Boys op. Een paar weken voor het gesprek werd het bedrijf voor 416 miljoen euro overgenomen door het Franse concern Publicis. Hij wil graag vertellen over de eerste jaren van Lost Boys, maar hij kan het niet laten om te vertellen over sxc. De raketten voor de ruimtevluchten worden momenteel getest in de Mojave Desert in Californië en zelf hoopt hij in 2014 de ruimte in te gaan.

Omringd door ruimtepakken en schaalmodellen van legendarische raketten en spaceshuttles lukt het hem toch om de blik even op het verleden te richten. Op de beginperiode van de internethype. Een jaar voor de oprichting van Lost Boys was hij als informaticus afgestudeerd aan de Universiteit Leiden, een studie die in het net aangebroken internettijdperk bijzonder waardevol bleek te zijn. Na een paar minder succesvolle projecten kwamen Mol en co op het idee een internetbedrijf te beginnen. Het bleek een gouden greep. Lost Boys maakte snel naam, werd een ware hype en groeide in een mum van tijd uit tot een onderneming met honderden medewerkers. En ging, geheel in de stijl van Google en Apple, van een werkkamer op een zolder naar een kolossaal grachtenpand. In Amsterdam. ‘De keuze voor Amsterdam was vanzelfsprekend. Als je de beste wilt zijn, heb je de beste mensen nodig. Die zitten in Amsterdam. En als ze niet al in Amsterdam wonen, dan komen ze er graag naartoe om er te werken. Je kunt lunchen op een terras en aan het einde van de dag een biertje drinken in de kroeg.’

Voor klanten was de keuze voor het centrum van Amsterdam soms even schrikken. Na enkele tientallen jaren tussen makkelijk bereikbare bedrijventerreinen heen en weer te hebben gependeld, moest de auto nu ineens over de grachten worden gemanoeuvreerd. Maar het was geen reden om niet voor Lost Boys te kiezen. Want ook klanten waren zich ervan bewust dat het in de moderne economie ging om kwaliteit. En dat wist Mol ook: ‘We hebben met Amsterdam heel bewust gekozen voor de medewerkers, niet voor de klanten. Zij zorgen voor de kwaliteit en dus voor het succes.’ Hij kreeg gelijk: ‘Op een gegeven moment ging de telefoon zo vaak dat we niet eens meer opnamen. We kozen alleen de leukste opdrachten.’

Het product waar zo veel succes mee werd geboekt? Internet. Er moest een hele nieuwe virtuele wereld gebouwd worden. Bedrijven, gemeenten, organisaties: iedereen moest online. Zoals Marleen Stikker de gemeente Amsterdam het web op hielp, zo deed Lost Boys dat met grote multinationals, mediabedrijven en andere commerciële dienstverleners. Ook toen de bubbel kort na de millenniumwisseling barstte, bleef Lost Boys overeind: ‘Omdat we nooit te hard zijn gegroeid en ondanks alles altijd een gezond bedrijf zijn gebleven.’ Wel werd de markt minder en verdwenen er wat klanten. Ook ing, toen nog de Postbank, overwoog op te stappen. ‘We kregen hier de directie op bezoek. Ze zeiden dat ze de website op zwart wilden zetten. Toen heb ik uitgelegd dat de internetbubbel niet draaide om internet op zich, maar om de waardering van internetbedrijven. Ze dachten dat het internet al weer voorbij was.’ Met de opkomst van het internettijdperk ontstond ook een geheel nieuwe werkcultuur, waarbij de grenzen tussen zakelijk en privé vervaagden. In 2000 concludeerde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid: ‘In een hoogontwikkelde samenleving als de onze biedt werk steeds meer uitdagingen om inhoudelijke interesses te ontwikkelen en kwijt te kunnen. Werk is minder vaak fysieke labeur; het is ook in steeds minder gevallen te typeren als wezensvreemd aan de mens. Tegenwoordig domineert het beeld dat werk juist een belangrijke zingeving aan het leven kan zijn.’

Bij Lost Boys ging het werkplezier zo ver dat Mol zijn medewerkers regelmatig naar huis moest sturen. ‘Ook als ze koorts hadden waren ze liever hier dan thuis. Mensen vonden het zo fijn dat het niet als werk voelde.’ Mol verklaart de arbeidscultuur ten dele uit de wisselwerking tussen technici, creatieven en strategen. ‘In de nieuwe media heb je een combinatie van verschillende talenten waardoor er een fijne sfeer ontstaat. Voor de programmeurs was werk hun hobby. Dat deden ze het liefst de hele dag en de hele nacht. Zelf kon ik ook tot drie uur ’s nachts bezig zijn achter de computer, dan een paar uurtjes slapen en weer verder gaan.’ Dat gevoel sloeg over op het creatieve team en de strategen. Maar het was niet de enige reden. Zeker in de eerste jaren waren de medewerkers van Lost Boys pioniers in een nieuwe wereld. Alles kon, het geld stroomde binnen en alles mocht. Vanaf vijf uur kwam het bier op tafel en werd er met een flesje in de hand nog een paar uur doorgewerkt. De borrels van Lost Boys verwierven een legendarische status. ‘Klanten wilden op een gegeven moment allemaal om vier uur afspreken zodat ze mee konden doen aan de borrel.’

In de roes van het succes liet Mol zelfs een sauna bouwen voor zijn medewerkers. Het viel allemaal onder de nieuwe arbeidscode waarbij het niet draaide om status, maar om prestaties. De organisatiestructuur was plat, de dresscode casual, de gedragscode informeel. Met een grote grijns vertelt Mol over een afspraak met Philips-topman Cor Boonstra in het nieuwe hoofdkantoor in de Rembrandttoren. ‘Ik kwam in mijn spijkerbroek en op gympen bij hem binnen. “Meneer Mol”, zei hij. “Cor”, zei ik. Dat was al even schrikken voor hem. Vervolgens zei hij: “Gefeliciteerd. Je bent de eerste die erin slaagt om hier in spijkerbroek binnen te lopen.” Voor ons was dat bijna een principekwestie. Men moest ons nemen om wat we konden, niet om de kleren die we aan hadden. Het is heel makkelijk om je te verschuilen achter een pak.’

Inmiddels is de naam van Lost Boys veranderd in Lost Boys International, of LBi, telt het bedrijf negentienhonderd medewerkers en staat het hoofdkantoor aan de rand van de stad, dicht bij de Ring. Michiel Mol trad al een tijd geleden terug als directeur. ‘Op het eind was ik alleen nog maar aan het managen. Dat is niet mijn ding.’ Hoewel ook de nieuwe locatie en het nieuwe kantoorgebouw niet zijn ding zijn, staat hij achter de keuzes: ‘Het is een andere tijd. Toen waren we allemaal in de twintig, hadden we geen kinderen en partners. Nu zijn we dertigers, veertigers, hebben we kinderen.’ Bovendien, zegt hij, hoort het bij de ontwikkeling van een bedrijf. ‘Lost Boys was zo groot geworden dat het corporate moest worden.’ Zoals ook Amsterdam dat werd.

Wat zegt het succes van de Amsterdamse economie tussen de jaren tachtig en 2008 over het heden en over de toekomst? Was het enkel een luchtspiegeling, een groei gebaseerd op luchtbellen of was het meer? En is het moreel verantwoord om te jubelen over de gouden jaren van toen? Ewald Engelen, die zich liever niet laat verblinden door mooie rapportcijfers, heeft weinig positieve woorden over voor de tijd van de ontembare groei. ‘Het was pervers. Zowel de manier waarop geld werd verdiend als de projecten waaraan het werd uitgegeven. Nieuwe kantoorgebouwen, schoolgebouwen, theaters en bibliotheken, terwijl bijvoorbeeld het onderwijs en de zorg kapot zijn bezuinigd. In onze hebzucht zijn we de menselijke maat uit het oog verloren.’ Hij voorziet een tijdperk waarin zeker Amsterdam zich moet bezinnen.

‘Met het instorten van de financiële sector is Amsterdam zeker in internationaal perspectief zwaar getroffen’, weet Ewald Engelen ‘Gezien het kettingeffect dat in de Amsterdamse economie uitgaat van deze sector kan dat de stad problemen opleveren. Je ziet bovendien dat door de voortschrijdende digitalisering bedrijven steeds meer naar een paar economische centra in de wereld trekken: New York, Londen, Tokio, Shanghai. Kleinere steden als Amsterdam lijden daaronder. Waarom zou je in Amsterdam een kantoor openen als Londen om de hoek is?’

Daar staat de positieve kijk van Coen Teulings tegenover. ‘Vergeleken met de rest van het land hebben de Amsterdamse economie en woningmarkt relatief weinig schade ondervonden.’ Los van de morele vragen rondom de rol van de financiële sector kan hij zich ook niet vinden in de gedachte dat deze de motor van Amsterdam is geweest. De Amsterdamse diensteneconomie is zeer divers en draait meer op creativiteit dan op financiële transacties. ‘Amsterdam is nooit meer geweest dan een speelgoed-financieel centrum. Het succes van Amsterdam draait veel meer op IT en marketing. En een kleine gespecialiseerde financiële sector, die altijd zal blijven bestaan.’

Jeroen Saris zegt: ‘Avontuur, cultuur en diversiteit zitten in de genen van deze stad. Zolang de economie draait op kennis en creativiteit is dat een stevige basis voor succes.’


Dit artikel kwam mede tot stand dankzij het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten


Beeld:: Uitzicht op amsterdam, richting zuidas en rijksmuseum- Olivier Middendorp/HH