De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

Amusement

22 oktober 2014 - Hoewel er relatief weinig publiek geld mee gemoeid is, is de omroeppolitiek van staatssecretaris Sander Dekker goed voor veel rumoer.

Het is met het omroepbestel in Nederland net als met het persoonlijk leven: als je met een schone lei zou kunnen beginnen, zou je het misschien helemaal anders doen, maar dat kan nu eenmaal niet. Daar loopt ook vvd-staatssecretaris Sander Dekker, die belast is met het mediabeleid, tegenaan. Al zou hij graag anders willen, er zijn omroepverenigingen.

Nederland heeft vanuit de begintijd van radio en televisie een publiek bestel geërfd waarin die omroepverenigingen de hoofdrol speelden; vroeger gold hoe meer leden, hoe meer zendtijd. Die erfenis waarin het verzuilde Nederland van toen is terug te zien, is tot op heden voelbaar op het Haagse Binnenhof. Zo zou d66, ontstaan als partij die het verzuilde politieke bestel wilde opblazen, het liefst ook geen uit de verzuiling stammend omroepbestel hebben. Maar cda en pvda, zelf product van die verzuiling, zullen de omroepverenigingen niet morgen de nek omdraaien. De binnenlijntjes naar deze partijen zijn nog steeds kort. De publieke omroep helemaal afschaffen wil alleen de pvv. Die vindt het geen probleem dat overheden, bedrijven of belangenorganisaties bij de commerciële omroep programma’s kopen en dus de inhoud kunnen bepalen.

Tel bij dit complexe politieke speelveld op dat de omroepverenigingen hun eigen programma’s hebben om hun misnoegen kenbaar te maken als de politiek maatregelen voorstelt die hen raken, en je weet waarom omroeppolitiek vaak goed is voor veel gedoe en rumoer. Dat is er meestal meer dan het publieke geld dat ermee is gemoeid zou rechtvaardigen. Zo trok de miljardenverspilling door de overheid aan ict-projecten minder aandacht dan de plannen van staatssecretaris Dekker voor de toekomst van het Nederlandse mediabestel. Terwijl voor die omroepen jaarlijks ‘slechts’ zeshonderd miljoen euro gemeenschapsgeld beschikbaar is en Dekker geen nieuwe bezuinigingen aankondigde. Het is ook nog eens geld dat, hoe je ook over het bestel of bepaalde programma’s denkt, niet onder het kopje verspild in de boeken kan.

Toch was er vorige week iets bijzonders aan de reacties op de plannen van Dekker. Waar Jan Slagter van Omroep Max moord en brand schreeuwde, hoorde je andere omroepbazen niet of nauwelijks. Ook zag je dat de ene krant oordeelde dat Dekker het verzuilde bestel richting einde duwt, terwijl een andere krant er bepaald geen historische stap in zag. Politieke partijen hielden zich vervolgens redelijk rustig.

‘Dat betekent zeker niet dat amusement vanaf nu taboe is’

Hoe dat kan? Er was geschreeuw omdat de staatssecretaris de helft van het beschikbare budget openstelt voor buitenstaanders, waardoor anderen dan de omroepen programma’s kunnen gaan maken. Dat leest als een voet tussen de deur van de omroepen. Dat echter niet elke omroepvoorzitter zoals Slagter tekeer ging, komt doordat naar dit deel van het budget óók de omroepen kunnen meedingen. En wie hebben er veel ervaring en denken dus veel kans te maken om als gelukkige door de pitch te komen? Juist, de omroepen. Dus naast de vijftig procent van het geld waar de omroepen toch al van verzekerd zijn, krijgen ze mogelijk ook nog een deel van de andere helft. Maar concurreren met derden moeten ze. En dat is nieuw.

Gedoe was er ook omdat staatssecretaris Dekker vindt dat de publieke omroep moet focussen op de kerntaken informatie, cultuur en educatie. Daarmee stelt hij het aanbieden van amusement, nu nog wel een taak van de publieke omroep, ter discussie. Erger nog, hij noemde in een tv-interview zelfs programma’s bij naam die bij de commerciële omroep niet zouden misstaan. Het bleek dezelfde doodzonde als een politicus die zich uitlaat over wat goede kunst is en wat niet. Ook altijd goed voor een relletje. Het verengde de discussie of je van het populaire Heel Holland bakt leert hoe je een cake maakt. Slagter zag zijn lucratieve programma al ten onder gaan.

In de brief van de staatssecretaris over de toekomst van het publieke mediabestel aan de Tweede Kamer staat echter expliciet: ‘Dat betekent zeker niet dat amusement vanaf nu taboe is.’ Als middel om aandacht te vragen voor cultuur of educatie mag het blijven. Wel zal in de toekomst een Hilversums overleg over een programma zoals het net gestarte Love at First Kiss van bnn anders kunnen verlopen. Bij elk plaatje valt weliswaar altijd wel een cultureel of educatief praatje te verzinnen, Dekker creëert nu een handvat om niet in die praatjes mee te gaan.

Zowel waar het de verdeling van het budget betreft als aangaande de striktere taakopvatting van de publieke omroep zal dus veel afhangen van de toekomstige praktijk. Oftewel van de macht die de omroepverenigingen overkoepelende Nederlandse Publieke Omroep (npo) naar zich toe trekt, want die gaat het geld over de buitenstaanders verdelen en sturen op de drie kerntaken. Dat kan gaandeweg toch tot een hoop gekrakeel leiden in Hilversum, want het is een bijl – hoe klein misschien ook – aan de bestaanszekerheid van de omroepen. Voorstanders in Den Haag van de omroepverenigingen vrezen dan ook al dat het percentage van vijftig voor programmamakers-van-buiten-de-omroepverenigingen zal groeien tot honderd.

De staatssecretaris wil dat de npo zich bij de keuzes voor programma’s laat leiden door het publiek. Dat moet daar sterker en interactiever dan nu bij worden betrokken. De npo moet daarvoor een plan maken. Misschien is het een idee dat de npo leden gaat werven en die laat meepraten. Waarom een ouderwets middel uit de tijd van de omroepverenigingen niet op een moderne manier hergebruikt?