De tien grootste problemen

Analyse van het onderzoek: Trekken aan een draadje

In de antwoorden die de wetenschappers gaven op de vraag wat volgens hen de meest dringende kwestie van deze tijd is, overheerst somberheid over de tijdgeest. Wat zegt dit over de wetenschappelijke elite?

‘WAT EEN BEGEERTE zal de vraag van De Groene Amsterdammer hebben gewekt’, schrijft hoogleraar bestuurskunde Paul Frissen als antwoord op de vragen naar de belangrijkste sociale kwesties van deze tijd. ‘Begeerte om nu eindelijk eens de hoogst persoonlijke visie op het wereldleed te ventileren.’ Wat hem betreft is de hele onderneming om dringende, onderschatte en overschatte problemen in kaart te brengen door bij de wetenschap te rade te gaan weinig zinvol. Wetenschappers zijn volgens hem eerder geïnteresseerd in de exposure die ze kunnen krijgen dan in de problemen zelf. ‘Een overtuigende presentatie van de feiten die het probleem tot maatschappelijke kwestie nummer één weet te verklaren is een probaat middel voor de verwerving van aandacht en, kan het zijn, onderzoeksgelden.’ Aldus Paul Frissen.

Het is een slimme truc. In plaats van de onderzoeksvragen direct te beantwoorden, analyseert Frissen het onderzoek zelf. Aandacht gegarandeerd. Maar heeft hij gelijk? Dat zou betekenen dat de deelnemers voornamelijk problemen zouden noemen waar ze zelf onderzoek naar doen. Natuurlijk, het zijn vooral juristen die met zaken als de rechtsstaat en de rechterlijke macht op de proppen komen. Een probleem als de ‘opvoeding van onze jeugd’ komt geheel volgens verwachting uit de koker van een pedagoog. ‘Wie met pek omgaat wordt ermee besmet’, schrijft bestuurskundige Leo Huberts. Zelf noemt hij ‘bestuur, bestuur en bestuur’ het dringende, onderschatte en overschatte probleem. Maar het onderzoek bevat ook een flink aantal deelnemers die buiten het eigen vakgebied treden. Filosoof Gijs van Oenen spreekt over de dreiging van microbiologische organismen, historicus Dirk Jan Wolffram noemt de crisis in het betaald voetbal als overschat probleem en socioloog Ringo Ossewaarde houdt een bijna filosofische verhandeling over onze angst voor de dood.
Toch heeft Frissen een punt. Wie wetenschappers vraagt naar de grote problemen van deze tijd leert niet alleen iets over die problemen, maar ook iets over de wetenschappers zelf. De antwoorden die tussen november 2010 en januari 2011 binnen kwamen zeggen iets over de hoop en frustraties van de deelnemers, over de verschillen tussen man en vrouw, tussen jong en oud. Samen tonen de bijdragen waar de wetenschappelijke elite zich nu echt druk over maakt en – veelzeggend – waar ze over zwijgt.

Vooraf is enige nuance op zijn plaats. Wie vraagt om problemen, krijgt natuurlijk ook problemen. Het is dus niet vreemd dat de toonzetting van de bijdragen overwegend negatief is. Bovendien, zoals politicoloog Tom van der Meer opmerkt, zijn Nederlanders een volk van ‘kankerpitten’. Terecht stelt hij dat negativisme doorgaans de grondtoon van het Nederlandse debat is. En toch: het gebrek aan optimisme is opvallend. Of het nu de maatschappij of hun metier betreft, zorgen over de toekomst overheersen.

WAT VALT er te zeggen over 75 onderzoekers uit de alfa- en gammawetenschappen die vijfhonderd woorden of meer schreven over de meest dringende kwesties van deze tijd? Allereerst, ze zijn redelijk gelijkmatig verdeeld over de vakgebieden die in het onderzoek werden betrokken. De sociologen en economen toonden zich met respectievelijk veertien en elf bijdragen het meest enthousiast. Zowel in absolute aantallen als in responspercentage leverden zij de meeste input. Met allebei drie ingestuurde antwoorden zijn de categorieën ‘geografie en demografie’ en ‘geschiedenis’ minder ruim vertegenwoordigd. Daartussen liggen de filosofen (10 stuks), bestuurskundigen (8), politicologen (8), rechtswetenschappers (8) en psychologen en pedagogen (7).WRR-voorzitter André Knottnerus en de Leidse literatuurwetenschapper Isabel Hoving vallen in de categorie ‘varia’. Wat betreft hun almae matres, de meeste deelnemers zijn verbonden aan de Universiteit van Amsterdam (achttien), gevolgd door de Universiteit van Groningen met tien. Rotterdam en Tilburg delen plek drie met ieder negen onderzoekers.

De man-vrouw-verdeling is een bijna onvermijdelijke afspiegeling van de academische wereld in Nederland: de meerderheid van de deelnemers is man. Uiteindelijk stuurden 56 mannen een bijdrage in tegen 21 vrouwen (er zitten twee duo-bijdragen bij). Opvallend detail: bijna de helft van de aangeschreven vrouwen reageerde. Bij de mannen lag dat percentage een stuk lager: iets meer dan een derde van de mannen stuurde iets in. Het doet vermoeden dat socioloog Jan Willem Duyvendak wel eens gelijk zou kunnen krijgen met zijn prikkelende bijdrage getiteld ‘Mannelijkheid als probleem’. Duyvendak voorspelt dat mannen steeds vaker voorbijgestreefd zullen worden door het andere geslacht. ‘Ze zijn nu al gemiddeld lager opgeleid dan vrouwen. Op den duur zullen vrouwen onherroepelijk door resterende glazen plafonds heen breken en de machtige posities, nu veelal nog bekleed door mannen, gaan innemen’, schrijft de socioloog. Dat is deels goed nieuws, deels een probleem erbij. De achterblijvende mannen kunnen zich wel eens gefrustreerd gaan gedragen, is zijn verwachting. Nu al worden de meeste sociale problemen – geweld, overlast – door mannen veroorzaakt. ‘Wat te doen met de man’ zou goed een dringend vraagstuk kunnen worden.

Overigens is Duyvendak een van de weinige inzenders die zich met het sekseverschil bezighoudt. Sjaak Koenis stelt weliswaar dat vrouwen ‘hier en daar’ tegen ‘hardnekkige achterstanden’ aanlopen en Barbara Vis stipt kort ‘de onvolledige revolutie van vrouwen’ aan, sekseongelijkheid lijkt anno 2010 niet langer tot de meest dringende problemen van deze maatschappij te horen. Opvallend is ook het ontbreken van religie. Geen enkele wetenschapper lijkt al te veel woorden vuil te willen maken aan geloof als maatschappelijk verschijnsel.
Andere interessante patronen liggen minder aan de oppervlakte. Een van de meest opvallende is de hernieuwde behoefte aan zingeving en richting die te proeven is uit de antwoorden. ‘Als mij deze vraag 35 jaar geleden was gesteld zou ik hebben geantwoord dat onze grootste problemen onvrijheid en ongelijkheid waren. Als iets de jaren zeventig – en mijn eigen jaren als twintiger – kenmerkte, was dit het verlangen naar vrijheid en gelijkheid’, schrijft hoogleraar sociologie Christien Brinkgreve. ‘Nu zou ik iets anders antwoorden, namelijk een gebrek aan richting.’

Veel onderzoekers ervaren een zeker onbehagen. We zijn rijker en gezonder dan ooit, maar toch mist er iets. Voorbeeld is Mirko Noordegraaf. Hij constateert het onderschatte probleem van de overdaad: ‘We worden overspoeld door zulke enorme hoeveelheden informatie, beelden, ervaringen en ideeën dat het lastig wordt betekenisvol te handelen.’ Nu de traditionele betekenisgevende kaders – zoals de oude zuilen – zijn afgebrokkeld, staan we volgens de bestuurskundige voor de vraag: hoe houd je de boel betekenisvol?

Opmerkelijk: de verzuiling komt vaker terug als afzetpunt van een betoog. Hoewel niemand er volledig aan lijkt toe te geven, spreekt uit sommige bijdragen wel degelijk een lichte nostalgie naar de overzichtelijkheid van het verzuilde tijdperk. Tekenend zijn de woorden van Dirk Jan Wolffram, hoogleraar geschiedenis van bestuur en politiek in Groningen: ‘De gelaakte verzuiling bracht improductieve verdeeldheid met zich mee, maar gaf ook instrumenten tot integratie in de maatschappij.’

In beschouwingen als die van Brinkgreve, Noordegraaf en Wolffram toont zich de veranderende tijdgeest. De strijd tegen autoriteit is gestreden. De emancipatie en vrijheidsstrijd van de jaren zestig en zeventig waren nodig om de verzuilde samenleving op te schudden. Maar de idealen van die tijd zijn de problemen van nu. Na de bevrijding volgt de stuurloosheid. Zo kunnen de gevoelens van veel wetenschappers worden samengevat. Er zit een element van teleurstelling in. ‘De uitwerking van het vrijheidsideaal beidt te weinig houvast’, schrijft Brinkgreve. Ze verwijst daarbij naar Freedom, de roman van Jonathan Franzen, die de worsteling van de vroeg-21ste-eeuwse mens goed weergeeft. Ook Hans Achterhuis gebruikt Franzen om zijn betoog te illustreren. Het boek laat volgens hem zien hoe vrijheid in onze wereld is versmald ‘tot de consumptievrijheid van losse individuen. Het huwelijk en relaties, de binnenlandse en buitenlandse politiek, de strijd voor natuurbehoud, de muziek en het onderwijs zijn alle doordrongen van het soort keuzevrijheid die bij een consument op de markt past.’

Al dat consumentisme is de wetenschappers een doorn in het oog. Negen deelnemers noemen het doorgeschoten marktdenken het meest dringende probleem van onze tijd. Volgens nog eens vijf onderzoekers worden de destructieve gevolgen van liberalisering en het streven naar financieel gewin onderschat. Kritiek op concurrentieprikkels, neoliberaal denken en het streven naar winst is alom te horen. Het zijn vooral wetenschappers voorbij de vijftig die het marktdenken aan de schandpaal nagelen. Bij jongere economen heerst eerder de verbazing. Kritiek op de vrijemarktideologie is al sinds de jaren zeventig volop aanwezig, maar is blijkbaar weinig effectief geweest. Een zure conclusie, aldus Rens van Tilburg, onderzoeker bij Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen.

EEN AANTAL hoogleraren ziet een nieuwe klassenmaatschappij opdoemen en ook dat roept een déjà-vu van de jaren zeventig op. Machiel Karskens, emeritus hoogleraar sociale en politieke wijsbegeerte aan de Radboud Universiteit, stelt het in klassiek kritische bewoordingen: ‘Met het wegvallen van de socialistisch-marxistische klassentheorie die alleen maar een tweedeling tussen bourgeoisie en proletariaat toestond (met het subproletariaat als restcategorie waar het eigenlijk om zou moeten gaan) is er dus ook geen oog meer voor de klassenvormingsprocessen in de hedendaagse, geïnternationaliseerde civil society.’

Tel bij het marktdenken en de klassenmaatschappij andere veelgenoemde problemen op als het milieu, mondiale armoede en de omgang met technologie en de vraag dient zich aan: is het debat over de grote problemen in veertig jaar nauwelijks vernieuwd?

Zo erg is het niet. Veel genoemde problemen klinken weliswaar bekend in de oren, de context waarin ze zich voordoen is wel degelijk anders. Maatschappelijke tegenstellingen worden niet snel meer geduid in termen van de tegenstelling tussen ‘arbeid’ en ‘kapitaal’. Landen die eerder als de ‘Derde Wereld’ golden, zijn nu serieuze concurrenten in de mondiale economische competitie en opvoedingsvraagstukken zijn verschoven van de anti-autoritaire beginselen naar ‘de psychopathologisering van de opvoeding’, zoals pedagoog Jo Hermans het noemt.

Ook de toon waarop de problemen besproken worden is duidelijk anders. In de antwoorden van de hoogleraren, waarvan velen hun proefschrift schreven in de rode jaren zeventig, is verslagenheid te proeven. Zo memoreert Hans Achterhuis de tijd waarin hij onder invloed stond van de radicale filosoof Ivan Illich – sleutelwoorden: Derde Wereld, antikapitalisme, vrijheidsstrijd. In die jaren was Achterhuis er naar eigen zeggen van ‘overtuigd’ dat ‘de strijd voor autonomie uitzicht bood op een betere toekomst’. ‘Die overtuiging ben ik kwijtgeraakt’, aldus de filosoof. Ook Isabel Hoving, de enige literatuurwetenschapper in het onderzoek, geeft een ontgoocheling toe: ‘Ooit koesterden mensen als ik de hoop dat literatuur iets kon uithalen. Dat kunst ons kon genezen van onze verlangens naar simplistische oplossingen. Maar literatuur kan dat alleen voor lezers die daarnaar op zoek zijn. Kunst en literatuur genezen niemand.’

DE GENERATIE die is opgevoed met het ideaal dat de samenleving maakbaar is, heeft op rijpere leeftijd het maakbaarheidsideaal moeten afleggen. De Nederlandse samenleving zoals die op de ruïnes van de verzuiling is opgebouwd, stemt veel van de onderzoekers somber, al wordt dat soms slechts schoorvoetend erkend. Hier toont zich trouwens een opmerkelijk generatieverschil. Voor veel jongere onderzoekers is het maakbaarheidsdenken, in elk geval in de politiek, een gepasseerd station. Onderzoeker Albert Jan Kruiter, die vorig jaar promoveerde op een proefschrift over ‘mild despotisme’, stelt bijvoorbeeld dat een overactieve verzorgingsstaat het eigen initiatief bij burgers heeft weggezogen. Hij krijgt bijval van Steven van de Walle, universitair hoofddocent bestuurskunde aan de Erasmus Universiteit. Hij hekelt de bemoeizucht van de overheid. ‘Preventief fouilleren, gebiedsverboden, achter de voordeur kijken en hinderlijk volgen’ vindt hij voorbeelden van ‘een overheid die elk maatschappelijk probleem wil oplossen zonder veel reflectie op de proportionaliteit van de ingezette middelen’.

Ook in het denken over de elite scheiden zich de geesten. De steekproef is weliswaar klein, maar het valt op dat vooral de jongere onderzoekers – intellectueel gevormd na de jaren zeventig – lijken te hopen op een herstel van gezag. Volgens communicatiewetenschapper Rens Vliegenthart moeten gezagsdragers zich meer uitspreken. Het meest onderschatte probleem volgens hem: het verval van autoriteit. Ewald Engelen roept: ‘Waar is de man of vrouw die de bange, domme, kale mannen eens durft te zeggen waar het op staat?’ Een dergelijk pleidooi voor een meer zelfbewuste elite zul je niet snel aantreffen bij de oudere deelnemers aan het onderzoek. René Boomkens ziet de roep om een nieuwe elite juist als een ‘hijgerige’ poging om opnieuw vat te krijgen ‘op de ongrijpbare dynamiek van de mondiale populaire cultuur’. Hij vindt het ‘creepy’ spierballenvertoon dat leidt tot verharding en zero tolerance. De behoefte aan een elitair reveil is volgens hem dan ook de meest overschatte kwestie.

Iets wat de verschillende generaties wetenschappers met elkaar verbindt, is dat teleurstelling kan omslaan in nauwverholen ergernis. ‘Pluk de dag, roept de burger, terwijl hij met 130 kilometer per uur over de snelweg rijdt, naar verre landen vliegt, zijn buik rond eet en protesteert tegen een hogere pensioenleeftijd’, schrijft Marli Huijer. De auto – icoon van welvaart en vrije tijd – is een populaire metafoor om de roekeloze consumptiedrang van de gemiddelde Nederlander te duiden. Henriëtte Prast noemt de omgang met de natuur als meest dringende probleem. ‘We rijden in een auto met 130 kilometer per uur op een muur af die al zichtbaar is, dat weten we ook, maar we hopen op een wonder want de auto is zo comfortabel’, aldus de gedragseconoom. Engelen is boos op de babyboomers. Opgegroeid in decennia waarin de welvaart jaar op jaar groeide en de sociale voorzieningen ongekend ruim waren, kunnen zij het niet verkroppen dat het misschien wel eens minder zou kunnen gaan. Ze zeuren, vindt hij.

Gebrek aan waardering voor verschil staat bij sommigen ook op de lijst van aanklachten. ‘Intolerantie’ en ‘verharding’ worden met grote regelmaat gebruikt om de toon van het publieke debat te beschrijven. In Groningen stoort men zich vooral aan de ‘etnische tweedeling’. Andreas Flache, Jan Pieter van Oudenhoven en Karen van Oudenhoven-van der Zee, alle hoogleraar aan de Universiteit van Groningen, noemen het tegenover elkaar staan van verschillende bevolkingsgroepen als probleem. ‘Het schijnt inmiddels een geaccepteerd standpunt te zijn dat een harde aanpak van allochtone minderheden terecht is, omdat deze niet voldoende bereid zouden zijn te integreren’, aldus Flache.

RANCUNEUS, egoïstisch, klagerig en benepen. Het is geen gunstig beeld dat wetenschappers schetsen van de gemiddelde Nederlander. Hoewel de problemen die ze signaleren dringend zijn, blijft hun toon doorgaans zakelijk. Beter zijn ze in het analyseren van de opwinding van anderen. ‘Witte woede’, noemt bestuurskundige Leo Huberts de politieke onvrede van de laagopgeleide, autochtone Nederlander die de snelle veranderingen van een globaliserende maatschappij maar met moeite kan bijbenen. Bijdragen als die van Huijer en Engelen verraden echter dat de boosheid steeds meer van twee kanten komt. Behalve volkswoede, gericht op de politiek en op traditionele instituties, valt in de antwoorden ook een zekere ‘elitewoede’ te bespeuren. Woede op een volk dat consumptiegericht is en blind voor de toekomst.

Wat schuilt er achter de boosheid op dat obstinate volk? Mogelijk legt Joel Anderson de vinger op een zere plek: het tanende gezag van de wetenschap. Volgens de filosoof weet iedereen precies wat er moet gebeuren om de grote problemen van deze tijd, zoals het milieuvraagstuk of armoede, op te lossen. Maar, zo stelt hij, de meeste mensen willen het gewoon niet doen. Ze vinden het irritant om te horen dat het toch moet. ‘Helemaal als ze dat moeten slikken van ambtenaren of wetenschappers.’ Tot voor kort behoorde de wetenschappelijke elite tot wat hij een klasse van ‘min of meer verlichte experts’ noemt. Het smaldeel van de bevolking met de bevoegdheid om zaken te regelen ‘zonder dat alle beslissingen werden blootgesteld aan individuen die hun zin niet kregen’.
Inmiddels is die autoriteit niet meer vanzelfsprekend. Rens Vliegenthart verwijt de politiek minachting voor de journalistiek en de wetenschap. Onderschatte kwesties gaan vaak gepaard met de boodschap dat burger, politiek en media onvoldoende oog hebben voor de bevindingen van de wetenschap. ‘Ondanks vele wetenschappelijke publicaties blijft de term “vergrijzing” een hardnekkig leven leiden in beleidsnotities en in de media’, schrijft Bert de Vroom. Volgens Leo Huberts ‘is er veel serieus onderzoek dat wijst op “feiten” die het geblaat in onze meningendemocratie tegenspreken. Daaronder zijn de verbetering van de veiligheid, het opleidingsniveau, de welvaart, een redelijke sociale zekerheid, een tamelijk efficiënt en integer openbaar bestuur en nog zo wat. Nederland wordt overstroomd door overschatte problemen, maar de opgetrokken dijken worden niet gezien of geloofd.’

De resultaten van wetenschappelijk onderzoek leggen het steeds vaker af tegen onderbuikgevoelens, vindt ook Dick Houtman. Gevoel wint het in de politiek van ratio omdat de werkelijkheid technocratisch en saai is. Emoties – in het bijzonder woede en frustratie – komen echter tegemoet aan de menselijke behoefte aan een identiteit. En die les hebben de populisten maar al te goed begrepen.

Kan er een balans worden opgemaakt van het woud aan problemen? Op het oog schieten de antwoorden alle kanten op, maar zoals Isabel Hoving schrijft: problemen zijn altijd in kluwen met elkaar verbonden. Begin aan één draadje te trekken en je komt vanzelf bij andere problemen terecht. Voor de zorgen van de wetenschappers geldt dat niet anders. Ergernis over de obstinate burgers en onzekerheid over de eigen positie liggen natuurlijk in elkaars verlengde.
Zo bezien is er nog een nieuwe sociale kwestie toe te voegen aan de lijst met problemen: de gezagscrisis in de wetenschap.