Profiel Salvador Dali

Anarcho-monarchist

Salvador Dalí (1904-1989) raakte seksueel opgewonden bij de aanblik van Adolf Hitler, beschouwde de uitwerpselen van zijn aanbeden minnares Gala als een hemelse lekkernij en was de grondlegger van wat hij zelf omschreef als de «paranoïde-kritische methode». Maar was hij daarbij ook fascist? Aan het begin van het Salvador Dalí-jaar, het honderdste geboortejaar van de Spaanse schilder, dat in Madrid, Barcelona, Venetië, St. Petersburg (USA) en Rotterdam met grote exposities en manifestaties zal worden gevierd, woedt deze oude polemiek als nooit tevoren.

«Het is moeilijk een verachtelijker persoon te vinden dan Salvador Dalí», meende de Catalaanse politicoloog Vicente Navarro in een woedende aanklacht tegen de voorgenomen festiviteiten in het Dalí-jaar. «Hij steunde de fascistische coup van Franco, hij juichte de brutale repressie door het regime toe, feliciteerde de dictator zelfs met zijn daden, die in zijn woorden erop waren gericht ‹Spanje te ontdoen van destructieve krachten›, en stuurde Franco telegrammen om hem te prijzen voor het tekenen van doodvonnissen van zijn politieke tegenstanders» — zo luidt het requisitoir van Navarro in het decembernummer van het Amerikaanse blad CounterPunch.

Eerder baarde Navarro al opzien met een boek over de politieke erfenis van Franco in het hedendaagse Spanje, en heden neemt hij het voortouw in het anti-Dalí-offensief, waarover het laatste woord nog niet is gezegd. Hij meldt met zekerheid dat het surrealistische schildergenie een bewonderaar was van de oprichter van de falangistische partij José Antonio Primo de Rivera, en stelt Dalí medeverantwoordelijk voor de tweehonderd duizend doden die de fascisten tijdens de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) op hun geweten hadden.

Het is niet de eerste keer dat de politieke inzichten van Salvador Dalí het onderwerp van controverse zijn. Ook bij leven kwam het zelfverklaarde genie uit Catalonië onder zwaar vuur van links te liggen. Dalí’s — al dan niet vermeende — voorliefde voor Franco was in de jaren dertig al reden voor zijn breuk met de surrealisten. André Breton, de Franse schrijver die de surrealistische school stichtte, beschuldigde Dalí van fascistische en racistische denkbeelden en na een officieel surrealistisch proces werd Dalí in 1934 daadwerkelijk in de ban gedaan door de beweging.

Vanaf dat moment was Dalí, die eerder door Breton was binnengehaald als de Messias van de surrealistische beweging, persona non grata in de kringen rond Breton en Luis Aragón. Tijdens de eerste tentoonstelling van surrealistische werken in de Verenigde Staten, in de New School voor Social Research in New York in 1941, liet Breton buiten een vuilnisbak plaatsen met daarop geschreven: «Dali».

De Spaanse meester liet zich hierdoor niet uit het veld slaan. «Het enige verschil tussen mij en de surrealisten is dat ik surrealist ben», verklaarde hij. «Bovendien ben ik de enige surrealist die nooit lid is geweest van welke partij dan ook», aldus Dalí, verwijzend naar de merendeels communistische sympathieën van zijn voormalige Parijse kunstbroeders.

Al in die periode weigerde Dalí zichzelf nog langer als louter een surrealistisch kunstenaar te zien, al behoorde het tot zijn innige voor nemen Amerika «te vergiftigen met het virus van het surrealisme», een missie waar hij volgens niet weinigen met vlag en wimpel in slaagde. Dankbaar adopteerde Dalí het anagram van zijn naam dat Breton had gemaakt om zijn toen al excessieve geldzucht belachelijk te maken — Avida Dollars, Spaans voor «belust op dollars» — als een geuzentitel, en hij zou het zelfs gebruiken als merknaam van een door hem gecreëerde lijn in mode, parfum en handtassen.

Wellicht nog meer dan een groot kunstenaar was Dalí een bedreven zakenman. Zijn politieke motieven zijn, anders dan Vicente Navarro doet vermoeden, echter minder eenvoudig te duiden. Vijftien jaar na zijn dood is de markies van Púbol, zoals Dalí zich mocht noemen nadat hij door koning Juan Carlos in de Spaanse adelstand was verheven, op dat gebied nog altijd even enigmatisch als zijn werk.

Salvador Felipe Jacinto Dalí I Domenech werd geboren op 11 mei 1904 in Figueres, Spanje, aan de voet van de Pyreneeën, zo’n 25 kilometer van de grens met Frankrijk. Zijn ouders behoorden tot de notabelen van het stadje. De kleine Salvador was volgens zijn biograaf Ian Gibson «dromerig, extreem verlegen en hopeloos onpraktisch». Zijn vader was een welgestelde notaris die, na het vroeg gebleken talent van zijn enige overgebleven zoon (Dalí’s oudere broer, eveneens Salvador genaamd, was in 1903 overleden), alles in het werk stelde om hem als kunstenaar te lanceren.

Als leerling van de gemeentelijke tekenschool kwam Dalí al vroeg in contact met de moderne kunst. In het zomerverblijf van de familie aan de Catalaanse Costa Brava bij het vissersdorp Cadaqués liet zijn vader het eerste atelier van de schilder inrichten. Al in 1918, toen Dalí veertien jaar oud was, had hij via zijn vader voor het eerst een expositie, in het gemeentelijke theater van Figueres. Dalí bezocht ook de San Fernando-kunstacademie in Madrid, maar werd tot twee keer toe langdurig geschorst vanwege vermeend wangedrag tegen zijn docenten, wier autoriteit hij niet erkende, en hij zou de opleiding nooit afmaken.

Niet weinig Dalí-kenners hebben opgemerkt dat Dalí in de eerste plaats altijd een Catalaanse schilder is gebleven, in de zin dat de landschappen die hij als jongen schilderde aan de kust bij Cadaqués — met zijn verlaten stranden, grillige rotspartijen, en het reusachtige gebergte op de achtergrond — altijd het décor van al zijn werk zouden vormen. Dalí erkende dit ook, maar wenste zich nadrukkelijk niet te afficheren als Catalaans nationalist. «In Madrid, toen ik jong was, voelde ik sterk het verschil tussen Catalonië en Castilië», merkte Dalí eens op. «Ik reageerde anders dan de andere Catalanen, die allemaal tegen Castilië waren gekant. Ik was de enige anticatalanist. Ik begon mijn leven met verraad tegen de klasse waaruit ik voortkom, de bourgeoisie, door altijd de deugden te prijzen van de aristocratie en de monarchie.»

In 1921, als hij in Madrid in een studentenhuis woont, ontmoet Dalí dichter en toneelschrijver Federico García Lorca en de toekomstige cineast Luis Buñuel. Een hechte vriendschap is het gevolg, en naar stellig wordt beweerd in het geval van Lorca zelfs een seksuele verhouding. Dalí is tegen die tijd al een excentrieke verschijning, compleet met gekrulde snor en monocle, al helemaal de markies, en legt zich met succes toe op de beproefde kunstenaarsmethode van dada: «épater le bourgeois».

In 1923, als in Spanje de dictator Primo de Rivera aan de macht komt, wordt hij ten tweeden male voor een jaar verbannen van de kunstacademie. In Gerona belandt hij 34 dagen in de gevangenis op verdenking van politiek extremisme. In 1925 oogst Dalí veel succes met een eemansexpositie van zijn werk in Barcelona.

In diezelfde periode maakt Dalí kennis met Pablo Picasso, die hij innig bewondert en in wiens stijl hij probeert te werken. In Parijs sluit hij vriendschap met André Breton, de paus van de dadabeweging, als ook met de dichters Luis Aragón en Paul Eluard.

Als hij tijdens het schilderen van het portret van de laatste diens vrouw Gala leert kennen, is er sprake van een amour fou. Dalí had tot dan toe geen overdreven belangstelling voor vrouwen aan de dag gelegd. Het vrouwelijk geslacht, schrijft hij in de intieme autobiografische notities die hij in die tijd begint te publiceren, had hem altijd angst ingeboezemd sinds zijn moeder toen hij nog een kleine jongen was op een dag zijn penis in de mond had genomen.

Tot Dalí Gala ontmoette, was zijn enige vrouwelijke model zijn zuster Ana María geweest. Maar hij valt als een blok voor de aristocratische allure van Gala, die in het echt Elena Dimitrovna Diakonova heet en afkomstig is uit een familie van Wit-Russische emigrés in Parijs. Vanaf hun ontmoeting zijn de twee onafscheidelijk. Gala wordt niet alleen de maîtresse en de muze van Dalí, maar doet ook dienst als zijn manager en zijn belangrijkste model. De verafgoding gaat zo ver dat Dalí verklaart regelmatig de uitwerpselen van zijn minnares te eten. De relatie met de getrouwde Gala leidt tot een breuk met zijn vader.

Dalí begint zich nu razendsnel te ontwikkelen. Na met Buñuel de film Un Chien Andaloue te hebben gemaakt, wordt hij beschouwd als de ultieme vertegenwoordiger van het Spaanse surrealisme. Zijn schilderij De volharding van herinnering (1930), met voor het eerst de beroemde gesmolten horloges, geldt als het ultieme surrealistische schilderij. In Spanje bestormen extreem rechtse knokploegen de bioscopen waar L’Age d’Or, de tweede film van Buñuel en Dalí, wordt vertoond. In 1933 krijgt Dalí zijn eerste expositie in New York.

Stormenderhand verovert hij de kunstwereld. De paus der surrealisten, Breton, stelt dat de beweging zonder de inbreng van het Spaanse genie een abstracte aangelegenheid was gebleven. Op het omslag van het door Breton geschreven Tweede surrealistische manifest prijkt Dalí’s schilderij De grote masturbator. Maar als Dalí bijna alle aandacht op zich weet te vestigen, distantieert Breton zich van hem. Dalí, zo vindt hij, heeft te veel op met fascistische symbolen als de swastika en legt een ongezonde voorliefde voor Mussolini en vooral Adolf Hitler aan de dag. Per «proces» wordt Dalí uit de rijen der surrealisten verwijderd. Dalí antwoordt in Amerika met de publicatie van het pamflet Declaration of the Independence of the Imagination and the Rights of Man to His Own Madness. Terwijl de surrealisten zichzelf als marxisten beschouwen, presenteert Dalí zichzelf als «anarcho-monarchist».

Dalí is gefascineerd door het fenomeen Adolf Hitler. Maar zijn verklaringen over die fascinatie kunnen, anders dan Breton wil, niet echt worden opgevat als steun. «Ik was gefascineerd door het zachte, mollige vlees van Hitler als hij zijn uniform aantrok», verklaarde Dalí. «De zachtheid van al dat hitleriaanse vlees bedekt onder het militaire uniform bracht mij in een staat van extase met melkachtige smaak, zo voedingrijk en wagneriaans dat mijn hart er geweldig van ging kloppen. Ik beschouwde Hitler als een totale masochist die de wereld de oorlog zou verklaren om daar op heroïsche wijze aan ten onder te gaan.»

Wellicht dat Dalí, die op eigen wijze bezig was de wereld te veroveren, ook veel van zichzelf in Hitler herkende. In ieder geval had hij op een of andere manier een antenne voor de bijna seksueel geladen fascinatie van de massa’s voor het «enigma Hitler», zoals een van zijn eerste Hitler-schilderijen wordt gedoopt. Op het schilderij Masturberende Hitler portretteert Dalí de Führer als een eenzame ziel in een apocalyptisch landschap van ijs. Het is een voorbode van de komende oorlog, verklaart Dalí later. Dalí begint zich sowieso te ontwikkelen als profeet. Een paar maanden voordat in 1936 de Spaanse Burgeroorlog uitbreekt, schildert hij het doek Aankondiging van de burgeroorlog. Als zijn vroegere metgezel García Lorca door de troepen van Franco wordt gefusilleerd, is zijn commentaar dat Lorca «is gestorven op een manier die bij hem past».

Net voordat de Duitse troepen in 1940 Parijs veroveren, vertrekt Dalí met Gala per boot naar New York. De overtocht wordt betaald door Picasso. Het paar zal tot 1948 in Amerika blijven. In Hollywood werkt Dalí onder meer als tekenaar voor Walt Disney. Ook ontwerpt hij decors voor Alfred Hitchcock (Spellbound) en schrijft hij zijn literaire meesterwerk Hidden Faces, een hallucinatoire roman over een gedoemde liefde van een Franse aristocraat tegen het decor van het Parijs van voor en tijdens de oorlog.

Men kan veel over het boek zeggen, maar fascistisch is het zeker niet. Wel exuberant, geniaal, krankzinnig en voorzien van een logica die men buiten het werk nergens anders aantreft. Kortom: een echte Dalí. «Het enige verschil tussen de gekken en ik is dat ik niet waanzinnig ben», aldus de maestro zelf.

Eenmaal terug in Spanje heeft «anarcho-monarchist» Dalí in ieder geval in vreedzame coëxistentie geleefd met het Franco-regime. Hij was de trotse drager van het Erekruis in de Orde van de Katholieke Koningin Isabela en vergat bij zijn bezoeken aan de Verenigde Staten nooit een gebed ter behoud van de «caudillo» te prevelen in de kathedraal van New York. In 1958 liet hij zijn huwelijk met Gala door de kerk herinwijden. Voor zijn vroegere kameraad Buñuel, republikeins en antiklerikaal tot op het bot, had hij toen al niets anders meer over dan giftige verwensingen. Salvador Dalí was hoofdzakelijk bezig met Salvador Dalí. «Iedere dag als ik ontwaak, voel ik de enorme vreugde Salvador Dalí te zijn», zei de schilder, inmiddels door Andy Warhol benoemd tot oppericoon van de popart.

Toen Salvador Dalí op 23 januari 1989 op 84-jarige leeftijd de laatste adem uitblies, gebroken door het eerdere overlijden van Gala, met brandwonden als gevolg van een ongeluk en een hartkwaal, liet hij een vermogen van rond de 130 miljoen dollar na en een eigen kunsttempel in Figueres. De hele nalatenschap werd geschonken aan de Spaanse staat. Maar ongetwijfeld is het niet alleen daarom dat koning Juan Carlos straks bij de officiële opening van het Dalí-jaar in Madrid als ceremoniemeester zal optreden.