And here’s to you, Mrs. Robinson

Volgens de Zweedse Academie zou Amerikaanse literatuur te eenkennig zijn, te narcistisch. In werkelijkheid houdt het zelfonderzoek van Amerikaanse schrijvers niet op bij de particuliere grenzen; ze zoeken de Amerikaanse ziel. Maar ze hebben één blinde vlek: God.

THEO D’HAEN EN HANS BERTENS
AMERIKAANSE LITERATUUR, EEN GESCHIEDENIS
Acco, 518 blz., € 42,50

MARILYNNE ROBINSON
HOME
Farrar, Strauss & Giroux, 325 blz., € 27,99

Net toen het spannend begon te worden bedierf Horace Enghdal, secretaris van de Zweedse Academie, de pret. Vlak voordat bekend werd wie de Nobelprijs voor literatuur zou krijgen zei hij dat Amerikaanse literatuur ondergeschikt was aan Europese. Amerikanen zouden volgens hem te eenzelvig zijn, niet genoeg gericht op het buitenland. Er zouden ook te weinig Europese boeken in vertaling in de VS verschijnen. Weg spanning.
Als gevolg kelderden de Amerikaanse schrijvers bij de bookies, reageerden Amerikaanse literatoren woedend en haastte de Zweedse secretaris zich om te zeggen dat hij het ook weer niet zo denigrerend bedoeld had.
Is Amerikaanse literatuur eenkennig? Toevallig verscheen onlangs Amerikaanse literatuur, een geschiedenis, van Theo D’haen en Hans Bertens, en gek genoeg lijkt dit boekwerk de uitspraken van Enghdal te ondersteunen. In minder dan vijfhonderd bladzijden schieten D’haen en Bertens door vierhonderd jaar literatuurgeschiedenis heen. Daarmee is Amerikaanse literatuur een boek zoals het telefoonboek dat is – het is geen studie, zoals de ondertitel Een geschiedenis en/of de titulatuur van de auteurs (hoogleraar in respectievelijk Leuven en Utrecht) wellicht zouden doen vermoeden. Het is een overzichtswerk, een spinnenweb waarin zo veel mogelijk schrijvers tegen elkaar aan zijn geplakt, op basis van stilistische of thematische verwantschap. Zelf noemen de auteurs het ‘een gids’ en in die zin is het boek geslaagd; kijk naar het register, geen naam ontbreekt.
Op A.M. Homes na.
Datzelfde register laat ook de tekortkomingen van het boek zien. Toonaangevende buitenlandse schrijvers als McEwan, Pamuk, Eco, Oz, Coetzee, Houellebecq of Claudel zijn er níet in terug te vinden. Het suggereert dat Amerikaanse schrijvers nooit eens een buitenlands boek open zullen slaan, hetgeen Horace Enghdal ook al dacht. Hetzelfde geldt kennelijk voor de krant, want net zo zelden worden literaire stromingen in deze ‘gids’ aan maatschappelijke gebeurtenissen gekoppeld. Alsof literatuur een spel is van satellieten, out of orbit, die niet meer reageren op bevelen uit het aardse controlecentrum.
Dit laatste zou je overigens wel denken, op basis van het laatste deel van het boek van D’haen en Bertens (‘proza na het postmodernisme’; alles na 1980) dat deze uitspraak op redelijk empirische wijze onderbouwt. Dit deel bestaat namelijk uit een eindeloze opsomming, niet zo zeer van de schrijvers die vandaag actief zijn, maar van de boeken die ze schrijven. En daaruit kun je toch afleiden dat de grote critically acclaimed novels uit de VS vrijwel uitsluitend diezelfde VS als onderwerp hebben.
We spreken hier dus niet over stijl, of verteltradities, of al dan niet buitenlandse invloeden, of over het gegeven dat sommige auteurs uit immigrantenfamilies komen. We hebben het over de onderwerpen. D’haen en Bertens harken ze op drie hopen; allereerst is er de moral fiction, een verzameling auteurs – Richard Ford, Richard Russo, Anne Tyler, Jonathan Franzen – die in hun schrijven een waardeoordeel toekennen aan de Amerikaanse maatschappij. Ten tweede de roep van het nieuwe Wilde Westen, met schrijvers als Larry McMurty, Cormac McCarthy en Annie Proulx die de moderne frontier mentality bestuderen, die in de negentiende eeuw zo belangrijk was voor de Amerikaanse identiteit. De derde en grootste categorie is getiteld ‘Allemaal Oorlog’; nog steeds, zeggen D’haen en Bertens, zijn de Amerikaanse oorlogen de grootste gemeenschappelijke noemer als je kijkt naar de winnaars en genomineerden van de belangrijkste literaire prijzen. De Amerikaanse Burgeroorlog leverde instant klassiekers op als The March van E.L. Doctorow (PEN/Faulkner Award, 2005), Gilead van Marilynne Robinson (Pulitzerprijs, 2004) en Cold Mountain van Charles Frazier (National Book Award, 1997). Vietnam leverde The Barracks Thief van Tobias Wolff (PEN/Faulkner Award, 1985), The Things They Carried van Tim O’Brien (Pulitzer) en Tree of Smoke van Denis Johnson (National Book Award, 2006).
Het gekke is dan weer dat de Tweede Wereldoorlog in verhouding met Vietnam, de Burgeroorlog en de 9/11-boeken, er redelijk bekaaid vanaf komt. In 2005 won William T. Vollmann met zijn WO II-opus Europe Central (en dus niet Central Europe, zoals de D’haen en Bertens schrijven) de National Book Award. Verder weinig grote titels over de Tweede Wereldoorlog, terwijl die in de Europese literatuur niet is weg te denken, nog steeds niet. Is WO II dan toch te particulier Europees? De holocaust is nog wel altijd in grote mate aanwezig – in het werk van Jonathan Safran Foer, Michael Chabon en Philip Roth – maar, misschien wat plomp gezegd, er wonen nog altijd meer joden in de VS dan in Israël. Dat maakt de holocaust ook een heel Amerikaans trauma.
Juist dat wat meneer Enghdal de Amerikaanse literatuur verwijt – narcisme, zelfobsessie – geeft die literatuur iets heel vitaals: veel meer dan in Europa schrijven Amerikaanse auteurs niet om hun eigen verhaaltje te vertellen, maar om hun identiteit te onderzoeken. Het is de erfenis van een immigrantencultuur. Niet voor niets stamt de Heilige Graal der Amerikaanse letteren, de Great American Novel, uit een ideologische oproep tot culturele onderscheiding, een eigen identiteit in de kunsten. In deze hartenkreet van John William DeForest, in 1868, net na de Burgeroorlog, pleitte hij voor ‘this task of painting the American soul within the framework of a novel’. 140 jaar later geldt die oproep nog steeds. Literatuur is een identiteitsstrijd, want – hoe kan het ook anders, luister naar Obama’s retoriek – de VS zijn nog steeds niet af.
Tegelijkertijd zit er een blinde vlek in dat literaire zelfonderzoek. De meest gelauwerde romans van de afgelopen anderhalve eeuw schilderen de Amerikaanse ziel, maar die portretten zijn vooral materialistische beschrijvingen, van sociale klasse, van status, van geld of het gebrek daaraan. Wie houdt zich bezig met de spirituele welvaart der Amerikanen?
Zo kom je bij een merkwaardige paradox, die niet alleen in literatuur te zien is; de meest suikerzoete Hollywood-happy endings spelen zich af in een kerk, met een bruid in het wit voor het altaar, maar in diezelfde films zul je nooit iemand zien bidden. Hoewel de Amerikaanse samenleving steeds meer godsdienstig wordt – kerkgemeenschappen blijven groeien, religieuze tegenstellingen domineren de binnenlandse politiek – ontbreekt er één karakter in het culturele, literaire landschap. Dat karakter is God.
Natuurlijk, godsdienst is er wel, als de profane, geïnstitutionaliseerde vorm van geloof, maar dat is niet hetzelfde. Godsdienstige karakters – de hemel behoede ons! Wat een clichés zijn dat; born again christenen, rabiate Israëlische kolonisten, moslimterroristen, katholieke jongetjesfriemelaars. In het werk van Thomas Pynchon, David Foster Wallace, Don DeLillo en A.M. Homes kunnen ze nooit zonder cynisme worden opgevoerd. Zelfs zij die zonder ironie over geloof schrijven, doen dat louter op een seculiere manier. Het gros van John Updike’s karakters zijn WASP’s, White Anglo-Saxon Protestants, maar voor hen is die afkomst eerder een statussymbool dan een religieuze belevenis. Bij Cormac McCarthy is geloof vooral een moreel houvast in een gewelddadige en genadeloze wereld. Voor Michael Chabon, die toch vaak met warmte over het joodse geloof schrijft, is dat joodse niet een persoonlijke band met God, maar een band die verkruimelende families bijeenhoudt. Zelfs Philip Roth, die zich ontwikkeld heeft tot chroniqueur van de naoorlogse state of mind van Amerikaanse joden, voert religie vooral op als een verzameling culturele dwangmatigheden en nerveuze tics waar zijn personages zich van moeten bevrijden, zoals een ontsnapte gek van zijn dwangbuis.
Als iemand zich moet ontfermen over de spirituele status van Amerika, laat het dan Marilynne Robinson zijn. Robinson (1943) is protestants maar niet dogmatisch, ze is gescheiden en woont alleen, in een klein dorpje in landelijk Iowa, precies zo’n dorpje waar Gilead zich afspeelde, de roman waarmee ze in 2004 de Pulitzerprijs won. Gilead, vernoemd naar de ‘plek van getuigenis’ (Genesis 31:21), draait om de bespiegelingen van de hoogbejaarde eerwaarde John Ames, die hij in 1956 opschrijft voor zijn nageslacht, over zijn familiegeschiedenis. Elk karakter in de familie heeft zijn eigen band met God; de grootvader verliest een oog in de Burgeroorlog, en voelt zich daardoor verbonden met het hemelse, alsof dat oog alvast in het hiernamaals is.
Het boek kon gelezen worden als een preek vol verdraagzaamheid, van vergiffenis, geschreven in een vriendelijke, warme stem. In Robinsons eerste roman, Housekeeping (1980), was het spirituele aspect nog onderdrukt. Het huishouden uit de titel was niet alleen letterlijk bedoeld, maar doelde juist op de bescherming van het spirituele huishouden van twee zusjes die van voogd naar voogd gaan. Toen het manuscript van Housekeeping bij de prestigieuze uitgeverij Farrar, Straus & Giroux terechtkwam, werd de schrijfster door een enthousiaste redacteur opgebeld met de mededeling dat ze het graag wilden uitgeven, maar dat Robinson niet moest verwachten veel recensies te krijgen. Geloof is geen populair fictie-onderwerp. Onzin, zo bleek. Housekeeping won de PEN/Hemingway Award, een belangrijke debutantenprijs.
Gilead, Robinsons tweede roman, liet 24 jaar op zich wachten. Het dit jaar verschenen Home is niet het vervolg op Gilead, het is de broer. We keren terug naar het dorpje in dezelfde tijd, en zien de gebeurtenissen nu niet door de ogen van Ames, maar door die van Glory Boughton, de dochter van Ames’ beste vriend. In Gilead draaide de emotionele actie erom of Ames Jack, de zoon van Boughton, kon vergeven als deze terugkeerde, nadat hij ooit zijn familie als een steen had laten vallen.
In Home kijkt Glory van een afstandje toe hoe Jack zijn vader en Ames aanspreekt over predestinatie. Zijn er mensen die vanaf hun geboorte voorbestemd zijn om te zondigen? Ames denkt dat de jongen hen in de maling neemt en raakt geïrriteerd. Maar voor de lezer wordt het duidelijk dat Jack zich oprecht afvraagt of hij zich ooit wel in de gratie van God heeft bevonden, of dat hij voorbestemd is voor het vagevuur.
Glory bidt herhaaldelijk in het boek, en hoewel het haar weinig troost lijkt te bieden (ook zij is verlaten door haar man) twijfelt ze nooit aan haar geloof, ‘that thrilling quiet of which she never felt any need to speak’. Via haar vindt Robinson in de dagelijkse dingen transgressie naar het hogere, of zoals eerwaarde Ames zegt, in de alledaagse wereld zit ‘meer schoonheid dan onze ogen kunnen verdragen’. Als Glory op zolder een kist vindt van haar vader, vol gestreken overhemden, alsof ze wachten ‘op een soort formele gebeurtenis, misschien hun ter aarde bestelling’. Een groot deel van de tijd brengen Robinsons karakters door met kalm wachten – op de post, op het overlijden van een oude vader – wat ze opvoert als een ervaring, een toonbeeld van ‘persoonlijke heiligheid’.
Maar de persoonlijke heiligheid, waar Ames en Boughton zich zo bij thuis voelen, is misschien niet voldoende. Uit Gilead weten we dat Jack in zijn afwezigheid met een zwarte vrouw een gezin heeft gesticht. Het is 1956 en op het journaal ziet hij rassenrellen in Alabama. Zijn vader wuift die weg, ‘over een half jaar heeft niemand het daar nog over’. En passant wordt er verteld dat er ooit een aantal zwarten in Gilead woonde, maar dat die ‘na een vervelend vuurtje’ in hun kerk vertrokken zijn. Dat latente racisme, onopgemerkt door iedereen behalve door Jack de zondaar, laat zien dat het spirituele paradijs niet gelijk staat aan het aardse. Predestinatie is niet in steen geschreven. In de handen van een mindere schrijver kan dat een cynische les zijn, maar niet bij Robinson. In een interview met de Paris Review zei ze onlangs dat ze voor dit boek terugkeerde naar Gilead omdat ze de karakters zo miste, ze was om ze gaan geven. Die affectie zorgt ervoor dat het lezen van Home aanvoelt als thuiskomen, en geeft het idee dat zondaars en heiligen allemaal in dezelfde wereld thuishoren. Dat is een spirituele les waar veel godsdienstigen van kunnen leren.

Home staat op de shortlist voor de National Book Award, die 19 november wordt uitgereikt. De Nederlandse vertaling, Thuis, verschijnt in februari bij De Arbeiderspers