Anatomie van de angst

Robert O. Praxton

De anatomie van het fascisme

Vertaald door Edzard Krol

Bert Bakker, 352 blz., e 24,50

Emmanuel Levinas

Over de ontsnapping, voorafgegaan door enkele beschouwingen over het hitlerisme

Inleiding van Ruud Welten, vertaald door Rico Sneller & Ruud Welten

Ten Have-Pelckmans (Agora-reeks), 71 blz., e 17,50

Angst is een beklemmend gevoel, veroorzaakt door dreigend onheil dat niet meteen helder omschreven kan worden. Levensangst is een overrompelende sensatie van totale onveiligheid en onbestemde bedreiging. Als massa’s mensen in de greep van zo’n existentiële vrees komen – door sociale desintegratie, verval van zeden en het uiteenvallen van de gemeenschap (familie, kerkzuil, dorp) – staat er altijd wel een gelegenheids politicus op die die angst een simpele naam geeft, een zondebok aanwijst en zo de gedesoriënteerde massa voor zijn karretje probeert te spannen.

In De anatomie van het fascisme constateert de Amerikaanse historicus Ro bert Praxton nogal laconiek dat het fascisme de grootste politieke vernieuwing van de twintigste eeuw is ge weest, een vernieuwingsbeweging die handig ge bruik wist te maken van het, onder meer door medeplichtigheid aan de Eerste Wereldoorlog, in diskrediet ge raakte socialisme. Wie iets wil begrijpen van het fascisme, benadrukt Praxton, kan niet volstaan met de bestudering van leiders als Hitler of Mussolini. Als er een «mystieke band» (Hitler-biograaf Ian Kershaw) tussen leider en volk bestaat, en als de leider als middelpunt van die volksbeweging kan handelen «alsof hij erboven stond» (Hannah Arendt), hoe ontstaat zo’n onaantastbare band dan? Propagandaminister Goebbels was een meester in het manipuleren van de publieke opinie, of beter gezegd in het bespelen van onderbuikgevoelens, het regisseren van de volksangst (de Rijksdagbrand van februari 1933, de Kristallnacht van november 1938).

Erich Fromm maakte in zijn baanbrekende studie Escape from Freedom (1941) al duidelijk dat de moderne vrijheid zoveel angst kan veroorzaken dat veel mensen liever hun heil in on derdrukking zoeken: «Het kan vrucht baarder zijn om angsten te bestuderen dan om fantasieloos op zoek te gaan naar denkers die het fascisme ‹schiepen›. Eén zo’n angst betrof de ineenstorting van de gemeenschap onder invloed van het ondergravende effect van het vrije individualisme. Rousseau had zich hierover al voor de Franse Revolutie zorgen ge maakt.»

Praxton gaat in De anatomie van het fascisme uitgebreid in op concrete maatschappelijke situaties in met na me het Duitsland en Italië van 1921-1932 waarin de wankele Weimar-republiek of weifelend Italiaans links agitatieruimte liet aan een gewelddadige fascistische be weging. Die ruimte kwam er door stilzwijgende goedkeuring van de conservatieven en «fatsoenlijk» rechts en door de hopeloze verdeeldheid van links. Zo konden Musso lini’s en Hitlers politieke knokploegen zich in de Po-vlakte en in Sleeswijk- Holstein meester maken van de landbouwpolitiek en de (heren)boeren achter zich krijgen. Die politiek ging gepaard met intimidatie, moord en demonisering van de vijand (de joden, de communisten). Uit de angst van de (landbouw)arbeider werd politieke munt geslagen. Het socialisme van de internationale solidariteit legde het af tegen het nationale fascisme van bloed en bodem, ras en wil, volk en strijd. Het fascisme schonk de arbeider een «vaderland» waarvoor hij zich ook nog dood wilde vechten. Geen klassenstrijd maar ras senstrijd, sociaal-darwinisme in plaats van (historisch) materialisme. Praxton benadrukt in zijn studie dat de fascistische machtsovernames in Duitsland en Italië niet onvermijdelijk waren en wel degelijk het gevolg waren van verkeerde keuzes van lankmoedige en zichzelf overschattende conservatieven (Von Papen).

Wanneer de democratie hapert en veiligheid boven vrijheid gaat, ontstaat er ruimte voor een politiek die heimelijke passies en hartstochten aanwakkert, die angstscenario’s koestert en die wil regeren per decreet en dictaat. Praxton formuleert het zo: «Als de constitutie in een impasse zit en er revolutie dreigt, heeft een succesvolle fascistische beweging een wankele elite veel te bieden.» Zonder Haider, Fortuyn, Le Pen, Milosevic en Dewinter op een betekenisloze hoop te willen gooien, ziet Praxton toch een aantal overeenkomsten tussen deze zeer uiteenlopende «volksmenners»: zij wensen nadrukkelijk de bange massa te bespelen met dubieuze beeldvorming en laten emoties voor de rede gaan.

De kansen op een 21ste-eeuwse succesvolle variant op het Hitler- en Mussolini-fascisme schat Praxton echter niet hoog in. Met een typisch Amerikaanse vergelijking bagatelliseert hij alsnog het oude en het nieuwe fascisme: «Het effect van de fascistische propaganda moet ook vergeleken worden met het effect van de commerciële media, dat zelfs in fascistische landen groter was. Hollywood, Beale Street en Madison Avenue waren misschien een groter probleem voor het fascistische ideaal van het beheersen van de cultuur dan de hele liberale en so cialistische oppositie tezamen.»

Zou het echt zo zijn dat het (Hollywood-)bewustzijn het zijn bepaalt? Het is vast ingewikkelder. Een historicus is geen filosoof. De verschrikkingen van de twintigste eeuw vallen niet zomaar samen met schokkende ge schiedkundige ver halen. In de jaren dertig, toen de holocaust nog in het verschiet lag, schreef de Frans-joodse filosoof Emmanuel Levinas (1906-1995) twee opmerkelijke verhandelingen, over het hitlerisme en over de menselijke neiging tot escapisme: Over de ontsnapping, voorafgegaan door enkele be schouwingen over het hitlerisme. Voor wie de latere Levinas kent – die van het il-y-a, de nachtzijde van het zijn waaraan de mens zou moeten ontsnappen om zich een bestaansbasis te kunnen verschaffen – is het verrassend te lezen dat hij in zijn strijd tegen de Oppermachtige Rede die het lichaam ontkent het vulgair marxisme (het zijn bepaalt het bewustzijn) te hulp roept. Wie zich daarvan bewust is heeft al de eerste stap gezet weg uit het determinisme.

De (volks)angst die Praxton, in na volging van Fromm, in zijn fascisme studie signaleert, is in deze Levinas-geschriften manifest aanwezig. Kernzinnen in Over de ontsnapping: «Heel het filosofisch en politiek denken van de Moderniteit heeft de neiging om de menselijke geest op een hoger plan dan de werkelijkheid te plaatsen. Ze delft een afgrond tussen mens en wereld.» Levinas keert zich tegen de autonomie van de rede, die net doet alsof er geen menselijk lichaam bestaat. Hoe kan het «zuivere denken» losgekoppeld worden van het lichaam waarin de mens vastzit? Zijn het zintuiglijke en het irrationele slechts schimmen die de superieure Ratio met een machtige existentiële volzin zomaar kunnen wegjagen? Levinas ontkent de druk van de ge schiedenis en het materialisme niet. Was het niet al Socrates die het lichaam als obstakel zag dat de «vrije vaart van de geest» breekt? Het lichaam heeft dus iets te zeggen over de psyche, het hu meur en de menselijke activiteit. Maar als het biologische het hart van het geestes leven is, als het wezen van de mens niet huist «in de vrijheid maar in een soort ketening», hoe scheppen we dan af stand van het hitlerisme, dat zich juist op dat biologische (ras, expansie, oorlog) fixeert, dat het rationele voor het vaag-mythische heeft verruild en dat de menselijkheid van de mens zelf op het spel heeft gezet? De menselijke behoefte aan ontsnapping, het uit de gevangenis van het hier en nu breken, vormt voor Levinas de kern van de filosofie.

Walging is het trefwoord in Over de ontsnapping, afkeer van en angst voor het «barre zijn», het naakte bestaan. (Het is die levensangst die Sartre veel later in zijn roman La nausee, 1938, beschrijft: de illusieloze historicus An toine Roquentin kan niet aan «dat rotgevoel» ontsnappen, niet vooruit vluchten uit een zinloze existentie waarin hij de dingen geen betekenis meer kan toedichten, hoewel het ethisch verlangen naar een authentiek leven nooit helemaal uitdooft.)

Walging is iets onbehaaglijks omdat er niet aan te ontsnappen valt. Levinas heeft het, na een plastische uitweiding over misselijkheid, over de «weerzinwekkende aanwezigheid van onszelf bij onszelf» en over het vastgeketend zijn in de walging. «De ervaring van het zuivere zijn is tegelijkertijd de ervaring van zijn innerlijke tegenstelling en van de ontsnapping die zichzelf opdringt.» Het genot is slechts een tot mislukken ge doemde poging tot ontsnapping uit het zijn.

En toch, zegt de dialectisch denkende Levinas in 1934, toch mogen we het idealistisch denken niet op de vuilnisbelt van de geschiedenis werpen omdat dat puur rationele denken het zijn of de lichamelijke existentie onderschat, waar door het er gemakkelijk door overwoekerd wordt (het hitlerisme). Aan de holocaust lag de westerse cultuur, de Verlichting, ten grondslag. In de strevingen van het idealistisch denken zit wel degelijk «de waarde van de Europese beschaving» verborgen. Bepaalt het zijn het bewustzijn? Nee, een idealistisch bewustzijn wenst te ontsnappen aan het barre en boze biologische bestaan, wil erbovenuit stijgen, hoe dan ook. «Elke beschaving die het zijn accepteert – met zijn tragische wanhoopsgedrag en de misdaden die het rechtvaardigt – verdient het om barbaars genoemd te worden.» Levinas’ filosofische anatomie van het hitlerisme en zijn overpeinzingen over de existentiële walging en over mogelijkheden in het denken te ontsnappen aan het naakte bestaan, waren in 1934 niet minder dan visionair.