Politieke correctheid onder Amerika’s studenten

Anatomie van een opstand

Op Amerikaanse universiteiten kreeg Black Lives Matter afgelopen herfst navolging in de vorm van een protestbeweging van hypergevoelige studenten. Al snel raakte de beweging verstrikt in haar eigen slachtofferrol.

Medium ap398411213715

Het is altijd kalm in het oog van de storm. Maar het blijft vreemd om rond te lopen in het hart van een groot nieuwsverhaal, waar achter de rug van de camerateams, en 99 procent van de tijd, een wat slaperige rust heerst. Toch was dat het geval aan de Amerikaanse universiteit waar ik afgelopen herfst les gaf, de Universiteit van Californië in Los Angeles (ucla). Het was daar, zoals dat heet, af en toe ‘onrustig’, en de ucla haalde soms het landelijke nieuws, net als een reeks andere universiteiten. ‘Racial Tensions and Protests Across the Country’, kopte The New York Times begin november. Op Boston College, Oberlin, Arizona State, Yale, Michigan, Occidental, ucla, Oklahoma, Missouri, om maar een greep te doen, vonden bezettingen, protestmarsen en verstoringen van colleges en ceremonies plaats. Op andere universiteiten werd geprotesteerd uit solidariteit.

Het werd al snel een nationaal en daarna een internationaal nieuwsverhaal. ‘Volgens mij voelen studenten dat ze deel zijn van iets groters dan hun eigen bestaan’, zei de decaan van Yale College in The New Yorker. ‘Met al deze protesten die plaatsvinden door het hele land – ze voelen volgens mij dat ze leven in een speciaal moment. Er heerst een gevoel van opwinding.’

Maar het succes van de campusbeweging is omgeslagen in een backlash tegen een cultuur van slachtofferschap en overgevoeligheid. Weg zijn de opwinding en het momentum. Weg is de energie van de campusbeweging die verrassend fel opvlamde, maar die ook snel weer uitdoofde. Daar lagen een paar incidenten aan ten grondslag, pyrrusoverwinningen, twijfel over de beoogde doelen en het belangrijkste: het verlies van de steun van geïnteresseerde studenten en docenten op de campus.

De onrust aan ucla begon een paar weken na het begin van het semester, toen twee studentenverenigingen een feest gaven met als thema ‘Kanye West/Kim Kardashian’, naar de hiphopper en de beroepscelebrity, en Amerika’s opvallendste echtpaar. De Afrikan Student Union (asu), de vereniging van Afrikaans-Amerikaanse studenten aan ucla, was hier woedend over. asu-leden schreven op sociale media hoe ze hadden gezien dat op het feest de ‘zwarte cultuur werd bespot’ doordat de dispuutsleden zich hadden uitgedost ‘met wijde broeken, gouden kettingen en grote nep-billen’ (Kim Kardashians opvallendste lichaamsdeel).

De voorzitter van de asu zei ook feestgangers met blackface te hebben gezien: een zwart geschminkt gezicht dat nu geldt als ernstige racistische provocatie. De studentenverenigingen ontkenden dat met klem, en ook op uitgelekte foto’s van het feest stond niemand met blackface. Wel als hiphopper of mijnwerker (‘golddigger’) verklede studenten (waaronder ook gekleurde studenten), en meisjes met geschminkte ringbaardjes.

Nog met een bijna volledig Hollands referentiekader dacht ik dat deze storm snel in het glas water zou gaan liggen. Wie verwacht er nou iets anders van studentenverenigingen dan domme, foute feestjes? Bovendien: wat had de universiteit er verder mee te maken? Ik had er niet meer naast kunnen zitten.

Een paar dagen later protesteerde de asu op de campus, onder de slogans ‘Black Bruins Matter’ (‘Bruin’ is de bijnaam voor ucla-studenten) en ‘Our Culture is Not a Costume’. Dit feest was voor hen een bewijs van een diepgewortelde cultuur van alledaags, nonchalant racisme aan ucla. Onder aanvuring van de asu groeiden de protesten, en ze bleven maar groeien. De campuskrant schreef soms over weinig anders: nieuwsupdates, opiniestukken over racisme aan ucla, excuses van bestuurders, beloften om nóg meer te doen tegen racisme. Slechts eenmaal verscheen er een afwijkende mening. Een Armeens-Amerikaanse studente wees erop dat Kim Kardashian niet zwart was maar etnisch Armeens, en dat geen enkele Armeens-Amerikaan Kardashians billen en kleding synoniem acht met ‘Armeens-Amerikaanse cultuur’ en zich aangevallen voelt wegens bespotting. Het leidde tot een golf van boze reacties en een sociale-mediacampagne die eiste dat zij van de universiteit werd gestuurd.

#BlackBruinsMatter bereikte steeds meer mensen online, tot uit de hele VS sympathisanten hun walging over ucla uitspraken. Dat er feestende studenten met blackface waren geweest, werd zonder meer als feit aangenomen, ook in de regionale en landelijke media die het verhaal oppikten. In oktober moest een arrestatieteam uitrukken nadat een 31-jarige man op Facebook had aangekondigd dat hij naar ucla zou gaan om ‘the first black (school) shooter’ te worden.

Medium hh 51553365

Nog steeds was dit verhaal vrijwel onzichtbaar op de rustige, bijna tamme campus, tot het bestuurskantoor op een middag werd bezet. Een stuk of vijftig studenten hadden zich op het centrale plein van de universiteit verzameld, in het zwart, onder rauwe, harde hiphop. Er waren veel verwijzingen naar de Black Panthers en Black Power, gebalde vuisten en T-shirts met opdrukken van wapens, maar ook toespraken over pijn en onveiligheid – een mengeling van strijdbaarheid en kwetsbaarheid die in allerlei vormen terugkwam. Toen de vijftig begonnen te lopen, sloten honderden studenten zich aan.

De enige student die ik herkende was een hoogblond, slim meisje uit mijn History of the Netherlands Since 1500. Ze was afkomstig uit een extreem rijke gemeente aan de kust en wekte de indruk een zeer beschermde jeugd te hebben gehad. ‘There’s literally fascism in this country. But really’, zei ze toen ik haar vroeg waarom ze boos was. Dat zag je bij Donald Trump en aan allemaal andere dingen. Ze leek meer te protesteren tegen dat hele conglomeraat van vooroordelen dan tegen dit feestje alleen. Haar vriendinnen zagen het net zo.

Voor het bestuursgebouw wachtte ucla’s vice-kanselier voor Gelijkheid, Diversiteit en Inclusie, Jerry Kang, als Aziatisch-Amerikaan lid van de enige etniciteit die niet ondervertegenwoordigd is aan de universiteit. Hij had verrassende woorden, tenminste voor mij. ‘Mijn hart is gebroken door dit incident’, zei Kang, hand op de borst. En: ‘Het is één ding om te doen alsof je eigenlijk focust op een celebrity die Afrikaans-Amerikaan is, maar iets anders om dat als vrijbrief te gebruiken om elk attribuut, elk stereotype, elke groteske imitatie uit te beelden.’ Hij werd luid toegejuicht.

Later zou de asu een lijst met tien eisen aan de kanselier presenteren, waaronder een fonds van dertig miljoen dollar voor zwarte studenten en de bouw van een goedkoop studentenhuis, uitsluitend toegankelijk voor Afrikaans-Amerikanen. Dit was nodig, schreef de asu, om een ‘veilige omgeving te creëren voor zwarte studenten’, die aan ucla ‘voortdurend het doelwit zijn van racistische aanvallen door medestudenten, docenten, en universiteitsstaf’. De asu gaf acht voorbeelden van racisme uit de voorgaande zes jaar, variërend van de verkoop van een voor Mexicanen beledigend T-shirt in een ucla-winkel, een YouTube-video waarin een studente klaagde over bellende Aziaten in de bibliotheek, een boek van een ucla-professor die betoogde dat positieve discriminatie van zwarte studenten hun kansen op succes schaadt, en een racistische sticker bij het asu-lokaal.

Het is niet meteen een lijstje waar de tranen je van in de ogen springen, zeker niet in vergelijking tot het grove politiegeweld waar Black Lives Matter tegen ageerde, de beweging waar Black Bruins Matter zich aan spiegelde. Toch was ucla hierin hetzelfde als andere universiteiten waar het deze herfst broeide: telkens ging het om kleine aanleidingen, die toch veel frustratie losmaakten en veel steun en aandacht kregen. Deze protesten voedden elkaar en refereerden aan elkaar, tot er opeens een nationale campusbrand leek te woeden.

De ‘zwarte cultuur werd bespot’ doordat mensen zich hadden uitgedost ‘met wijde broeken en grote nep-billen’

Die kleine aanleidingen waren ook niet de echte steen des aanstoots. Dat was een cultuur waarin racisme niet wordt uitgesproken maar wel subtiel aanwezig is, of in ieder geval door zwarte studenten wordt beleefd: in de blikken van andere studenten, in bewuste en onbewuste aannames over wat iemands plaats is in de maatschappij, in de ernst waarmee de universiteit hun klachten neemt.

Onzichtbaar racisme bestaat zeker op universiteitscampussen. Zo werd een jaar geleden een studentenvereniging uit Oklahoma gefilmd terwijl de leden zongen dat je een ‘nigger’ best mocht ophangen aan een boom. Een van de jongens die zichtbaar in beeld kwamen, verklaarde het lied te hebben geleerd op een jaarlijkse bijeenkomst van studentendisputen. Die disputen zijn vaak nog gesegregeerd en hun dronken leden zeggen of doen soms dingen die normaal onuitgesproken of binnenskamers blijven.

Toch is racisme op de campus een lastig issue. Het subtiele racisme dat zwarte studenten van verschillende universiteiten beschreven in opinieartikelen en blogs ging om het stilvallen van gesprekken als ze langslopen, het pas laat bij studiegroepjes worden gevraagd, het vergeten van hun naam door docenten. Kortom: racisme dat afhangt van de interpretatie van sociale situaties die ook andere verklaringen kunnen hebben. Het is nooit hard te maken, en de ernst van zulk ervaren racisme wordt daarmee automatisch een geloofskwestie voor anderen die het niet ervaren. Op Amerikaanse universiteiten is die ‘geloofsbereidheid’ veel hoger dan elders.

Daar kwam afgelopen herfst nog een extra katalysator van protest bij: het succes van Black Lives Matter. De belangrijkste Amerikaanse burgerrechtenbeweging van dit moment kwam in 2014 op, nadat een politieagent in Ferguson, Missouri, een zwarte jongen had doodgeschoten. In de maanden erna waren er regelmatig rellen in Ferguson; nieuwe voorbeelden van politiegeweld tegen zwarte Amerikanen kregen veel aandacht in de hele VS en daarbuiten. Het zette een breed debat in gang over racisme in de VS dat begrippen als white privilege gemeengoed maakte, zwarte intellectuelen als Ta-Nehisi Coates tot opinieleiders deed uitgroeien, en nieuwe actiebereidheid tegen racisme losmaakte – op straat, in de media, op universiteiten.

Black Lives Matter drong zo door op de campus. Op de Universiteit van Missouri gaven activisten uit Ferguson zelfs direct advies aan studenten. De protesten daar begonnen zoals overal: in sociale media. Een jongen schreef na de zomervakantie op Facebook hoe een paar mannen in de laadbak van een pick-uptruck (lees: white trash) racistische beledigingen riepen. Een paar weken later liep een witte, dronken student een podium op waar een koor van zwarte studenten oefende voor de jaarlijkse Homecoming-parade. Toen ze hem na wat gedoe van het podium af werkten, mompelde hij volgens hen: ‘These niggers are getting pretty agressive with me.’ Beide malen ‘ontplofte’ Twitter.

De woede richtte zich op universiteitspresident Tim Wolfe die volgens de activisten racisme op de campus op z’n beloop liet. Hij sprak af en toe zijn walging uit als er wat gebeurde, maar liet het daarbij; geen actieplannen, geen extra geld voor racismebestrijding. Het hielp niet dat Wolfe al langer doelwit was van progressieve woede nadat hij subsidie aan de campuskrant had gestopt, een anti-racismecampagne had afgeschaft en de banden met een abortuskliniek had verbroken.

Half oktober stelde de actiefste protestgroep een lijst met eisen op voor Wolfe. Eis 1: dat hij in een handgeschreven brief excuses maakte en zijn ‘white male privilege’ erkende. Eis 2: dat hij aftrad. En nog zes andere eisen, waaronder de verplichting voor alle studenten, staf en docenten van ‘Mizzou’ om een ‘omvangrijk raciaal bewustzijn en inclusie-curriculum’ te doorlopen, onder toezicht van een bestuur van gekleurde studenten en stafleden.

Begin november vond de parade plaats. Die werd verstoord door in zwart gestoken activisten met megafoons en banieren. Zij blokkeerden de open limousine waarin een chauffeur Wolfe rondreed. De volgende dag claimde een van de activisten, Jonathan Butler, te zijn aangereden. Op video’s leek hij expres met zijn scheenbeen tegen de stilstaande wagen aan te lopen. Maar hij ging in hongerstaking en eiste dat Wolfe aftrad. Steeds meer mensen namen het Wolfe kwalijk dat er verdeeldheid heerste op de campus en dat heel Amerika virtueel begon mee te kijken. Toen ook de zwarte footballspelers van het universiteitsteam (zoals overal het leeuwendeel van de selectie) een wedstrijdboycot afkondigden, begon Wolfe te excuseren en te lijmen. Te laat. Een dag later kondigde hij zijn vertrek aan.

Opeens was de campusbeweging landelijk nieuws. Mediabusjes met satellietverbinding parkeerden langs campussen, weekbladen als The Atlantic stuurden hun schrijvers op pad, nieuwssites boden overzichten van waar werd geprotesteerd en wie zich solidair had verklaard. Nog steeds waren de meeste campussen dezelfde kalme, zelfs tamelijk saaie pleisterplaatsen als altijd, maar alle aandacht zorgde wel voor een enorme boost voor de protesten. Activisten wisselden tips uit en moedigden elkaar aan om zoveel mogelijk black student unions op te richten. Kleine protesten raakten verbonden met andere, kregen media-aandacht en groeiden verder uit. Het progressieve momentum leek niet te stoppen.

Activisten legden pakketten met eisen neer die volledig moesten worden ingewilligd; overal probeerden universiteitsbesturen tijd te rekken terwijl ze met dure consultants strategieën uitstippelden. Online debatteerden activisten over volgende stappen, over ‘disruptie’. Er leek iets groots in de lucht te hangen. De studenten die ik sprak zeiden zonder uitzondering ‘benieuwd’ te zijn naar wat er ging komen – en leken ook bereid om daaraan bij te dragen.

Als uitwisselingsdocent had ik me voorgenomen om me niets aan te trekken van trigger warnings en in heldere taal les te geven in Nederlandse geschiedenis, inclusief holocaust, slavernij, Indonesië en Mohammed B. Maar in november was het duidelijk dat dat riskant en naïef was. ‘Zorg dat je niet een doelwit wordt. Niemand komt je redden als je ze achter je aan hebt’, zei een collega. Toen ik me beklaagde over de schizofrenie van lesgeven met een virtuele meute die direct gemobiliseerd is als je iets verkeerds zegt, moest hij lachen. ‘Je hoeft het niet eens te zeggen’, zei hij. ‘Je hebt maar één student nodig die zegt dat je iets hebt gezegd.’ En verdomd, voor ik het wist stond ik te zweten voor een volle zaal en te denken aan de collega van ucla die twee jaar eerder in de problemen was gekomen toen hij in een paper de hoofdletter van het woord ‘Inheems’ had aangestreept als grammaticaal fout.

En toen liep het protest van de rails. Ik heb me altijd al verbaasd over de onstuitbare neiging van Amerikaanse progressieven tot zelfmutilatie: de neiging om reële grieven – bijvoorbeeld over de lage percentages zwarte studenten en docenten aan universiteiten – op te hangen aan klein grut en flauwekul zoals de spelling van ‘Inheems’, die zo overduidelijk de eigen zaak schaden. Maar de energie van november zocht doelwitten en vond die – niet op één campus, maar op een hele reeks – in precies dat soort klein bier.

Het meest in het oog liep het elitaire Yale. Daar had de universiteit studenten in een e-mail gevraagd bij het naderende Halloween geen kostuums aan te trekken die anderen kwetsend konden vinden. Dat ergerde een docente, die samen met haar man Master (een soort mentor) was van een van Yale’s colleges. De docente was ontwikkelingspsycholoog en haar stokpaardje was dat volwassenen kinderen en jongeren altijd betuttelen en belemmeren om vrij te zijn. Zij schreef een voorzichtige mail, waarin ze haar studenten op het hart drukte om zich niet door volwassenen te laten voorschrijven wat mocht, en er onderling uit te komen wat door de beugel kon op Halloween.

Ze schreef onder meer: ‘Als je iemands kostuum niet leuk vindt, kijk weg, of zeg die persoon dat je beledigd bent. Praat met elkaar.’ Een aantal studenten las daarin dat ze zelf politieagent moesten spelen, of racisme maar moesten slikken. Honderden tekenden een petitie om de docente te ontslaan, het universiteitsblad stond bol van woedende inzendingen. Uiteindelijk nam ze ontslag.

‘Je hoeft het niet eens te zeggen. Je hebt maar één student nodig die zegt dat je iets hebt gezegd’

Los Angeles had een soortgelijk geval: aan Claremont McKenna College (cmc) bood een decaan de anti-racismebeweging herhaaldelijk haar hulp aan, maar gebruikte ze een fatale woordkeus waar een studente racisme in las. Na een storm van woede moest ze opstappen. Mijn kamergenoot aan ucla zag het met bitterheid aan. Hij gaf ook les aan Occidental College, waar actievoerders het bestuursgebouw van de universiteit hadden bezet en het ontslag van de president eisten. Aanvankelijk had hij actievoerders gesteund die demilitarisering van de zwaarbewapende campuspolitie wilden en andere in zijn ogen redelijke eisen stelden. Maar na een week op een ‘bezette’ campus nam hij me mee de kroeg in om stoom af te blazen.

‘Er is helemaal geen bezetting op Occidental, alleen een toneelstuk’, zei hij, gezeten aan de tafel waar de minste hinder was van de vele tv-schermen met sport. ‘Het bestuursgebouw werd speciaal voor de gelegenheid vrijgemaakt, met zorg voor benodigde faciliteiten. De universiteit verzocht alle docenten per e-mail om ervoor te zorgen dat er geen enkele negatieve consequentie was voor studenten die lessen misten. Er was nul risico.’

Over ‘raciale spanningen’ was hij even bitter. ‘Werkelijk álle docenten die ik erover spreek zeggen hetzelfde: er is helemaal geen diepgeworteld racisme op Occidental of ucla. Universiteitscampussen zijn de meest antiracistische omgevingen die er in de VS bestaan. Maar niemand zal het zeggen. Sterker nog: als je er met collega’s over praat, kijken ze eerst over hun schouder voor ze spreken, ook de zwarte collega’s. Want huidskleur maakt je niet vrij, voor je het weet ben je een Uncle Tom.’

Bij zijn tweede bier praatte hij bijna non-stop – hij excuseerde zich dat het hem zo hoog zat. ‘De demonstranten aan Occidental hadden zich naar ras verdeeld: zwarte studenten binnenin, met “witte bondgenoten” eromheen om hen tegen racistisch geweld te beschermen, geweld dat er gewoon niet is. Na een paar dagen werd seksueel geweld een steeds sterker thema. De demonstranten claimden dat op Occidental “de structuren van seksueel en raciaal geweld samenvallen”. Dat moet logisch gezien betekenen dat er op grote schaal zwarte vrouwen worden aangerand door witte mannen. Ik heb in al mijn jaren op Occidental nog nooit over zo’n geval gehoord of gelezen, niet één. En dat stoort me zo: als er zulk racisme en geweld is, dan wil ik er graag tegen strijden. Maar het is alsof de precieze feiten er niet toe doen.’

Een aantal keren vroegen studenten hem om hun petitie te ondertekenen om de president te ontslaan, vertelt hij. ‘Ze zeiden dan: “Professor, het zou heel veel voor ons betekenen als u tekende.” Ik zei dan: “Oké, in principe steun ik jullie graag. Maar een ontslag heeft mogelijk grote gevolgen voor iemands leven, dus kunnen jullie mij eerst bewijs geven dat hij de racistische structuur van de universiteit heeft ondersteund? Dan teken ik graag.” Ze keken me dan meestal compleet blanco aan, en herhaalden het gewoon. “Maar professor, het zou echt veel voor ons betekenen.”’

Het herinnerde hem aan de strenge religie van zijn jeugd: ‘Het is voor veel anti-racismedemonstranten op zichzelf al goed om te geloven in een zeer racistische omgeving met heel veel incidenten. Vragen naar de precieze feiten is een teken van twijfel en dus op zichzelf al slecht. Ik schreef een opinieartikel voor de Los Angeles Times over de fictie van “raciale spanningen” aan ucla, het cmc en Occidental, waarover de krant steeds studenten citeerde zonder enige check of kritische vraag. Iedereen die me een goed hart toedroeg, raadde me af het in te sturen. Het deed me pijn om ervan af te zien. Want de waarheid moet ertoe doen.’

De campusbeweging zou niet wegsmelten door een opinieartikel of relevante feiten, maar door zelfdestructie. ‘Yale’ was een dure overwinning. De universiteit werd op dat moment toevallig voor het eerst geleid door een Afrikaans-Amerikaan, de historicus Jonathan Holloway. Hij probeerde in The New Yorker uit te leggen wat de zwarte studenten bewoog die protesteerden op zijn universiteit. ‘Je hoort veel pijn over het gevoel steeds te worden gemarginaliseerd. Ze pikken dat gevoel voortdurend op uit verschillende stimuli, van popcultuur tot lesstof, en van medestudenten die niet op waarde schatten wat ze doen, of ze voelen dat ze er niet thuishoren. Er komt veel samen.’

Maar de buitenwereld zag in het voorval aan Yale vooral aanstellerij van studenten die aan een van de meest prestigieuze universiteiten van de wereld studeerden, wonend in studentenhuizen met verantwoorde maaltijden, computerlabs, Steinway-piano’s, indoorzwembad en filmzaal. In de campuskrant schreef een studente hoe de e-mail vele ‘levens had verstoord’: ‘Ik heb vrienden die niet meer naar lessen gaan, hun huiswerk niet meer doen, die niet meer slapen, maaltijden overslaan, inzinkingen hebben.’ En, in een breed bespotte zin: ‘Ik wil niet in debat. Ik wil praten over mijn pijn.’ Vrijwel alle media legden een verband met het veelbesproken artikel The Coddling of the American Mind in The Atlantic van afgelopen september, waarin werd betoogd dat Amerikaanse studenten hypergevoelig zijn geworden voor alles wat schokkend of zelfs maar ongemakkelijk is, en bescherming eisen tegen alles wat hun wankele emotionele stabiliteit kan bedreigen.

Na hun centrale rol in het aanjagen van de campusbeweging stonden sociale media nu ook aan de basis van de ondergang ervan. De overdrijving aan Yale stond op video’s, die werden gepost op YouTube. Daarop zijn woedende studenten te zien in een confrontatie met de man van de docente die de omstreden mail schreef. Hij herhaalt steeds dat hij de studenten begrijpt, maar het recht van zijn vrouw verdedigt om te zeggen wat ze vindt. Uiteindelijk gaat een studente door het lint. ‘Hou je kop! Jij zou niet moeten slapen ’s nachts! Je bent walgelijk!’ schreeuwt ze. Al snel heette zij de ‘shrieking girl’.

Alsof de duivel ermee speelde dook ook uit Missouri zo’n pijnlijke video op. Daar hadden activistische studenten een tentenkamp opgeslagen dat een ‘safe place’ moest zijn, vrij van racisme en ander kwaad. Dat betekende: geen media. Maar een student die werkte voor espn wilde toch foto’s maken. Hij werd door de protesterende studenten fysiek geblokkeerd, beledigd, geïntimideerd, geduwd, bedreigd. Als klap op de vuurpijl dook een docente op, als roodharige furie, die opriep tot meer ‘spierkracht’ tegen de fotografen.

Deze video’s toonden de campusprotesten niet als een kwetsbare, moedige beweging van machtelozen, maar als een agressieve, onredelijke en onverdraagzame sekte. Conservatieve media hadden een field day, maar ook mainstream media werden kritisch. Op blogs en studentenfora verschenen voor het eerst, na wekenlange stilte, afwijzende geluiden over de campusbeweging. In sociale media begonnen sommige zwarte activisten zich af te keren van wat ze zagen als de diefstal van Black Lives Matter door verwende studenten.

Al gauw begon de backlash tegen de campusbeweging. Jonathan Butler, de hongerstaker uit Missouri, werd genadeloos gefileerd als het papkind van een spoorwegdirecteur met een vermogen van twaalf miljoen. De shrieking girl probeerde zichzelf vertwijfeld te wissen van internet, Facebook, Twitter en LinkedIn.

De campusprotesten kwamen in het licht te staan van Robert Hughes’ twintig jaar oude boek Culture of Complaint, waarin hij voorspelde dat de VS ‘steeds meer ten prooi zouden vallen aan een geïnfantiliseerde cultuur van slachtofferschap’. Of van het ook uit de jaren tachtig stammende The Closing of the American Mind van Allan Bloom, die de oprukkende politieke correctheid gelijkstelde aan een afnemend vermogen tot vrij en kritisch denken.

De campusprotesten werden zo vooral een geweldige gemiste kans. Want racisme in de Verenigde Staten bestaat. Op straat, in de hoofden van mensen, in bewuste en onbewuste aannames over mens en samenleving. Dat de campusprotesten van de afgelopen herfst verzandden in overgevoeligheid en overdreven identiteitspolitiek zal het gevecht daartegen niet helpen.


Beeld: Studenten demonstreren op de campus van Missouri University, Columbia, 2015 (DANIEL BRENNER / AP )