Opheffer

Amsterdam Street

Zit weer even in New York om met deze en gene te spreken. De film Fitna heeft hier totaal geen indruk gemaakt. De discussie erover vindt men onzin. Een gesprek over de vrijheid van meningsuiting gaat al snel over wapens. ‘De staat heeft het monopolie op geweld, daarom mogen wij geen wapens dragen’, roep ik.

‘Dat is een beperking van de vrijheid van meningsuiting’, roept mijn Amerikaanse vriend. ‘Je mag hier alles zeggen, je mag me ook bedreigen, maar dan schiet ik je neer. Juist omdat ik een wapen heb, hou jij je in.’

‘Wie zegt mij dat jij dat wapen niet zomaar gebruikt als je alleen al het idee hebt dat ik je bedreig.’

‘Don’t give that idea.’

Ik geef wat voorbeelden van wat in Holland wel en niet mag. Mijn Amerikaanse vrienden vinden dat ik me druk maak om niets. Eigenlijk mag in Nederland alles.

New York – o, wat kom ik er graag – is ergens een stad in verval, terwijl je nergens verval ziet. Het is er schoon, netjes, gezellig – en toch voel je dat het een oude stad is. Misschien komt het omdat ik recentelijk in Moskou ben geweest en daar juist het idee had in het Manhattan van Europa te lopen. New York heeft tegenwoordig meer de sfeer van Parijs en Londen. Dat heeft misschien ook te maken met de stemming onder de mensen.

‘Tuurlijk zien wij China en India opkomen. We zullen binnenkort onze economische toverstaf (‘our magic economic wand’) moeten overgeven aan China. Nou en? Vinden jullie het in Nederland erg dat je economie misschien slechter is dan die van… Denemarken of Zweden? Het is juist goed als wij niet meer de beste of de rijkste zijn. We worden erom gehaat.’

‘Jullie hebben op te grote voet geleefd.’

‘Klopt. Armoede is hier niet alleen een schande, het is onmogelijk. Wij zijn feitelijk al een tijdje een derdewereldland, maar leg dat al-Qaeda en onze president maar eens uit.’

De acteur en zijn vrienden met wie ik spreek, vertellen mij dat er over een jaar een festival komt over Amsterdam en New York. Ik weet van niets. Het komt Hudson en New York te heten. Een uitwisseling van allerlei artistieke evenementen. Ik geneer mij dat ik alleen maar mijn schouders kan ophalen. Zal wel een bericht in de krant gemist hebben. In New York zal het ruim worden opgezet.

‘Is er geld?’ vraag ik typisch Nederlands.

‘Het wordt gesponsord door grote Nederlandse bedrijven’, hoor ik.

We lopen door de stad en ik vraag naar de huizenprijzen. In Manhatten – Amsterdam Street – is het soms toch nog acht-, negenduizend dollar gemiddeld voor een paar vierkante meter, dus we mogen in Amsterdam nog niet klagen. Hoewel… we groeien er naartoe.

Een actrice die hier woont, wijst me op een boekhandel die ik vast interessant zal vinden. Inderdaad, want even later sta ik naast Tom Wolfe, ongelooflijk oud geworden en druk pratend met waarschijnlijk de baas van de boekhandel. Ik durf hem niet aan te spreken. Ik zie wel wat hij koopt: het boek Tête-à-Tête van Hazel Rowley, dat een biografie is van de verhouding tussen Sartre en Simone de Beauvoir. Ik heb dat boek toevallig gelezen en vond het bijzonder goed, maar ik krijg dat niet uit mijn mond geperst. Sterker: ik verlaat snel de boekhandel. De actrice lacht.

‘I was scared too’, zegt ze.

Later die avond zal haar man mij vertellen dat ik Tom maar gewoon moet bellen. Hij loopt naar de telefoon en belt hem op.