Anatomie van een glasachtig zelf

Een paar losse notities bij leven en werk van Jacq Firmin, J.F., en tot slot Jacq Vogelaar – die er geheel in geslaagd is om te heten zoals hij verkoos. Hij maakte zich zelf een naam. Hij ging daarin zo ver als maar kon.

Medium edj 3878 01 vogelaar jacques firmin

Op zijn grafsteen ontbreekt zijn geboortenaam. Hij maakte zichzelf weg, zou je ook kunnen zeggen. Hij heeft zich zelf uitgeschreven uit de burgerlijke stand en al doende slaagde hij erin dat ongrijpbare woordje ‘zelf’ van betekenis te laten veranderen.

Toen we het een keer over de wederwaardigheden van pseudoniemen hadden, hoorde ik wat ‘z.n.s.’ betekende. Hij beschikte, vertelde hij, over een officieel papier (was het zijn paspoort of was het iets van een bank?) waarin vermeld stond dat Frans Broers ‘zich noemend schrijvend’ Jacq Vogelaar was. Hij had (als ik me goed herinner: ik ben iemand aan wie je alles kunt vertellen, ik vergeet het meteen weer) een bankpasje op naam van zijn pseudoniem. Het woord ‘sosie’, deel van zijn e-mailadres, was Frans voor ‘dubbelganger’.

Zal wel argot wezen, dacht ik, tot de schrijver zelf de sleutel aanreikte. In Je zit niet alleen in je vel (het vooralsnog laatste boek) bleek Sosie de ‘meneer’ te zijn van Robert Pinget. Sosias, heb ik vervolgens nageslagen, een hellenistisch toneelpersonage, is de historische leverancier van het woord. Vogelaar was zich als bijna geen andere schrijver bewust van woordbetekenissen en van schaduwen en zwemen van woordbetekenissen, altijd en overal, ook waar het eigennamen betrof – zowel prijsgegeven als aangenomen. Hetzelfde geldt a fortiori als het gaat om de namen waarmee hij zijn personages of gestalten bedacht. Taats, Vogelaars eigen ‘meneer’, is een spijker met een kop, de punt van een tol, en een pik. Mijn liefje, wat wil je nog meer?

De beste manier, wat mij betreft, om Vogelaar te leren kennen is in zijn meer rechtstreekse essayistische werk: daar waar hij zelf een lezer is – een lezer, die schrijft. Vogelaar was een superieure alleslezer. Alles in de zin van: oeuvres, in alle talen die hij kon lezen. Schrijvers in talen buiten zijn bereik las hij in Franse, Duitse of Engelse vertalingen. Hij was, in termen van de bronnen waaruit hij dronk, eerder een Europese dan een Nederlandse schrijver.

Het zou dan ook op zijn plaats zijn om een selectie uit zijn essays te vertalen in het Duits, Engels, Frans. Eenvoudigweg omdat hij, als iemand die ‘terugschrijft’, deel uitmaakt van die drie literaturen. Niet voor niets droeg hij zijn bundel Terugschrijven op ‘Aan mijn vrienden van Lektuur’. Sommige delen, vooral van het vroege werk van Vogelaar, zijn minder goed te begrijpen als je niet weet wie of wat hier mee resoneert. Ik citeer een typering van de schrijver die, naar Vogelaars eigen zeggen (zie het ‘Vooraf’ tot Terugschrijven), het meest van allen voor hem betekend heeft: Beckett.

Het citaat (te vinden in Je zit niet alleen in je vel) betreft Beckett als auteur van Watt. Ik lees het, met of zonder Vogelaars postume welnemen, tegelijk als een zelfportret, of minstens als een blijk van grondige herkenning: ‘Aan Watt is volgens mij af te lezen dat hier iemand voor z’n mallemoerskont schreef en aan de lezers die hij niet had en waarschijnlijk ook niet zou krijgen lak had.’

De biograaf in spe heeft een gigantisch werk te verzetten, het is fysiek onmogelijk om alle leesarbeid over te doen

De vraag wie je als lezer bent, of waar je je al lezend bevindt, is misschien de meest intrigerende literaire vraag van alle. Op die vraag heeft Vogelaar denk ik op alle mogelijke manieren zijn antwoorden gegeven. Maar had hij er zelf (daar is het woordje weer) enige notie van wie zijn lezers waren? Kende hij ze? Een aantal wel. Vogelaar heeft heel wat boeken van een gedrukte opdracht voorzien.

Ik som ze op: parterre, en van glas (1965): ‘aan irmi’; De komende en de gaande man (1965): ‘met name voor: Guido F.’; Anatomie van een glasachtig lichaam (1966): ‘voor i.d.’; Gedaanteverandering of ’n metaforiese muizeval (1968): ‘i.m. M.’; Het heeft geen naam (1968): ‘für Bibo’; Raadsels van het rund (1978): ‘Voor Babet’; Het geheim van de bolhoeden (1986): ‘Voor Klara’; Terugschrijven (1987) was zoals gezegd ‘Voor mijn vrienden van Lektuur’; De dood als meisje van acht (1991): ‘Voor mijn moeder en mijn dochter’; Weg van de pijn (1994): ‘Ter nagedachtenis aan Mia Meijer, die van “Weg van de pijn” een film had zullen maken’. Er is er nog eentje, in een van zijn nu overal op chaotische stapeltjes liggende werken, ik weet niet meer welk. Het is opgedragen aan de nagedachtenis van Daniël Robberechts, in wiens nalatenschap Vogelaar huis heeft gehouden, daarover heeft hij wel eens verteld.

Opdrachten zijn een geheimzinnige tekstsoort, in hun zowel persoonlijke als semi-publieke . aanwezigheid. Horen ze bij het werk? Ik vind van wel. Voor wie Vogelaar een beetje kende, is het geen geheim dat de Klara aan wie hij zijn enige kinderboek opdroeg zijn dochter was. Deze dochter is, versleuteld en wel, thematisch een centrale aan- zowel als afwezige in Vogelaars middelste dichtbundel, Klaaglied om Ka (1997). De Babet aan wie het op één na omvangrijkste werk uit het oeuvre werd opgedragen is de andere ouder van Klara. Wie irmi, Guido F., i.d., M. zijn? Geen idee. Moet een lezer dat weten, wil een lezer dat weten, schiet een lezer daarmee op?

Het is maar een onderdeel van de vraag naar het belang van een biografie. Wat mij betreft, ik zou er graag een tot stand zien komen. Ik hoor bij de lezers die de tweede helft van zijn oeuvre het meest waarderen, om het zo maar eens te zeggen. Maar het veelzijdige geheel dat Vogelaar was, jawel, ook als mens, jongen, (klein-)seminarist, vader, ega, vriend, bestuurslid van het Fonds voor de Letteren, lezer en schrijver, redacteur, vertaler, criticus, dichter, essayist, prozaïst, veertig jaar lang, van de beruchte experimentele jaren zestig tot het eind van het eerste decennium van de huidige eeuw, met zijn niet eindigende nieuwsgierigheid – ja, een goeie biografie van deze gedaanteverwisselaar, deze Proteus, zou ik graag lezen.

De biograaf in spe heeft een gigantisch werk te verzetten, dat is waar. Het is alleen al fysiek onmogelijk om alle leesarbeid die Vogelaar verricht en verwerkt heeft nog eens over te doen; hij las zelf al voor twee. Nou ja, daar moet de biograaf maar wat op vinden. Ik zou in elk geval een beschouwing verwachten over sarcasme als stijl – zo niet levensvorm. En eentje over hoe Vogelaar schreef op de huid van de rijkdom aan vaak doodgewone zegswijzen, in feite als een dichter, zij het niet allereerst voor het mooi, maar om het denken op snelheid te krijgen. Ik weet wel dat het makkelijker is om een biografie te bestellen dan om er een te schrijven.

Desalniettemin: aan het werk, zoals de eerste directeur van De Bezige Bij placht te zeggen.

Nicolaas Matsier is schrijver en essayist