Carl Gustav Jung, «vuile verrader» van Freud

Analyse zonder divan

Met haar biografie slaagt Deirdre Bair erin het beeld van Carl Gustav Jung als «vuile verrader» van Freud te ondermijnen. Uitgebreid beschrijft ze hoe Jungs theorieën de wereld veroverden, en hoe ze later in diskrediet raakten.

Jung is fout en Freud goed — dit is kort samengevat de waarheid waarmee ik ben opgegroeid. Carl Gustav Jung (1875-1961), was dat niet die charlatan die alleen geïnteresseerd was in de symboliek van dromen en niet in de verborgen wensen daarachter, die in alchemie en tarot geloofde waar Frank Zappa later parodieën over maakte («but I got a crystal ball»), die aan astrologie deed, die in de oorlog en ook daarna fout was, die mensen in typen indeelde en «de eeuw van Aquarius» bedacht en die alleen vrouwelijke bewonderaars had, wat toch ook voor hem pleitte?

Deirdre Bair schreef een bewonderenswaardige biografie. Ze schetst meteen tot in de meest bizarre details het leven van de jonge Jung, die bijvoorbeeld al flauwviel bij de gedachte dat hij naar school moest en die opgroeide binnen een gezin waarin men er vast van overtuigd was dat overgrootvader Jung een onecht kind van Goethe was. Ook Jungs eerste betekenisvolle droom, waarin God een grote drol over een kerk zit te draaien, komt in alle geuren en kleuren voorbij. En veel van zijn tantes beschikten over helderziende gaven waarmee zij de dood van andere familieleden haarfijn wisten te voorspellen.

Bair probeert met dit soort anekdotes duidelijk te maken dat in Zwitserland meer dan normale belangstelling bestond en nog bestaat voor de duistere kanten van het leven, en wie wel eens een paar weken in een klein dorpje hoog in de Alpen tussen de lokale bevolking heeft gelogeerd, begrijpt precies wat ze bedoelt: je moet erg sterk in je schoenen staan wil je niet na enige tijd overal kabouters en demonen ontwaren.

Bair wil aannemelijk maken dat Jung opgroeide in een context waar men er vast van overtuigd was dat er meer is tussen hemel en aarde dan we vermoeden. Ze probeert zo een verband te leggen tussen zijn achtergrond en de ontwikkeling van zijn theorieën. Zo gaat dat nu eenmaal in biografieën van bekende figuren: er moet een betekenisvolle lijn aan te wijzen zijn tussen jeugd en ontwikkeling tot beroemdheid, het kan niet zo zijn dat alles op toeval berust.

Maar Bair houdt gelukkig niet hardnekkig vast aan de lijn tussen Jungs jeugd en zijn ontwikkeling tot uitvinder van de analytische psychologie. Niet alles in zijn leven was blijkbaar voorbestemd, dat maakt deze biografie zeer goed te pruimen. Bair schetst met veel kennis van zaken en bronnen zijn ontwikkeling van enigszins boerse student en arts tot psycholoog en psychiater en brengt de lezer ertoe veel van zijn vooroordelen over deze imponerende en vaak plat Zwitsers sprekende figuur te herzien.

Jung maakte in psychiatrische kring grote naam met een zeer uitvoerig empirisch promotieonderzoek naar woordassociatie. Daarbij ontwikkelde hij een test waarin hij mensen vroeg op een woord te reageren met ieder willekeurig woord dat «zomaar» in ze opkwam. Hij mat daarbij de tijd die iedere reactie kostte en ook zaken als hartslag, ademhaling en elektrische geleiding van de huid (die verandert wanneer iemand bij sterke emotionele spanning licht begint te transpireren). Met dit onderzoek steunde hij de theorieën over woordassociatie die Freud enige jaren eerder had ontwikkeld. Nog steeds geldt Jungs onderzoek als waardevol; Bair meldt niet dat het aan de basis staat van de huidige leugendetectors.

Jung meende met zijn onderzoek theo rieën over het bestaan van het onbewuste te kunnen onderbouwen en hij sloot zich aan bij Freud. Met direct al een belangrijk verschilpunt: volgens hem had je om het onbewuste te laten «spreken» helemaal geen dromen als associatiestartpunt nodig, aan willekeurige woorden had je al meer dan genoeg. Bair schetst natuurlijk uitvoerig de Freud-Jung-controverse, die in het begin neerkwam op een paar niet eens principiële verschillen van mening: Jung wilde seksualiteit niet zo’n belangrijke plaats geven als Freud en hij zag veel meer dan Freud in het concept van de archetypen.

Bair zet de hele controverse uitvoerig neer en het blijft verbazingwekkend om te lezen langs welke vaak pijnlijk persoonlijke lijnen het debat destijds verliep. Vooral de hysterische uitbarstingen geven te denken: Freud die in Amerika flauwviel tijdens een toespraak van Jung; Jung die de verschilpunten in aanwezigheid van Freud altijd bagatelliseerde; Freud die het in zijn broek deed tijdens een wandeling met Jung; de meer dan rare beschuldigingen over en weer; de misverstanden, de vrienden die altijd weer olie op het vuur gooiden. Zo gaat dat natuurlijk met ruzies in de grotemensenwereld: niemand weet op het laatst meer waar het ook al weer om begonnen was en dat wordt ook steeds minder belangrijk. Bair gaat geen detail uit de weg en ik moet toegeven dat ik alles wilde weten, zonder dat ik het gevoel kreeg er iets mee op te schieten, maar dat hoeft geen bezwaar te zijn bij dit soort boeken.

Bair slaagt erin het gewone, door Freud en diens aanhang opgeblazen beeld van Jung, die dus een «vuile verrader» van Freud heette te zijn, danig te ondermijnen. Freud stond op het gebied van manipuleren en zwart maken beslist zijn mannetje, wat ik een hele geruststelling vind: dan hoef ik hem tenminste niet meer helemaal heilig te verklaren. Ook het idee dat Jung, uiteraard volgens de aanhangers van Freud, een antisemiet was, loopt in Bairs zeer gedocumenteerde boek een paar forse klappen op.

Er is overigens geen sprake van dat Bair Jung wil «rehabiliteren». Ze zet in haar 742 pagina’s dikke boek, waar nog eens tweehonderd pagina’s noten bijkomen, alles genadeloos op een rijtje, plaatst links en rechts een paar kanttekeningen en laat het aan de lezer over conclusies te trekken. Ook over het vermeende nationaal-socialisme van Jung. Alweer zo’n kwestie waar hij tijdens en na zijn leven fors mee is achtervolgd. Het valt niet mee daarover één, twee, drie een oordeel te vellen, Bair haalt alles uit de kast om het ons moeilijk te maken.

Carl Gustav Jung was in ieder geval een asociale, arrogante en botte man die zich geen fluit van welke conventie dan ook aantrok en bijvoorbeeld tijdens zijn huwelijk altijd een nauwelijks verborgen relatie onderhield met zijn leerlinge Toni Wolff. Zijn vrouw, die niet alleen vijf kinderen baarde en verzorgde, maar ook verder zo ongeveer alles voor hem regelde, had dat maar te accepteren en leed er zichtbaar onder; de verhalen hierover zijn werkelijk angstaanjagend. Maar nationaal-socialist? Ik kreeg tijdens het lezen over deze zaak steeds meer het gevoel dat Jung zichzelf in de loop van zijn leven zo enorm knap en belangwekkend begon te vinden dat hij meende zich boven alle partijen te kunnen verheffen. Wat stelde het nationaal-socialisme en zo’n ventje als Hitler eigenlijk voor, moet hij gedacht hebben, in vergelijking met zijn indertijd zeer populaire theorieën over archetypen en de donkere kanten van de mens die hij voor niets minder dan de eeuwigheid had uitgedacht? Een dergelijke verbijsterende hoogmoed was hem bepaald niet vreemd. Vandaar zijn vaak badinerende en op z’n zachtst gezegd dubbelzinnige uitspraken over Hitler en joden. Jung beweerde rustig dat er grote verschillen bestaan tussen «de ziel van Duitsers en van joden», meende dat dergelijke opvattingen zelfs «wetenschappelijk aangetoond» waren en bleef ze herhalen, zelfs toen het hem duidelijk was geworden wat er precies in Duitsland aan de hand was.

Daar komt nog bij dat hij veel te lang aanbleef als voorzitter van de Duitse vereniging van psychoanalytici, ook toen die was overgenomen door nazistische leden, waaronder ene Göring, een neef van de beruchte luchtmachtmaarschalk. Achteraf vergoelijkte Jung dat met het ook hier wel gebruikte jammerlijke argument dat hij door te blijven «veel kon betekenen» voor de joodse leden van deze vereniging.

In zijn nadeel pleitte nog zijn op z’n minst merkwaardige opvattingen over «de ziel van de primitieve mens in Afrika», waar hij — overigens geheel in overeenstemming met destijds algemeen heersende opvattingen — allerlei algemeenheden over placht te debiteren die hij zelf als wetenschappelijk beschouwde. Maar na zijn proefschrift over woordassociaties onderbouwde hij zijn theorieën nooit meer met empirisch onderzoek, ze bestonden alleen nog uit beweringen die hij met «praktijkgevallen» en «voorbeelden» aannemelijk probeerde te maken.

Hetzelfde kun je overigens ook zeggen over het werk van Freud, maar die zei tenminste niet van die rare dingen over «de primitieve ziel». Was Jung dus nationaal-socialist? Ik geloof van niet, maar erg zijn best om het te weerleggen heeft hij nooit gedaan. Jung was jungiaan en dat vond hij blijkbaar op zich al genoeg om zich vrij te pleiten.

Bairs biografie is niet bruikbaar als een inleiding in het jungiaanse denken. Daar gaat ze alleen summier op in. Haar boek was anders vermoedelijk een pagina of vierhonderd dikker geworden en niet meer te behappen, ook al omdat Jung er een meester in was zichzelf, vaak meermalen binnen een artikel, tegen te spreken. Bovendien was hij in staat naar aanleiding van de een of andere droom, waaraan hij zowel voorspellende als compenserende krachten toeschreef, zijn hele theorie om te gooien. Tot overmaat van ramp weigerde hij zijn theorie in een systematische, voor iedereen bruikbare mal te gieten, zijn leerlingen moesten het allemaal zelf maar uitzoeken. Dit op zich mooie standpunt leidde uiteraard tot oeverloze en meestal vruchteloze debatten waar iedereen wanhopig van werd.

Bair is zo verstandig er elegant omheen te schrijven: ze geeft geen systematische uiteenzettingen over Jungs droomtheorie, de archetypenleer, de symboolduidingen, de anima-animus-leer en meer in het algemeen zijn opvattingen over een jungiaanse therapie, waarbij de patiënt overigens niet zoals bij Freud op een divan hoefde te liggen, maar gewoon met de therapeut mocht converseren.

Ook de andere verschillen tussen Jung en Freud zet Bair niet systematisch uiteen. Het gaat haar erom hoe het allemaal tot stand kwam, hoe het werkte, op welke manieren Jungs theorieën de wereld veroverden en hoe ze later in diskrediet raakten, welke mensen daarbij een rol speelden en welke debatten werden gevoerd. Kortom, wat gebeurde er? Bairs register achterin vermeldt bijna negenhonderd namen, dus dan weet je het wel.

Soms kreeg ik het wel wat benauwd van alle minutieuze kwesties met al die ambitieuze of halfgare of opgewonden navolgers die je liever niet eens wilt leren kennen, maar toch bleef ik bij de les en mijn geduld werd keer op keer beloond met al weer een nieuw detail, bijvoorbeeld over een congres met Jung in Nederland dat vlak voor de oorlog niet doorging omdat men hier te veel voor rellen vreesde. Ik kreeg af en toe zelfs medelijden met Jung, die vooral op latere leeftijd moest opboksen tegen al te onzinnige weergaven van zijn werk.

Voor zijn theorieën moet je dus zijn werk zelf in en dat is me toch niet tegengevallen. Zijn Studien über alchemistische Vorstellungen, met een paar uitvoerige artikelen over de alchemist Paracelsus, hebben me bijvoorbeeld flink beziggehouden. Jung meende dat je over de structuur van het onbewuste veel te weten kon komen wanneer je de oude alchemisten bestudeerde, omdat juist in hun beschrijvingen de oude overgeërfde arche typen het meest prominent aan het werk waren. Zijn kennis van de oude alchemisten is onovertroffen.

Over archetypen bestaan overigens veel misverstanden, die meestal door Jung zelf de wereld in zijn geholpen. Ik had altijd gedacht dat Jung archetypen beschouwde als algemeen voorkomende beelden en symbolen die overgeërfd zijn en die bij alle mensen, bij de een meer vermomd dan bij de ander, kunnen opduiken. Maar zo zit het dus niet helemaal: archetypen zijn aangeboren ideeën, concepten, die mensen in staat stellee lelie et cetera) te produceren. Archetypen moeten dus princie lelie et cetera) te produceren. Archetypen moeten dus principieel van symbolen worden onderscheiden. De vraag blijft of iemand die uit Nederlandse ouders is geboren en in Peru bij Peruanen opgroeit andere symbolen voortbrengt dan zijn plaatselijke leeftijdgenoten die uit Peruaanse ouders geboren zijn, maar om dit soort vragen maakte Jung zich nooit erg druk. Vaak maakt hij een potje van zijn terminologie en gebruikt hij de termen «archetype» en «symbool» door elkaar. Maar op zijn meest heldere momenten kun je het verschil werkelijk uit zijn werk aflezen.

In zijn allerlaatste artikel, verschenen in De mens en zijn symbolen, dat hij veertien dagen voor zijn dood voltooide en dat volgens Bair pas na geweldige ruzies met zijn medestanders tot stand kwam, zette hij het voor zijn doen ineens scherp uiteen: «De natuurlijke symbolen zijn uit de onbewuste inhouden van de psyche voortgekomen en stellen daarom een enorm aantal variaties op de essentiële archetypische beelden voor.»

Dit boek uit 1964 biedt overigens een bruikbare inleiding in het klassieke jungiaanse denken. Jungs huidige navolgers bouwen vooral voort op het principiële onderscheid tussen symbool en archetype. Zij proberen Jung in een neokantiaans kader te plaatsen waarin men, in navolging van Kants ideeën over aan de ervaring voorafgaande opvattingen over tijd, ruimte en causaliteit, eveneens werkt met «aangeboren ideeën» en concepten. Archetypen zouden dan tot deze los van de ervaring staande categorieën horen.

De neojungianen laten er tegenwoordig overigens geen enkele twijfel meer over bestaan dat zij de oude opvattingen van Jung over «de» vrouw, «het primitieve» en «de» volksziel volstrekt verwerpen. Maar of zij erin slagen allerlei cirkelachtige redeneringen rondom het aangeboren concept van archetypen te omzeilen, staat nog te bezien. Want wat was er nu precies eerder: het archetype of het onderzoek ernaar?

Jung was een ongehoorde veellezer. Wat hij verwerkte aan vaak uitermate obscure en nauwelijks leesbare geschriften grenst aan het ontzettende. Zijn kennis van obscurantistische en esoterische literatuur was fabelachtig, alles in dienst van zelfonderzoek en ter onderbouwing van zijn archetypenleer. Misschien is zijn weergave van die kennis in zijn omvangrijke tweedelige werk Mysterium Coniunctionis uiteindelijk zijn grote bijdrage aan de wetenschap geweest. Jung was een echte negentiende-eeuwse encyclopedist, een van de laatsten. Veranderingen in wetenschap en denken die in zijn tijd plaatsvonden, maakte hij niet werkelijk door. In wiskunde zag hij bijvoorbeeld helemaal niks, ook al omdat hij er slecht in was. Zijn kennis van de moderne literatuur bleef beperkt, wel verslond hij detectives.

Deze in de grond egocentrische figuur bleef vanaf zijn jeugd tot aan zijn dood zweren bij Faust 2 van Goethe en Also sprach Zarathustra van Nietzsche; Goethe omdat die misschien een voorvader was en Nietzsche omdat die ooit in Basel woonde, waar ook Jungs familie lange tijd gewoond heeft.

Van het modernisme in kunst en literatuur had Jung geen kaas gegeten. In Über das Phänomen des Geistes in Kunst und Wissenschaft doet hij een bijna komische poging om Ulysses van James Joyce te analyseren. Hij komt niet veel verder dan een stuk of zes keer te beweren dat het zo’n verrekte dik boek is, hij noemt steeds de hoeveelheid pagina’s en dat hij het maar niet uitkrijgt. Hoe hij het ook probeerde, steeds viel hij erbij in slaap.

Misschien heeft deze analyseweigering ook iets te maken met de mislukte analyse die hij jaren daarvoor van de dochter van Joyce had gemaakt en waarover Bair ook weer alle details meldt, maar waarschijnlijker is dat hij niet in staat was de veranderende bewegingen in kunst en wetenschap op waarde te schatten. Jung bleef een echte negentiende-eeuwer.

Deirdre Bair

Jung: Een biografie

De Bezige Bij, 742 blz., € 54,90

Polly Young-Eisendrath, Terence Dawson

The Cambridge Companion to Jung

Cambridge University Press, 332 blz., $ 17.95

Carl Gustav Jung

De mens en zijn symbolen Lemniscaat, 293 blz.

Studien über alchemistischen Vorstellungen (Gesammelte Werke Bd 13)

Walter-Verlag, 441 blz., € 16,-

Mysterium Coniunctionis (Gesammelte Werke Bd 14)

Walter-Verlag, deel 1 387 blz., deel 2 424 blz.

Über das Phänomen des Geistes in Kunst und Wissenschaft (Gesammelte Werke Bd 15)

Walter-Verlag, 188 blz., € 8,-