KUNST Oude Meesters

Amsterdams bezit

Het Amsterdams Historisch Museum huist sinds 1975 in het voormalig Burgerweeshuis van de stad, en hoewel het een succesvol en veelbezocht museum is, heeft ’t zelf ook altijd íets van een weeskind gehad. Het was een leuk museum, maar het had veel van zijn mooiste speelgoed aan andere kinderen afgestaan en mocht daar alleen bij uitzondering zelf mee spelen. Maar de instelling is dit jaar verzelfstandigd, heeft een nieuwe directeur en een nieuw hoofd presentatie, en nu dagen er andere horizonten.
De tentoonstelling Oude Meesters van Amsterdam is te zien als een interessante fase in de heroriëntatie van het museum op het eigen bezit, op zijn rol in de Amsterdamse en Nederlandse kunstgeschiedenis, en dus op zijn eigen koers. En daar mag best eens wat aan veranderen. In het AHM is ooit gekozen voor een historische aanpak, met een chronologische presentatie waarin de kunstwerken een ondersteunende rol speelden. Dat betekende bijvoorbeeld dat portretten waarvan de naam van de afgebeelde onbekend was niet op zaal werden getoond – context was alles, schoonheid alléén was niet voldoende. Daar zit het museum aan vast. Er komt bij dat het niet echt de ruimte heeft om met substantiële tentoonstellingen tegenwicht te bieden aan die vaste opstelling.
De Oude Meesters geven een overzicht van het historische kunstbezit van Amsterdam en de omzwervingen daarvan door de stad. Amsterdamse schilderijen en kostbaarheden kwamen uit instellingen als het Leprozenhuis en de schuttersdoelen. Ze werden bewaard in het Stadhuis op de Dam, daarna in het Prinsenhof en in het Trippenhuis. De komst van het Rijksmuseum betekende dat Amsterdam haar kunstwerken eerst op hun nationaal belang beoordeelde, en dus gaf de stad de Nachtwacht in langdurig bruikleen aan het rijk. Wat alleen ‘van lokaal belang’ was kwam in 1926 terecht in een Historisch Museum, maar dat kwijnde jarenlang weg in de bouwval van De Waag. Overigens werden in de negentiende eeuw belangrijke schilderijen – zoals Rembrandts Anatomische les van Dr. Joan Deyman – nog voor een habbekrats verkocht. Initiatieven van bezorgde burgers haalden die schilderijen vaak op het nippertje (en tegen veel hogere bedragen) terug.
Per saldo is de Amsterdamse collectie oude meesters een van de grootste ter wereld, en het kwaliteitsniveau is uitzonderlijk, ook als je de Nachtwacht niet meetelt. De tentoonstelling geeft een indruk van hoe een nieuwe presentatie van die collectie eruit zou kunnen zien. Hoe, bijvoorbeeld, een gereconstrueerde doelenzaal met schuttersstukken eruit zou kunnen zien, compleet met pieken, partizanen en drinkhoorns. Hoe bij de portretten van de regentessen van het Leprozenhuis ook hun glazen bokalen met afbeeldingen van Sint-Nicolaas, of hun vijftiendelig zilveren theegarnituur zouden kunnen worden getoond.
De nieuwe constellatie leidt nu al tot vondsten. De drie regentessen van het Leprozenhuis in Ferdinand Bols portret van 1668, bijvoorbeeld, hingen altijd als onbekende dames in het Rijksmuseum, terwijl nota bene elders in dat museum ook de gebeeldhouwde schouw van het Leprozenhuis werd bewaard, waar dat schilderij ooit pal boven hing. Op die schouw staan de familiewapens van de drie vrouwen. Hier zijn schilderij en schouw in de oorspronkelijke combinatie hersteld, en daarmee weten wij weer wie zij zijn. Zijn al die offers voor de goede zaak niet voor niets geweest.

Oude Meesters van Amsterdam.
Amsterdams Historisch Museum, t/m 9 augustus. www.ahm.nl