Waarom Britse humor niet leuk meer is

And now for something completely different

Is het Brits, dan is het grappig, dat geldt van Peter Cook tot Tommy Cooper en van Monty Python tot Sacha Baron Cohen. Maar in tijden van Brexit en corona zien we de schaduwzijde van de Britse humor. Het VK is niet echt grappig meer.

John Cleese (l) and Graham Chapman op de set van Monty Python and the Holy Grail, 1974 © John Downing / Hulton Archive / Getty Images

Ik ben als Brit in Leiden opgegroeid, en op mijn zestiende keerde ik als een soort buitenlander naar het Verenigd Koninkrijk terug. Zoals de meeste buitenlanders viel ik meteen voor de Britse humor. Je bracht een avond met vrienden in de kroeg door, en zonder dat er een zinnig woord werd gezegd waren de plaagstoten (wat Engelsen ‘banter’ noemen) zo leuk dat je bijna huilend op de vloer lag. Later, op de universiteit, ontmoette ik medestudenten die meesters waren van MontyPython-achtige surrealistische verzinselen. Alle landen hebben humor, maar ik ken geen ander land waar bijna alles humor is.

Als iemand me vijf jaar geleden had gevraagd wat ik het mooiste vind aan het VK, had ik ‘humor’ geantwoord. Nu zou ik dat echter niet meer zeggen. Ik woon tegenwoordig in Parijs, en tijdens deze periode van opsluiting kijken we elke avond met de kinderen een film. We hebben Casablanca gezien, en Airplane, en Annie Hall, maar ik heb nog geen neiging gevoeld om de kinderen in te wijden in de Britse comedyklassiekers. In de jaren sinds Brexit, en nu weer tijdens de pandemie, heb ik de schaduwzijde van de Britse humor gezien: hoe het gebruikt wordt om andere gesprekken weg te drukken, en om de politieke doeleinden van de grappenmakers te bereiken. Je zou bijna zeggen: in het VK is humor opium voor het volk.

De centrale plaats van komedie in het Engelse leven gaat minstens terug tot de veertiende-eeuwse Canterbury Tales van Geoffrey Chaucer, een verzameling dichtverhalen over een groep schunnige, hypocriete en egoïstische pelgrims. Zoals elke Franse wijnregio zijn eigen traditie heeft, bestaat de Britse humor uit eindeloze genres, al zijn ze bijna allemaal door mannen gedomineerd.

De arbeidersklassetraditie is de schunnigste. Denk aan het liedje van Tommy Cooper over wat hij als ramenwasser allemaal ziet, aan de kleine Benny Hill die reusachtige vrouwen achterna zit, en aan het oorlogslied ‘Hitler Has Only Got One Ball’ (waarschijnlijk invloedrijker in het VK dan de Chaplin-film The Great Dictator).

Schotse humor blinkt uit in originele beledigingen. Toen Donald Trump in de dagen na het Brexit-referendum het geboorteland van zijn moeder bezocht, en Schotten feliciteerde met ‘taking your country back’ wilden ze hem graag duidelijk maken dat zij in meerderheid Remain hadden gestemd. Een greep uit de duizenden (onvertaalbare) reacties op sociale media: ‘you polyester cockwomble’, ‘you weaselheaded fucknugget’, ‘you weapons-grade plum’, ‘you toupéd fucktrumpet’, ‘custard flavoured jobby’, en ‘you tiny fingered Cheeto-faced ferret wearing shitgibbon’.

Er is zelfs een kleine linkse Britse komedietraditie, en tegenwoordig ook een etnische traditie, met sterren als de Brits-Iraanse comédienne Shappi Khorsandi. Zij kan zowel het land van haar voorvaderen afzeiken (‘For exiled Iranian writers, the closest thing we have to a literary award is a fatwah’) als dooie Londense buitenwijken: ‘This guy said he wanted to understand my culture. I said: “Well, I’m from Ealing, what are you going to do? Memorize the Central Line?”’

Nigel Ng, een Maleisische komiek in Londen van etnisch-Chinese afkomst, heeft zich op het coronavirus gestort. ‘Happy Chinese New Year’, opende hij laatst een sketch. ‘This virus has given me a new superpower, man. I can go onto any train and pretend to sneeze, instantly get a seat. You know? That’s how we’re going to take over the world, one cough at a time.’

Maar net als bijna elke Britse activiteit van hoge status wordt humorproductie gedomineerd door het mannelijke kostschool-en-Oxbridge-volksdeel. Tijdens mijn universiteitsstudie (waar ik eigenlijk vooral Britten studeerde) werd ik door een vriend ingewijd in de Derek and Clive-sketches: ondergrondse klassiekers van het genre ‘Engels surrealisme’ uit de jaren zeventig. Peter Cook en Dudley Moore spelen twee taxichauffeurs die samen in de pub drinken. De een vertelt de ander over de keer dat hij de componist Richard Wagner uit zijn taxi gooide, de baan waarbij hij kreeften uit het achterwerk van de actrice Jayne Mansfield moest halen (‘the worst job I ever ‘ad’) en het bijeenzamelen (‘every financial year’) van al het slijm dat Winston Churchill in de emmer naast zijn bed had gespuugd.

Cook is vandaag bijna vergeten door het grote publiek. De Derek and Clive-sketches waren te obsceen om uitgezonden te worden. Veel van zijn andere opnamen werden meteen na uitzending door de BBC weggegooid. Hij bracht zijn laatste decennia vooral op de bank door, dronken, kijkend naar slechte tv, totdat hij op zijn 57ste aan drank overleed. Maar toen de krant The Melbourne Age in 2005 meer dan driehonderd professionals uit de comedybranche naar hun favoriete Engelstalige komiek vroeg, was Cook nummer één. Zijn verhaal verduidelijkt zowel de rol als de beperkingen van de Britse humor.

In 1961, net nadat Cook Cambridge had verlaten, opende hij de Londense nachtclub The Establishment, naar zijn zeggen gemodelleerd naar ‘those wonderful Berlin cabarets which did so much to stop the rise of Hitler’. Daar voerde hij imitaties op van de toenmalige Britse premier Harold Macmillan.

Dat was nieuw. Een Britse premier uitlachen, dat deed je niet. De man leidde toch de wereld?

Dat was nieuw. Een Britse premier uitlachen, dat deed je niet. De man leidde toch de wereld? Maar Cook speelde Macmillan als een stuntelige oude kakker, die tegen elk bewijs in deed alsof het VK nog steeds de wereld leidde. Hij hinkte het toneel op en blufte dat hij president Kennedy ervan had overtuigd om het VK kernwapens te geven. ‘We don’t get the missile until around 1970’, gaf ‘Macmillan’ in zijn bevende Eton-toontje toe. ‘In the meantime we shall just have to keep our fingers crossed, sit very quietly, and try not to alienate anyone.’ Bovendien, zei hij, het VK had al kernwapens: ‘We have the Blue Steel, a very effective missile, as it has a range of 150 miles, which means that we can just about get Paris. And by God we will.’ Onder de toeschouwers in The Establishment zaten president Kennedy (die erin slaagde om tijdens de sketch niet te lachen), koningin Elizabeth (die het uitgilde), en Macmillan (die van buiten onbewogen bleef). Later financierde Cook het Britse satirische tijdschrift Private Eye, dat tot op de dag van vandaag floreert (en nu veel lol heeft met het coronavirus). Wat Cook pionierde was ‘declinism’: humor over het verval van Groot-Brittannië.

Hij had dat verval van dichtbij waargenomen. Toen hij in 1937 werd geboren, was zijn vader koloniaal bestuurder in Nigeria. Cook groeide op met de verwachting dat ook hij ooit het imperium zou runnen. Maar in de jaren zestig werd het imperium door satire vervangen.

Toen het imperium in elkaar zakte, werd zijn geloofssysteem grappig. Het imperium had militaire helden verafgood, bijvoorbeeld in films als Bridge on the River Kwai. Op zijn album Bridge on the River Wye, genoemd naar de kalme Britse plattelandsrivier, sprak Cook: ‘It was 1962 in England, but still 1943 in Japan, such was the difference in teeth between these two great religions.’ Hij vond bijna de hele Britse historie grappig. Ooit probeerde hij een hele film te schrijven op basis van het feit dat de grootvader van een vriend de vrouwenarts van koningin Victoria was geweest.

Je kunt echter niet zeggen dat Cook anti-imperialistische satire maakte. De man had geen politieke doeleinden, en was al helemaal geen revolutionair. Waarom zou hij ook, als Britse man uit de heersende klasse? Hij wilde gewoon lollig zijn.

Peter Cook (l) en Dudley Moore tijdens de opnames van de film Bedazzled, 1967 © John Minihan / Hulton Archive / Getty Images

Iets dergelijks geldt voor bijna alle Britse humor van public school- en/of Oxbridge-makelij: zelfs als het over politiek gaat, is het niet echt politiek bedoeld. Dat wordt vaak door buitenlanders gemist, zeker wat betreft Monty Python. Een Duitse vriendin, een antropologe, vertelde me ooit: ‘Life of Brian is een vernietigende aanval op de onlogische tegenstrijdigheden in het christendom.’

Ik begrijp hoe je zo’n soort fout zou kunnen maken. Denk aan de scène in Monty Python and the Holy Grail waarin koning Arthur twee onderdanen ontmoet:

ARTHUR: How do you do, good lady. I am Arthur, King of the Britons. Whose castle is that?
WOMAN: King of the who?
ARTHUR: The Britons.
WOMAN: Who are the Britons?
ARTHUR: Well, we all are. We’re all Britons and I am your king.
WOMAN: I didn’t know we had a king. I thought we were an autonomous collective.
DENNIS: You’re fooling yourself. We’re living in a dictatorship. A self-perpetuating autocracy in which the working classes –

Je zou deze scène inderdaad als een revolutionair commentaar op sociale klasse kunnen lezen. Zo was het echter niet bedoeld. Toen het recent overleden Python-lid Terry Jones ooit door een Amerikaanse interviewer werd gevraagd of hun komedie politiek was, antwoordde hij: ‘Niet echt, nee. Eigenlijk zijn de grappen echt vrij stom.’

Dat geldt eveneens voor de Cambridge-opgeleide Sasha Baron Cohen. In zijn rollen als Ali G. en de Kazachse journalist Borat maakt hij politici graag belachelijk, maar het is onduidelijk of zijn komedie ook een politieke ideologie herbergt. Het was geinig om de Amerikaanse Groene presidentiële kandidaat Ralph Nader te vertellen (in 2003) dat de regenwouden niet gered moesten worden: ‘It must be crap living there, no Mickey D’s, no KFC… who’d want to stay there, you’d have to be mental.’

‘Eigenlijk zijn de grappen van Monty Python echt vrij stom’, zegt Terry Jones

Het was helemaal leuk omdat Nader hem serieus nam, en zich in een discussie liet lokken over de moeilijkheid om koeien ertoe te brengen om scheten te laten in dozen. Maar de humor van Ali G. heeft slechts één onbetwistbare politieke impact: het voeden van minachting voor politici, en we hebben de laatste jaren gezien waar dat toe leidt.

Of neem P.G. Wodehouse, misschien wel de grootste Britse humoristische schrijver. Zijn beroemdste schepping is Bertie Wooster, een onbezonnen jonge kakker die vermoedelijk als rolmodel voor Boris Johnson heeft gediend. Een van de aartsvijanden van Wooster is de aristocratische fascist Spode, leider van de ‘Black Shorts’-beweging en daarnaast stiekem ontwerper van vrouwenlingerie via zijn kledingboetiek Eulalie Soeurs.

Spode is natuurlijk een parodie op de aristocratische fascist Oswald Mosley uit de jaren dertig. Wodehouse heeft Spode echter niet verzonnen omdat hij het fascisme wilde attaqueren. Hij wilde gewoon grappig zijn. Wodehouse had amper belangstelling voor de wereld buiten zijn fictie. Hij was zelfs zo politiek naïef dat toen de Duitsers hem tijdens hun invasie van de Lage Landen in 1940 in zijn huis in België aantroffen, ze hem makkelijk overtuigden om een serie humoristische uitzendingen te maken voor een nazi-radiozender.

Wat Wodehouse vooral belachelijk vond aan Spode was zijn ernst. Lachen om serieuze mensen is een traditie in de Britse humor (denk ook aan John Cleese in de Ministry for Silly Walks-sketch). Deze traditie werd eind jaren tachtig verrijkt door de jonge correspondent van de Daily Telegraph in Brussel. Boris Johnson schreef stukjes over (door hem verzonnen) EU-plannen voor rechte bananen en maximummaten voor condooms. Mede dankzij zijn optredens op Have I Got News For You?, een satirische tv-show van de BBC, werd hij een nationale beroemdheid. In 2016 leidde hij de Leave-campagne om het land van het juk van humorloze Brusselse bureaucraten te bevrijden.

Boris Johnson in het satirische programma Have I Got News for You, 1998 © BBC / still

Pas tijdens het Brexit-referendum besefte ik dat humor in het VK wordt gebruikt om conversaties af te snijden voordat ze emotioneel, technisch of saai kunnen worden. Toen Johnson werd gevraagd hoe hij volledige toegang tot de Europese eenheidsmarkt dacht te combineren met het negeren van Europese regels, grapte hij: ‘My policy on cake is pro-having it and pro-eating it.’ Humor stilde het debat.

Nadat hij premier was geworden, wees het tijdschrift The Economist op de traditie van zijn partij om joligheid als wapen in te zetten: ‘De Conservatieven zijn altijd de partij geweest van “champagne en vrouwen en bridge”, om de uitdrukking van (dichter) Hilaire Belloc te gebruiken, terwijl de Liberalen en Labour de partijen zijn van vegetarisme, boekenclubs en bijeenkomsten. Conservatieven zijn nooit gelukkiger dan wanneer ze links belachelijk maken om zijn ernst.’

Johnson heeft tevens de Britse traditie van seksistische, racistische en homofobe humor geërfd. Tijdens het bezoek van de toenmalige premier Tony Blair aan Congo schreef Johnson (hevig geïnspireerd door Evelyn Waugh): ‘No doubt the AK47s will fall silent, and the pangas will stop their hacking of human flesh, and the tribal warriors will all break out in watermelon smiles to see the big white chief touch down in his big white British taxpayer-funded bird.’ Als mensen over dat soort taalgebruik klagen, en dat doen ze tegenwoordig wel eens, kan Johnson hen wegzetten als humorloze PC’ers, en dan lijkt de rechtse Old Etonian net een rebel.

Voor hem is zelfs een pandemie materiaal voor komedie. Tijdens een telefonische vergadering op 16 maart met Britse fabrikanten die twintigduizend ventilatoren moesten maken, grapte hij dat het ‘Operation Last Gasp’ zou moeten heten.

Intussen is hij zelf het hoofddoelwit van Britse humor geworden. De komiek Stewart Lee schrijft in zijn nieuwe anti-Brexit-boek March of the Lemmings: ‘Hate is money! And like a Danish sperm donor, I have to pump it out by the bucketful!’

Er is echter iets triests aan deze grappen. Johnson gebruikte humor om de macht te grijpen. Nu gebruiken zijn tegenstanders het in een poging om te vergeten dat hij heeft gewonnen. De Turkse schrijfster Ece Temelkuran kijkt in haar boek Verloren land: De zeven stappen van democratie naar dictatuur terug op de humor van de demonstranten op het Gezi-plein van Istanbul in 2013. Elke belediging door premier Recep Tayyip Erdogan omarmden ze met enthousiasme. ‘Ja, we zijn alcoholisten, van het allerergste soort!’ scandeerden ze. ‘Ja, we zijn onderdeel van een reusachtige samenzwering. Buitenaardse wezens hebben het geregisseerd.’ Ze gaven zelfs toe dat ze hadden gepoogd om Erdogan via telekinese te vermoorden: ‘Wij zijn de meesters van telekinese!’

Op het moment zelf voelde het inspirerend. Maar ze hebben verloren. Het spel is over. In het VK en in Turkije gaat het belachelijk maken van de winnaars door, maar nu als overspronggedrag, een uiting van wanhoop. Het VK is niet echt grappig meer.