Dirk van Weelden. Het laatste jaar

Anatomie van een vriendschap

Na het lezen van Dirk van Weeldens autobiografische roman over zijn overleden vriend Martin Bril rijst de vraag: wie van de twee heeft het monster nu écht het meest in de bek gekeken?

Dirk van Weelden, Het laatste jaar, € 19,95
e-book, € 15,99

Een onverbeterlijk schrijver, dat is Dirk van Weelden in zekere zin. Al decennia timmerend aan een hoogst idiosyncratisch oeuvre, in ieder geval niet zichtbaar uit het lood te slaan door verkoopcijfers, naamsbekendheid of literaire waardering, of de afwezigheid van dit alles. Ik heb lang niet alles van hem gelezen, maar wel het een en ander, en dat trof me dan in zijn bondigheid. Misschien zocht ik die boeken ook wel uit op hun omvang, een beetje beducht voor de breedsprakigheid die hij in het gewone verkeer aan de dag legde, zoals ik bijvoorbeeld zag in het televisieprogramma Zeeman met boeken, en vooral voor de tomeloze wereldontsluieringsdwang die achter de woordenvloed schuil leek te gaan.

In 1994 publiceerde hij een zogenaamde biografie, die geheel tegen de wetten van dat genre in, heerlijk beknopt en intrigerend open was. In Antonius Servadac vertelde Van Weelden het verhaal van het leven en werk van een jonge schrijver aan de hand van gesprekken met diens vrienden en familie, en met behulp van brieven, dagboeken en nagelaten literair werk. Op die manier probeerde hij het portret te schetsen van ‘een man die erop uit leek zijn leven en dat van zijn vrienden al schrijvend te slopen, in de hoop op een schoon en nieuw begin’. Wat dreef hem? Hoe stierf hij? Hoe gewetenloos kan een schrijver zijn in het oprakelen van ongewenste gebeurtenissen? Van Weelden drong in deze novelle steeds verder door in een leven dat niet het zijne was, maar het wel had kunnen zijn. Behalve als biograaf wierp de schrijver zich op als pleitbezorger en schatbewaarder van het werk van Servadac, die het niet verdiende zomaar in de vergetelheid weg te zakken. Dat die hele Servadac een bedacht personage was, deed er in feite niet toe. Het ging om een spel met het biografische genre, zoals ook Het werkelijke leven van Sebastian Knight van Nabokov dat is, of Flaubert’s Parrot, van Julian Barnes. Weer helemaal anders, maar toch.

Saillant, in verband met de roman waarmee Van Weelden nu meer aandacht dan ooit trekt, is de definiëring van de biograaf in het voorwoord van Antonius Servadac als zijnde ‘een kunstenaar onder ede’; zijn literaire verbeelding mag hij wel gebruiken voor de manier waarop hij het leven van zijn onderwerp presenteert, maar niet voor de feiten waaruit het bestaat.

In Het laatste jaar stelt Van Weelden zich weliswaar niet op als biograaf van Martin Bril, zijn vroegere kompaan, maar hij vertelt wel zoveel over hem, op tamelijk onomwonden wijze, dat dat ‘onder ede’ voortdurend door mijn hoofd speelde. Je kunt zeggen dat Het laatste jaar een roman is, het staat er ook op, de personages hebben andere namen, en er wordt een nadrukkelijk literair vertelperspectief gehanteerd. Maar was het ook een interessante roman geweest als hij niet zo direct gebaseerd was op de vriendschap en samenwerking van de schrijver met Martin Bril? Het is een vergelijkbare vraag als werd gesteld bij het verschijnen van IM van Connie Palmen, haar requiem­roman over Ischa Meijer. In het boek dat deze week verschijnt van zijn dochter, Jessica Meijer, schrijft zij over de schok die de publicatie van IM voor haar teweegbracht. Opeens las ze, door de ogen van een ander, haar eigen belevenissen met haar vader terug. In eerste instantie voor haar aanleiding een tijdlang ieder contact met ‘Connie’ te mijden.

Martin Bril is vier jaar geleden overleden, maar voelt nog wel zo levend en nabij dat het moeilijk is niet aan zijn dochters te denken bij het lezen van Het laatste jaar. Van Weelden schetst een tamelijk ontluisterend portret van een schrijver die zichzelf – en zijn vroegere vriend – ontrouw is geworden, een rusteloos en ongelukkig bestaan leidde, ongelukkig over zichzelf de dood tegemoet ging en zichzelf nooit echt de tijd gunde om bij leven en welzijn ook van dat leven en welzijn te genieten. Met vrouw en kinderen welteverstaan. Aan Van Weelden, David geheten in het boek, vertelde hij dat hij slechts heel af en toe harmonie en vrede ervoer, ‘op verloren momenten, als hij op een mooie plek zat te schrijven en aan zijn vrouw en dochters dacht, die even weg waren om iets leuks te doen en hem lieten werken’.

Tegelijkertijd is dit ook weer niet echt iets uitzonderlijks of verbazingwekkends – zo gaat dat in een leven waarin iets uit het niets gecreëerd moet worden. Dat kan niet anders dan met frustratie, onrust en bezetenheid gepaard gaan. Met terugwerkende kracht groeit het respect voor Bril, die een imago van zichzelf wist te maken, om niet te zeggen een merk, dat bij zoveel lezers in de smaak viel, bewondering opriep, aftrek vond. Daar kun je op neerkijken, wat hij zelf in zijn zwartste momenten deed, en wat Van Weelden blijkens enkele passages en formuleringen overwegend deed, maar eigenlijk komt het erop neer dat van hun jeugdige elan Bril de vertaalslag wist te maken naar de lezer, en Van Weelden niet. En niet – in het geval van Bril – door een suffe burgerlul te worden, maar door ook tegen zijn vijftigste onverminderd seks, drugs en rock-’n-roll uit te blijven stralen, zij het in een scherp gesneden maatpak. En dat dat ergens ten koste van gaat… Tja, zou ik bijna zeggen.

Het laatste jaar is een verhaal als een klassieke broedertragedie, het verhaal van de ooit-beste vriend, die samen met de betreurde Bril een daverende entree maakte in de Nederlandse letteren, en het liefst samen met hem was blijven doorschrijven. Het verdriet dat dat niet gebeurd is, sijpelt zo’n beetje van iedere pagina, en geeft deze roman ook z’n intensiteit. Waarmee de vraag of dit ook een interessante roman was geweest als hij niet direct zo te herleiden was geweest op de echte vriendschap tussen Bril en Van Weelden al een beetje is beantwoord. Zonder die duidelijke basis was het niet zo’n pijnlijke exercitie geworden. Pijnlijk voor alle partijen, beschrijver en beschrevene. Het laatste jaar is liefde, wraak, legitimatie en toe-eigening, en dit ook nog eens allemaal tegelijkertijd. Het literaire aspect is bijzaak. Oké, er is het foefje met de schrijfmachine als zogenaamde verteller. En de namen zijn verhaspeld tot anagrammen. De gezochte vorm moest misschien de directheid en de sentimentaliteit van het verhaal camoufleren. Hij had het ook niet kunnen doen, die omslachtigheid. Ik denk dat hij dan nog heel rijk had kunnen worden. Gewoon, omdat hij dan een meer onmiddellijk begrijpelijk boek van rouw had geschreven. Lezers hadden er hun zakdoek bij moeten pakken. Brent, oftewel Bril, had het wel geweten.

De begindagen van de samenwerking tussen Brent en David worden absoluut geluk­zalig beschreven. Hun manier van samenzijn: schrijvend. Dat deze twee jongens elkaar vonden, daar in Groningen, was een wonder, maar ook onvermijdelijk. Hun eerste gezamenlijke product, Arbeidsvitaminen: Het ABC van Bril Van Weelden (1987), was een sensatie, in Van Weeldens woorden: een wolk aan beelden en onderwerpen, een mengeling van jongens­achtige gewichtigheid en heldere stijl. Geen boek om echt te lezen, eerder een manifest, grap en ernst tegelijkertijd. Erna gingen de grap en de ernst ieder hun weegs. Een paar jaar na hun debuut laat Brent zich tegenover David ontvallen dat voor hem schrijven puur gereedschap is. Om met mensen om te gaan, om rustig te worden, om geld te verdienen. Eigenlijk hoopte hij op een dag van het schrijven verlost te zijn. ‘Schrijven was ergerlijk en overschat gemartel. Eigenlijk vies werk. Maar het was het enige dat hij kon, dat iets opleverde.’

David ervaart deze ontboezeming als een messteek, als een verraad aan hun gezamenlijke verleden. In zijn ogen levert Brent hiermee zich uit aan het grote, gemakkelijke geld. Jaren later, als Brent al ziek is, bedenkt David dat Brent zich toentertijd overschreeuwde. ‘Hij had lucht gegeven aan een verlangen afstand te nemen van de in zijn ogen pretentieuze, truttige en al te ernstige literaire sfeer waarin David terecht was gekomen. Een wereld die hem meewarig en argwanend bekeek. En dus zette hij het mes precies in het allerheiligste.’

Het is een cruciale passage in Het laatste jaar, een passage waarin David denkt te weten wat Brent ‘eigenlijk’ bezielde, met terug­werkende kracht. Zo scherp als hij hun beider schrijverschap neerzet, zo blind lijkt hij te zijn voor zijn neiging Brent/Bril te annexeren. Hij windt er geen doekjes om dat zijn eigen schrijverschap een strijd is, ‘tussen maximale zelf­ontplooiing en neurotische zelfkwelling’. En dat hij iedere keer denkt nu toch eindelijk geweldig te zullen gaan verkopen. ‘Ja echt, niemand weet het van tevoren, zei hij dan stralend.’ Onder­tussen leert hij zijn kinderen dat mensen die geld, een positie, roem of egomanie op de troon zetten ten koste van vriendschap en het geluk iets te maken, ‘fundamenteel niet-oké’ zijn.

Maar ja, dan acht maanden lang als een bezetene op een boek aan het zwoegen en dan tot de conclusie moeten komen dat je wereldbeeld ‘misschien geen erg boeiend verhaal’ is?

David windt er geen doekjes om Brent nodig te hebben. Tegen de tijd dat ze geen jongens meer zijn, ontstaat de onzekerheid over hun vermogen het vaderschap en het kostwinnerschap te combineren met de literatuur. Ze waren allebei bang dat ze het kwijt waren, de vonk die hen kon optillen tot grootse daden. Ik weet niet of Van Weelden het verleden romantiseert, maar hij maakt hun onderlinge afhankelijkheid scherp voelbaar. Doordat ze samen waren, werden ze productief. Juist omdat ze zo onderling verschilden, konden ze elkaar over het dode punt heen helpen. Het was uitgesloten dat het nergens op zou uitlopen: gedeeld belang verplicht.

Het laatste jaar is moeilijk te verteren op die momenten dat David, Van Weelden, te lief is voor zichzelf. Hij schrijft Brent, Bril, jaloezie toe op ‘de diepe, kinderlijke ernst waarmee David zich aan zijn twijfels overgaf en zich dan uit de nesten werkte door zoiets mafs als een schrijfmachine. Hij bewonderde de onverstoorbare trouw aan de zoektocht naar een ongrijpbaar ideaal van “vrij en zichzelf organiserend schrijven”.’

Of dit nu klopt of niet, dat doet er in feite niet toe. Wat er wél toe doet is dat Van Weelden het op cruciale momenten niet kan laten om ­zichzelf, zijn schrijvende leven, zijn worstelingen, te legitimeren via zijn gestorven vriend. ­Schrijnend genoeg komen juist de passages van Bril zelf, uit een echte brief neem ik aan, hard aan. Uit alles blijkt dat Bril ook nooit is ­opgehouden na te denken over de kunst in het algemeen, en die van hem in het bijzonder. Twee jaar voor hij ‘prozatroubadour’ werd, en ‘veel ansichtkaarten van lezers’ kreeg, in de woorden van Van Weelden, schreef hij zijn oude vriend een brief:

‘In mijn theorie van het schrijven schuilt in de herhaling de kunst, aan één verhaal heb je een leven lang genoeg. De vraag is alleen: wat is in godsnaam dat verhaal? Dat verhaal heeft met geluk te maken.’

En over zijn werk constateert hij: ‘Het gaat alleen nog maar over mezelf, en dat dan ook nog in een gelogen variant.’

Passages als deze verraden dat Bril misschien nog wel meer het monster in de bek heeft gekeken dan Van Weelden. Maar dat weet ik ook niet. Het leven is geen concurrentieslag, al lijkt het er vaak op, zeker als je ooit vrienden was en hetzelfde leek te willen.


Dirk van Weelden

Het laatste jaar

Atlas Contact,

256 blz., € 19,95