An Evers wilde nooit meer Annie heten. Zo stond ze bekend in een vorig leven. Ze werd geboren aan het Vossenhol te Bemmel, een katholiek tuindersdorp in de Betuwe. Ze maakten er de oorlog mee, fietste wekelijks om boeken te lenen naar de bibliotheek in Nijmegen, had een lieve vader, met wie ze als ‘twee handen op een buik’ was en een zachtaardige moeder. Een zusje kreeg ze, dat jonger was, Ria. An deed de huishoudschool, werkte kort in een hoedenwinkel en trouwde met een jongen die ze bij de kermis ontmoette. Allemaal werkten ze op de door geldzorgen geplaagde tuinderij. In 1962 overleed haar vader vrij plotseling, volgens de huisarts aan ‘hartzwakte’.

An en haar man namen de tuinderij over, kregen kinderen, maar de geldzorgen bleven. Toen zij in 1965 naar aanleiding van een fraudezaak met een lading suikerbieten bij de politie moest komen, sprak An haar vermoeden uit dat haar vader zich van het leven had beroofd. Ze belandde in een nachtmerrie. Wekenlang werd ze verhoord, soms tot diep in de nacht. Maar motief of bewijs ontbrak. Er waren alleen bekentenissen die zij, zodra ze tot rust kwam, weer introk. Na een vonnis volgde in hoger beroep vrijspraak.

An keerde terug naar het familiebedrijf dat reddeloos verloren bleek. Haar man ging als hovenier werken en zij poetste huizen, ze betrokken een huurwoning. Haar moeder woonde verderop en hielp dagelijks met de kinderen. Op een lenteavond in 1974, nadat ze haar twee jongsten van zes en vier naar bed had gebracht, ging de deurbel. Dezelfde wachtmeester die haar eerder verdacht van moord, stond op de stoep. Haar moeder was door geweld om het leven gebracht. An bleek de enige verdachte al ontbrak het motief. Naar een andere dader werd nooit gezocht.

Na deze avond zou An niet meer terugkeren in Bemmel. Drie van haar vijf kinderen zag zij nooit terug. De sensatiepers velde een oordeel voordat de rechter zover was. Ze werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaar. In 1980 kreeg ze gratie en kwam vrij.

Dankzij 'De zaak Annie E.' ontving ze duizenden brieven

Sinds 2018 bezocht ik haar tientallen keren in het verpleegtehuis waar zij woonde sinds een hersenbloeding in 2017. Ze zat in een rolstoel, we gingen vaak wandelen en ik interviewde haar. Haar stem en verhaal kende ik uit mijn jeugd. In 1979 luisterde mijn vader elke zaterdag naar De zaak Annie E., de achtdelige radiodocumentaire van Toni Boumans en Wim Kayzer. Hun gelijknamige boek werd later ook gekocht. Op de radio hoorde ik dezelfde zachte, zangerige tongval als die van mijn tantes uit dezelfde streek waar mijn familie tuinderijen had. In mijn verbeelding liep ik met An mee naar het land, de kassen, de deel. Ik kende de gifkast met doodshoofdsticker erop. Het verhaal heeft me nooit losgelaten en ik besloot een boek over An te gaan schrijven. Al bij ons eerste gesprek zei ze: ‘Ik heb het niet gedaan. Ik hield van mijn moeder.’

Het onderzoek van Boumans en Kayzer uit 1979 vormde voor velen aanleiding om te geloven dat An het slachtoffer was van een gerechtelijke dwaling. Zij toonden aan dat An op harde wijze, urenlang, wekenlang werd verhoord door dezelfde politieman die was betrokken bij de zaak rond de dood van haar vader. Rechtbankjournalist Jac. van Veen schreef over hem: ‘Het fanatisme waarmee deze man zich in het opsporingsonderzoek had geworpen en vervolgens vastgebeten, was zowel fascinerend als griezelig. Bij zijn verhoor voor de rechtbank in Arnhem bleek overduidelijk zijn bezetenheid en veel te grote persoonlijke betrokkenheid.’ A.F.Th. van der Heijden verwerkte het verhaal in zijn romancyclus ‘De tandeloze tijd’, waarin hij het fictieve personage Hennie A. onschuldig bevond.

In de Rotterdamse vrouwengevangenis studeerde An voor bibliothecaresse en ontwikkelde ze zich tot activiste. Met advocaat Maarten Claringbould spande zij een kort geding aan tegen de staat om gelijke beloning voor werkende mannelijke en vrouwelijke gevangenen. Ze bleven tot haar dood bevriend. Later verhuisde An naar het nieuw opgeleverde Bijlmerbajescomplex en raakte betrokken bij de Solidariteitsgroep Vrouwelijke Gevangenen. Na vrijlating werd ze opgevangen door nieuwe vrienden, gemaakt vanwege de zeer goed beluisterde radiodocumentaire. Dankzij De zaak Annie E. ontving ze duizenden brieven. Een van die brieven was van Mieke André die haar beste vriendin zou worden. In 1982 trok An bij Mieke in. Ze zouden 33 jaar samenwonen in Amsterdam en de Zaanstreek.

Na de tragische eerste helft van haar leven werd An Evers opgetild door de rode journalistiek, en feministen als Sabeth Klant. Volksverheffing, hét thema van de vara en de Rooie Vrouwen in die jaren – An werd er een boegbeeld van. Van een tuindersvrouw en huismoeder werd ze feminist en de spil van het Amsterdamse Tussenfasehuis, het eerste en enige opvangtehuis voor ex-gedetineerde vrouwen met hun kinderen. Ze hielp het oprichten in 1982. Met haar grote toewijding, wilskracht, charme en humor wist ze twintig jaar lang fondsen te vinden en vele vrouwen te helpen. ‘Ze werd nooit boos, kreeg alles voor elkaar’, vertelde een oud-collega.

Mieke overleed in 2015 aan de slopende ziekte van Kahler. An verpleegde haar thuis met steun van buren, met wie warme vriendschappen ontstonden. Zij bleven haar wekelijks opzoeken in het verpleegtehuis. An besloot hun niet over haar verleden te vertellen, bang voor onbegrip. Haar wens was dat er ook op haar uitvaart niet over vroeger zou worden gesproken, uit angst haar lieve vrienden en mantelzorgers te kwetsen. Sinds 1974 zag ze maar twee van haar vijf kinderen terug. Een zoon stierf vlak voordat ze elkaar zouden terugzien, begin jaren tachtig. Haar jongste zoon bleef haar bezoeken. Ze belde hem bijna dagelijks.