Verkiezingen Plannen voor de toekomst

Andere, harde tijden

De verheven campagnetaal en bestuurlijke retoriek kunnen niet verhullen wat ons werkelijk te wachten staat: harde maatregelen. Over veel onvermijdelijke ingrepen zijn de partijen het wel eens.

De verzorgingsstaat staat zwaar onder druk – zoveel is in de aanloop naar de verkiezingen glashelder. Linksom of rechtsom, de economische crisis noopt tot forse ingrepen waarbij alle sociale stokpaardjes ter discussie staan. De vergrijzing dwingt bovendien tot sociaal-economische hervormingen; want anders is het ‘waterhoofd’ aan bejaarden – fit of ziek – door de volgende generatie niet op te vangen. Natuurlijk bestaan er in de aanpak bij deze omwenteling ideologische verschillen. De linkse partijen hanteren het adagium ‘de sterke schouders dragen de zwaarste lasten’ en de rechtse partijen wijzen op méér eigen verantwoordelijkheid en minder leunen op ‘vadertje staat’. Maar ondanks de retoriek zijn partijen het over veel maatregelen wel eens.

Hoe dan ook zal iedereen de nieuwe realiteit onder ogen moeten zien: voor het eerst in de naoorlogse geschiedenis stagneert de welvaart en daalt voor (bijna) iedereen de koopkracht. Wrang is het dat de toekomstige generatie de rekeningen gaat betalen van de babyboomers, zo stelt de Britse politicoloog en econoom David Willetts in zijn pas verschenen boek The Pinch. Willetts (1956) haalt hard uit naar de generatie babyboomers (geboren tussen 1945 en 1960): zij hebben er op los geleefd, hadden de wind economisch mee – op de huizenmarkt, de arbeidsmarkt, op de universiteit (zij mochten door de overheid gefinancierd lang studeren) – en schepen hún kinderen op met onmogelijke rekeningen: de kosten van de pensioenen, de klimaatveranderingen, de toenemende zorg en de kosten die gepaard gaan met noodzakelijke investeringen in onderwijs om de welvaart op peil te houden.

Wat de belangrijke ‘rekeningen’ zijn, en welke gevolgen die hebben, wordt hier op een rijtje gezet. Net als de noodzakelijke en onvermijdelijke ingrepen. Van een flexibele arbeidsmarkt tot minder blauw op straat en van méér eigen bijdragen in de zorg tot bestuurlijke vernieuwingen: we kunnen niet meer terug naar álle zekerheden van vroeger. Of liggen er ook mooie kansen om het beter te doen?

Asociale zekerheid?

Ooit was het een zekerheid: in Nederland zorgde vadertje staat ervoor dat je geen armoede leed als je niet kon werken door ontslag, ziekte of ouderdom. Wie de recente verkiezingsdebatten heeft gevolgd, zou kunnen vrezen dat die tijd voorbij is. De vvd, met afstand de grootste partij en gestaag stijgend in de peilingen, wordt door de linkse partijen én de pvv en het cda ‘asociaal’ genoemd wegens haar ingrepen in de sociale zekerheid, vooral in de hoogte van uitkeringen en de bijstand.

Als de ingrepen doorgang vinden zouden meer huishoudens dan nu onder het Nederlandse bestaansminimum terecht kunnen komen, meent Flip de Kam, emeritus-hoogleraar economie van de publieke sector. ‘Rechtse partijen, inclusief het cda, beknibbelen op het sociaal minimum, met name doordat zij de uitkeringen niet langer laten meegroeien met de cao-lonen. Overigens raakt het cda-programma lager betaalden en werklozen bijna net zo hard als het vvd-programma. De cda-pot verwijt de vvd-ketel dat hij zwart ziet.’

De Kam rekent voor wat er gebeurt. Bij vier jaar ontkoppelen van lonen en uitkeringen blijven de uitkeringen in de periode 2011-2015 drie procent achter bij de cao-lonen. Voor een echtpaar (zij krijgen nu samen dertienhonderd euro bruto per maand) betekent dit een tegenvaller van bijna veertig euro (netto) per maand. Dat is een terugval van ongeveer vijf procent – een significant bedrag op zo’n laag inkomen. ‘Mensen met een bijstandsuitkering en oudere werklozen komen financieel het eerste in de knel wanneer de plannen van rechtse partijen doorgaan’, meent De Kam. ‘Tenzij ze alsnog een baan vinden.’

Vrijwel alle partijen, behalve de sp en de pvv, menen dat drastische maatregelen in de sociale zekerheid onvermijdelijk zijn. De aow-leeftijd stijgt in vrijwel alle programma’s langzaam naar 67 jaar. Ook valt op dat vrijwel iedereen paal en perk wil stellen aan de uitkering voor jonggehandicapten, de Wajong. Beide ingrepen zijn volgens De Kam noodzakelijk. ‘Het geleidelijk verhogen van de aow-leeftijd kan niet anders, omdat de levensverwachting nog voortdurend toeneemt. Ook maatregelen om het snel groeiende beroep op de Wajong te beperken zijn noodzakelijk. Deze regeling zonder budgettaire begrenzing dreigt anders een drama op te leveren, vergelijkbaar met de wao in de jaren zeventig en tachtig. Alle prikkels om mensen te stimuleren werk boven een uitkering te verkiezen zijn welkom. Anderzijds mogen politici niet vergeten dat een deel van de uitkeringsontvangers domweg onvoldoende geschikt is om tegen gangbare arbeidsvoorwaarden toe te treden tot de arbeidsmarkt.’

Opvallend is dat alle partijen de marktwerking terugdraaien die was toegelaten in de sociale zekerheid: commerciële reïntegratiebedrijven zouden moeilijk bemiddelbare werklozen naar een baan helpen. Het werd gezien als het ei van Columbus, vooral door de pvda. Het werd een fiasco dat het Rijk miljarden kostte terwijl maar een klein deel van de langdurig werklozen terugkeerde op de arbeidsmarkt. Weg ermee.

Er is nog een hervorming die een rol speelt in de verkiezingscampagnes. vvd, d66 en GroenLinks willen de ontslagbescherming inperken en de duur van de werkloosheidsuitkering inkorten tot een jaar (nu maximaal 38 maanden). De hervorming is bedoeld om meer doorstroming en flexibiliteit op de arbeidsmarkt te creëren, zodat uiteindelijk minder mensen een beroep op een uitkering hoeven doen. Maar zij draagt het gevaar in zich dat met name dure en minder productieve werknemers, zoals ouderen, er de dupe van worden.

‘Volgens de gangbare economische modellen leiden bezuinigingen op de uitkeringen tot een hoger arbeidsaanbod en meer banen’, meent Flip de Kam. ‘Maar de lonen van bepaalde groepen werknemers met een geringere productiviteit zullen lager zijn dan nu.’

Het Centraal Planbureau meent dat de effecten van de hervorming onzeker zijn, in elk geval wat betreft de besparing op de uitkeringen.

Minder sociale zekerheid bij werkloosheid in ruil voor het (hopelijk) makkelijker vinden van een baan, is dat het sluipende einde van de verzorgingsstaat?

Flip de Kam denkt van niet. ‘De armoede is bijna nergens in Europa zo gering als bij ons. Al met al denk ik dat je toch wel de stelling kunt verdedigen dat we een vangnet houden om armoede te voorkomen.’

Openbaar wanbestuur

‘Bestuurlijke drukte.’ Tot voor kort was het een onbekende term, maar nu komt hij voor in vrijwel alle verkiezingsprogramma’s. Aan die drukte moet iets gedaan worden. Maar wat is ‘bestuurlijke drukte’ eigenlijk? Geen partij die het uitlegt, maar het heeft te maken met verschillende bestuurslagen (weer zo’n term) die zich bezighouden met hetzelfde probleem. Denk aan gemeenten en provincies die elkaar in de haren vliegen over ruimtelijke ordening. Of stadsregio’s, provincies en gemeenten die allemaal verantwoordelijk zijn voor een aspect van mobiliteit, waardoor er flink langs elkaar heen wordt gewerkt.

Het lastige is dat het aanpakken van bestuurlijke drukte leidt tot, inderdaad, aardig wat bestuurlijke drukte. Zo werd enkele jaren jaar geleden een projectleider Vermindering Bestuurlijke Drukte aangesteld op het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Die huurde een onafhankelijk organisatieadviesbureau in dat zich onder meer bezighoudt met (geen grap) Veranderkunde. Het bureau repte in haar rapport van een ‘gekmakende optelsom van overheidsgedoe’ en concludeerde onder meer (echt waar): ‘Bestuurlijke drukte, dat ben je ook zélf.’

Om hier iets aan te doen, en tegelijkertijd de nodige bezuinigingen door te voeren, willen de meeste partijen het aantal ambtenaren reduceren en snijden in bestuurslagen. Wat daarbij opvalt is dat het bestuurdersjargon klakkeloos en zonder uitleg wordt overgenomen; het ergst in het pvda-programma. En er is nog iets: er is geen touw meer vast te knopen aan alle bestuurlijke uitbouwtjes en sublaagjes die zijn toegevoegd aan het ooit zo overzichtelijke Huis van Thorbecke, met het Rijk op zolder, de provincies op de middenverdieping en de gemeenten op de begane grond.

GroenLinks wil een krachtig middenbestuur door het samenvoegen van provincies tot maximaal zeven landsdelen. d66 gaat nog verder en wil vier landsdelen instellen: Noord-Nederland, Zuid-Nederland, Oost-Nederland en Randstad. De vvd wil snoeien in de bevoegdheden van provincies en hun de mogelijkheden geven te fuseren als ze dat willen. De partij wil dat een Randstadprovincie wordt ingesteld door Noord- en Zuid-Holland, Utrecht en Flevoland samen te voegen. De sp denkt de bestuurlijke drukte juist te bestrijden door méér provincies in te stellen. Het cda vindt dat provinciegrenzen gewijzigd moeten kunnen worden, maar de partij stelt geen drastische veranderingen voor. De pvda zet in op het lokale bestuur: de rol van de provincies wordt afgebouwd en er moeten ‘regiogemeenten’ komen. Regiogemeenten? Je moet maar net weten dat de term regelrecht is overgenomen uit het rapport van de commissie-Kalden, een van de ambtelijke werkgroepen die op zoek moest naar bezuinigingen.

Juist dáár gaat het mis, zegt hoogleraar staatsrecht Douwe Jan Elzinga, die zich veelvuldig bezighield met onderzoek naar bestuurlijke vernieuwing. ‘De voorgestelde maatregelen zijn vooral ingegeven door financiële motieven. Maar de kans dat de ons voorgespiegelde bezuinigingen worden behaald is nihil. Schaalvergroting kost altijd geld en het zal jaren duren voordat het iets oplevert, als dat al ooit het geval is. Bovendien zullen mensen ontslagen moeten worden. Dat gaat veel wachtgeld kosten.’

Het instellen van een Randstadprovincie vindt hij het enige goede idee, omdat daar zo’n beetje alle bestuurslagen elkaar in de weg zitten. ‘Dat moet je gewoon doen.’ Maar of het er van komt? Het is niet de eerste keer dat het wordt voorgesteld. In 2006 en in 2007 ook al, maar de onderzoeksrapporten verdwenen in een diepe bureaula. Het is die eeuwige onwil van lokale bestuurders om mee te werken aan hervormingen, omdat die hun posities zouden kunnen schaden, denkt Cees Verstegen, oud-algemeen directeur van Noord-Holland en oud-gemeentesecretaris van Bussum en Utrecht. ‘Lokale politici houden de nationale collega’s in een wurggreep. Als ze echt iets móeten veranderen, dan maar op provinciaal niveau. Daar heeft snijden in posities minder electorale gevolgen dan bij de gemeenten.’ In zijn lange carrière zag hij menig hervormingsvoorstel langskomen, van mini-provincies tot landsdelen. Nooit kwam er iets van terecht.

Hét zorgenkind

Als er iets iedereen gaat raken, dan is het de bezuiniging op de gezondheidszorg. Een bedrag van ongeveer tien miljard moet ‘ergens’ worden weggehaald. Alle partijen willen snoeien aan de kant van de kostenvraag. Maar hoe dring je het zorggebruik structureel terug als de vergrijzing doorzet, en je niet wilt morrelen aan het heilige solidariteitsbeginsel van onze gezondheidszorg? Dit dilemma maakt de zorg tot hét hoofdpijndossier van de aanstaande jaren.

Hoewel de accenten en de bedragen van de ingrepen partijafhankelijk zijn – en bovendien niemand echt harde keuzes durft te maken – is het algemene beeld dat het eigen risico wordt verhoogd en het basispakket wordt uitgekleed, zowel van de algemene zorgverzekeringswet als de awbz (Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten). Alleen sp en GroenLinks zijn tégen het beperken van het basispakket. Alle linkse partijen willen de ziektekostenpremie inkomensafhankelijk maken. vvd en cda mikken tevens op méér eigen verantwoordelijkheid. De mantelzorg kan meer door de eigen omgeving – familie, buren, vrijwilligers – worden overgenomen: dat is goedkoper, bevordert bovendien de gemeenschapszin (christen-democraten) en prikkelt de eigen verantwoordelijkheid (liberalen). Al langer wordt breed gesproken om de kosten voor bijzonder wonen (zoals in verpleeghuizen, psychiatrische klinieken, revalidatiecentra) en zorg uit elkaar te trekken.

Buiten kijf staat dat betaalbare en toegankelijke zorg voor iedereen voor het eerst in de naoorlogse verzorgingsstaat zwaar ter discussie staat. De pijn voelen vooral chronisch zieken, gehandicapten en bejaarden – mensen met veelal complexe aandoeningen waardoor zij grootafnemers zijn van intensieve (thuis)zorg, begeleiding, cocktails aan geneesmiddelen en medische ingrepen.

Minder de pineut zijn fitte, jonge mensen. Maar zij gaan wel meer merken van een andere, onvermijdelijke tendens: lifestyle-gerelateerd preventiebeleid, gericht op minder drinken, roken en meer bewegen, sporten en goed eten. Inzetten op health & wealth wordt reeds achter de coulissen van de departementen en onderzoeksinstellingen voorbereid. Of ongezond gedrag ook consequenties heeft voor de eigen bijdragen en de eigen risico’s, is nog onduidelijk. De onderliggende ethische vraag is lastig: heeft iemand die onmatig rookt, zuipt en vet eet gelijke rechten? Of moet die gewoon meer betalen?

Vooral de groep van chronisch zieken en bejaarden piekert nu over de koopkracht: wat blijft er straks maandelijks over in de portemonnee? En over de kwaliteit van leven: kom ik nog wel de deur uit, kan ik begeleiding en hulp nog inhuren en bijzondere voorzieningen – van een blindengeleidehond tot een traplift – krijgen? Wat is straks nog ‘aanvaardbaar leven’?

Rolf Smid van de Chronisch zieken en Gehandicapten Raad (CG-Raad) zegt dat deze groep straks geen kant meer op kan. ‘Ze móeten naar de dokter en zijn afhankelijk van begeleiding, en dat in combinatie met allerlei achterstanden, zoals een lager inkomen, een lage arbeidsparticipatie. Alle partijen roepen nu dat ze de lagere inkomens zullen ontzien, want ze mogen straks meer kosten aftrekken en ze krijgen compensatie. Dat is waar, maar dat genereert een enorme (kostbare) administratie. Meer algemeen vrees ik grote problemen voor mensen uit de lagere middenklasse. Zij vallen net buiten allerlei subsidies en compensatieregelingen. Zij zijn maximaal de klos.’

Wynand van de Ven, hoogleraar gezondheidseconomie aan de Erasmus Universiteit, zegt dat de ‘besparingen voor negentig procent een verschuiving zijn van collectieve uitgaven naar private uitgaven’, oftewel de beurs van de burger. ‘Wie geen zorg gebruikt, merkt daar weinig van. Wie wél zorgafhankelijk is krijgt het zwaar.’

Hij voorspelt dat als het eigen risico wordt verhoogd, mensen zich massaal gaan bijverzekeren. Verzekeraars zijn dan vrij om te weigeren. Zij zullen bestaande aandoeningen uitsluiten. Chronisch zieken en bejaarden gaan torenhoge premies betalen, en in reactie daarop ontstaat de roep om deze scheefgroei te willen reguleren. Dan krijg je misschien weer een collectieve bekostiging en dan ben je volgens hem weer terug bij af. Het doel schiet je voorbij.

Tijd voor onderwijs

Alle partijen zijn het er hartverwarmend over eens: op onderwijs mag niet bezuinigd worden. En dus geven – op sgp, cda en pvv na – alle partijen netto meer geld uit om het idee van ‘Nederland Kennisland’ levend te houden. Dat is wel nodig, want de problemen zijn hardnekkig. Te veel leerlingen beginnen aan de basisschool met een taalachterstand, de uitval is hoog, de klassen zijn te groot, het niveau (simpel taal- en rekenonderwijs) is te laag. Scholen én leraren zijn overspannen, terwijl hun nou juist zo’n belangrijke rol wordt toegedicht. In het hoger onderwijs klinkt ook de noodklok: Nederland dreigt academisch weg te zakken. De kwaliteit van de hogescholen en universiteiten staat onder druk, studenten worden niet uitgedaagd en haken af, voor uitmuntende studenten is weinig plek. En misschien het meest verontrustend: in vergelijking met landen die op Nederland lijken verliezen we terrein op belangrijke en voor de toekomst essentiële punten: de investeringen in (toegepast en dus nuttig) onderzoek blijven achter, het aantal onderzoekers is onder de maat, de samenwerking met innovatieve bedrijven is matig. Finland en Denemarken doen het veel beter. Nederland wil in de top-vijf staan, maar dreigt weg te zakken uit de top-tien.

Wat te doen? In de plannen van de verschillende politieke partijen vallen drie dingen op: een veelheid aan weinig structurele maatregelen op het gebied van voorschoolse opvang en lager onderwijs; de nadruk op salarissen en scholing van leraren; en het gebrek aan investeringen in hoger onderwijs. Met name over de schooluitval zijn de partijen het aardig eens. Het toverwoord daarbij is ‘intensieve coaching’. Het idee is dat leerlingen die dreigen uit te vallen begeleid worden door de school, die daarvoor dan geld krijgt. Het gaat niet om grote bedragen, maar vrijwel alle partijen willen het. Dat zal er dus wel van komen.

Over andere maatregelen bestaat veel minder eensgezindheid: zwakke scholen aanpakken (maar hoe dan), tussenschoolse opvang aanbieden (geen meerderheid voor) of brede scholen stimuleren (weinig prikkels beschikbaar). Het is de vraag wat er van alle ideeën zal komen – al is het maar omdat in het onderwijs zo’n groot deel van het budget gewoon vast ligt. Voor het mooie campagnepunt ‘kleinere klassen’ trekt geen enkele partij ook maar een euro uit. Vreemd, want dit is een van de meest gewenste maatregelen bij zowel ouders als leerkrachten. Die leraren worden wel bediend als het om hun eigen positie gaat. Op alle mogelijke manieren richten de partijen zich op hen: door te investeren in opleidingen, bijscholing voor werkende docenten en begeleiding. Maar ook door iets te doen aan het salaris. Sommige partijen zijn voor een algemene verhoging, maar de meeste niet. Dat zal dan wel niet gebeuren. Wel zijn vrijwel alle partijen (behalve pvv en sp) voor het invoeren van zogeheten ‘prestatiebeloning’ in het onderwijs. Een soort bonus: hoe beter het onderwijs, hoe meer geld. Het kan per leraar, maar dat is lastig meten. Waarschijnlijker is dat het ingevoerd wordt per team of per school. Resultaten in het buitenland (Scandinavië) zijn veelbelovend, zegt Joeri van den Steenhoven, de voorzitter van Kennisland.

Tegen de grote hoeveelheid plannen voor het lager onderwijs steken de investeringen in het hoger onderwijs schril af. Niks erbij voor wetenschappelijk onderzoek, en op innovatie bezuinigen zelfs de meeste partijen (met uitzondering van GroenLinks en d66). Als sommige partijen hun zin krijgen en de studiebeurs wordt vervangen door een lening, dan zou het bespaarde geld naar ‘top-universiteiten’ of beter presterende instellingen kunnen gaan – maar of dat gebeurt is onzeker. Het is wel opmerkelijk, omdat recent in een lijvig rapport is beschreven dat Nederland moet investeren in hoger onderwijs omdat we het ‘anders niet redden’, aldus commissievoorzitter Cees Veerman. Hij wil meer samenwerking tussen universiteiten, meer specialisatie door instituten zoals tno, meer toegepast onderzoek.

De keuze voor de leraar in plaats van de onderzoeker vindt Van den Steenhoven niet zo gek. ‘Die jongeren van twee tot achttien zijn de kerntaak van de overheid.’ Hij mist wel het aanpakken van de scholen zelf – een doorn in het oog van de leraren. ‘Al die vergaderingen, de kwaliteit van het gebouw.’ Dat gebeurt inderdaad niet en grote veranderingen in het onderwijs – zowel financieel als organisatorisch – lijken ook niet te verwachten de komende jaren. Alle zeilen worden bijgezet om het huidige niveau op peil te houden.

Waar blijft het blauw?

Iedere partij benadrukt het belang van veiligheid en roept om ‘meer blauw op straat’. Maar per saldo besparen eigenlijk alle partijen op de politie. Het cda en GroenLinks het meest. Veel partijen willen bezuinigen door korpsen samen te voegen. Alleen de pvv trekt werkelijk meer geld uit voor agenten. Voor de rest gaat op: we zouden wel willen, maar het geld is er gewoon niet.

Of toch? ‘En die 250 miljoen euro die het oplevert – dat zijn toch weer tweeduizend extra agenten’, zei pvda-lijsttrekker Job Cohen afgelopen vrijdag tegen zijn vvd-opponent Mark Rutte tijdens een dubbelinterview in de Volkskrant. Het ging over het door Rutte verguisde toptarief van zestig procent dat de pvda in de inkomensbelasting wil invoeren. Simpele retoriek, maar zo werkt het dus niet.

Het eerste probleem is de toestand waarin het politieapparaat zich op dit moment bevindt. Die toestand is belabberd, financieel gezien. Uit cijfers van een extern bureau dat onderzoek deed in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en het Korpsbeheerdersberaad bleek dat de politie tot 2016 honderden miljoenen euro’s tekortkomt om de huidige sterkte op peil te houden. Dus die 250 miljoen van Cohen, die verdwijnt in het gat, en pas als dat gevuld is kan gedacht worden over extra agenten.

Op straat welteverstaan, niet achter een bureautje. ‘Meer blauw, beter blauw, zichtbaar blauw!’ om met de vvd te spreken. Vrijwel alle partijen zetten er op in. Ook GroenLinks, al vertrouwt die partij erop dat het legaliseren van softdrugs genoeg agenten zal vrijmaken.

Dit zijn ‘hoera-punten’, zegt socioloog Jaap Timmer. ‘De mond is groter dan de feitelijke mogelijkheden.’ Voordat je kunt denken aan blauw erbij, zal eerst een oplossing gevonden moeten worden voor de vergrijzing van de korpsen, legt hij uit. De komende jaren gaat een groot aantal agenten met pensioen. ‘Het is nu al te voorzien dat die uitstroom niet met de gewenste nieuwe instroom gedekt zal worden.’ Bovendien is het nu, in tijden van crisis, niet zo moeilijk om voldoende politiepersoneel te werven, maar dat zal een stuk lastiger worden als de economie aantrekt. De politie heeft niet bepaald de naam goed te betalen.

Tegelijkertijd is er iets raadselachtigs aan de hand. De roep om meer agenten is niet van gisteren. Jarenlang is gewerkt aan uitbreiding van het aantal dienders op straat. Maar waar blijft het blauw? Timmer: ‘Vroeger hoorden we bij de onderkant van Europa, gemeten naar het aantal agenten per honderdduizend inwoners. Er is een hersteloperatie ingezet en nu behoren we tot het gemiddelde. Maar als ik spreek met mannen die tien, twintig jaar bij een korps werken, vertellen ze dat ze vroeger tien mensen hadden voor een nachtdienst terwijl ze er nu met moeite vijf vinden die ze kunnen inroosteren.’

Het aantal politieambtenaren dat zich op straat bezighoudt met de handhaving van de openbare orde en het leveren van noodhulp is volgens recente cijfers van RTL Nieuws in vijf jaar tijd gestegen met 127 fulltime banen – oftewel met gemiddeld één agent per regiokorps per jaar. In het Jaarverslag Politie 2009 zijn die cijfers niet terug te vinden; wel staat er dat er zevenduizend agenten zijn bijgekomen. Dat die voor het overgrote deel achter een bureau zitten, vertelt hij er niet bij – het toont de soms misleidende politieke omgang met politiecijfers.