Andere levens

Ik lees op het ogenblik Ik wil nooit vergeven worden – de brieven van Ted Hughes.

Hughes was niet alleen een dichter, maar hij was ook ‘de man van’ Silvia Plath.

Ik lees deze brieven om iets te weten te komen over Hughes’ relatie met Plath, en ik word daarin niet teleurgesteld.

Ik hou van brievenboeken. Onlangs kocht ik voor een vriend weer eens de Braziliaanse brieven van August Willemsen. Geweldige literatuur.

Ik ben een paar keer met August Willemsen op stap geweest. Er werd dan veel gedronken. Drankgebruik zou hem noodlottig worden. Hij stierf te jong. Dat hij geen rol meer speelt in de Nederlandse literatuur kan ik niet uitstaan. Hoe komt dat toch?

Volgens mij is een van de redenen dat ‘bekentenisliteratuur’ uit de mode is geraakt.

De Privé-domeinreeks van De Arbeiderspers (brieven, dagboeken) werd opgericht in een tijd dat – mede dankzij Gerard Reve – men tot de overtuiging kwam dat persoonlijke documenten óók tot de hoge literatuur gerekend moesten worden. De brieven van Reve waren per slot van rekening net zo ‘literair’ als zijn romans. Hoe klein die brieven soms ook waren. Een constructie was niet noodzakelijk. Brieven en dagboeken konden ook schitterend geconstrueerd zijn en al was dat niet zo, ze konden nog briljant van taal wezen.

De brieven van Hughes zijn overigens briljant; de ene mooie zin na de andere vloeit er uit zijn pen. Jaloersmakend. Maar dat terzijde.

In de loop van de tijd beklom men weer de spiraal der opvattingen en is men wéér anders over literatuur gaan denken. Er kwamen vermoedelijk te veel ‘bekentenissen’; de extremen waren afgetast. Wat viel er nog te bekennen? Niks. Er moesten weer inspirerende constructies voor een roman worden bedacht.

Ik hou nog steeds van bekentenisliteratuur. Brieven en dagboeken onthullen de persoonlijkheid van de schrijver en die wil ik graag leren kennen. Als ik lees bén ik niet alleen de ‘ik’ in het boek, maar ook die auteur. Ik schrijf als het ware met hem mee. Ik wil niet alleen zijn impliciete denkbeelden leren kennen, maar ook zijn expliciete. Leven is een manier van lezen en omgekeerd. Ik heb de wellicht naïeve gedachte dat je meerdere, andere levens kunt leven door te lezen. Dat andere leven duurt net zo lang als de boeken van de schrijver die je tot je neemt. En brieven en dagboeken helpen je bij de kunst van het identificeren. Want ik meen dat dat een kunst is.

Ik ontmoet wel eens een auteur en als ik hem of haar aardig vind (lees: interessant), wil ik altijd alles van hem of haar lezen, ook al verschillen onze literaire opvattingen.

Ik heb op deze plek wel eens verteld dat ik vroeger de literaire opvattingen nogal belangrijk vond. Dat kan me tegenwoordig geen barst meer schelen. Ik lees. En voel ik me thuis bij een schrijver, dan wil ik zijn vriendje worden. Dan wil ik alles over hem weten. Hoe leefde hij, hoe schreef hij, hoe gedroeg hij zich tegen zijn vrouw, wat las hij, wat inspireerde hem, wat waren zijn gewoontes en gedragingen? Het is mij vrijwel onmogelijk geworden een literaire tekst los te zien van de schrijver.

En toch ben ik geen grote biografieënvreter. Dat komt, heb ik gemerkt, doordat een biografie voor mij ook een literaire tekst moet zijn, wil ik hem interessant vinden. Of een biografie in wetenschappelijke zin ‘goed’ is of niet interesseert me in feite niet. Als hij maar enigszins de waarheid benadert. Als ik in een recensie de zin zou lezen: ‘De biografie staat vol grappen en grollen en is op sommige punten zeer mooi geschreven, maar inhoudelijk deugt er niets van’ – dan ben ik al op weg naar de boekhandel.

Ik hoop kortom dat de bekentenisliteratuur een herwaardering krijgt.

En lees Ted Hughes!