Marco Borsao

And it will be my last

Zoals Duitsland Peter Maffay heeft en Frankrijk Johnny Hallyday, zo hebben wij Marco Borsato. Het zijn nationale supersterren, wier populariteit voor een buitenlander alleen valt te begrijpen wanneer ze er rekening mee houden dat die niet alleen is gestoeld op kwaliteit, maar ook op de mate waarin het karakter van de superster zelf samenvalt met volksaard en nationale identiteit.

Marco Borsato heeft een flink aantal popnummers op zijn naam staan die de wat versleten term ‘popklassieker’ zonder enige reserve verdienen. Een aantal jaar geleden heeft hij bedacht dat hij daar geen genoegen mee neemt, dat hij de grenzen van de popmuziek en daarmee zichzelf wil opzoeken. Het resultaat daarvan was een nummer dat Rood heette, en van een bijna intimiderend pompeuze bombast was.

Nu heeft Marco Borsato een nieuwe single, en wel een die Rood met terugwerkende kracht doet klinken als een demo van een singer-songwriter. Het nummer heet Muziek, en dat is ook het onderwerp, want in het samenvallen van woord en betekenis zoekt Borsato de grenzen juist zo weinig mogelijk op. Een popmuzieknummer óver muziek: die metapop is een riskante niche. Madonna deed het in 2000 in haar wereldhit Music (‘Music/ Music makes the people come together/ Music mix the bourgeoisie and the rebel), maar nog beroemder is John Miles’ Music (1976): ‘Music was my first love/ And it will be my last/ Music of the future and music of the past.’

Uiteraard, er is ook veel literatuur over literatuur, überhaupt veel kunst over kunst. Maar in de popmuziek wreekt zich de beschikbare lengte, de grootsheid van het onderwerp en de combinatie van beide. In die zin maakte Miles de beste keuze: hij beperkte zich tot zijn eigen liefde voor muziek en beleving daarvan.

Het nummer van Marco Borsato heeft een opvallende videoclip: daarin staat de tekst van het nummer extreem centraal. Nou. Daar komt-ie: ‘Ze hoort het huilen van haar zoontje/ Pakt de baby in haar schoot/ Hij heeft honger want er was vandaag geen water/ En geen brood/ Dit was niet als in haar dromen/ En die waren niet eens groot/ Toch voelt zij geluk van binnen/ Wanneer zij haar kleine troost.’

Enfin, zo gaat het nog even door. Maar dan: ‘Maar dan hoor ik de muziek en die tilt me op/ Ze overstemt alle klanken van de twijfels in mijn kop/ En ik weet dat wat er ook gebeuren zal/ Als ik struikel of ik val/ Ik zo weer sta/ Want ik heb altijd nog de muziek.’ Dat laatste woord rekt Borsato lang uit, en ondertussen begint feitelijk een nieuw nummer, dat klinkt als de combinatie van een dj, een galmput en een tijdmachine. Over het arrangement kan veel gezegd worden, of gewoonweg dit: lelijker wordt het niet, nergens, nooit.

Aan de tekst kunnen veel meer woorden vuil gemaakt worden. De positieve: ja, gelukt: hij rijmt. De andere: dit is wat gebeurt wanneer iemand in onbeholpen clichés het mysterie van schoonheid probeert te vangen. Het tast ook die schoonheid zelf aan, evenals de reikwijdte ervan, door er zulke groteske illustraties bij te verzinnen. Nee, een ode hoeft niet zo mooi te zijn als het onderwerp ervan, maar er zijn grenzen aan het tegenovergestelde.