Andere oplossingen voor het cellentekort

Heenzending, een plechtig woord voor een banale zaak. Heeft het toch iets te maken met de eertijds tot de overspelige vrouw gerichte woorden van Christus: Gaat heen en zondig niet meer?

Die laatste vermaning blijft bij onze heenzendingen achterwege, evenals trouwens de in die woorden gelegen absolutie. De officier van justitie die heenzendt, doet dat alleen omdat er een tekort aan cellen is. Hij zendt bovendien alleen die mensen heen die hun straf in voorlopige hechtenis zouden moeten afwachten. Het zijn degenen van wie wij, als het te pas komt, zeggen dat zij, zolang ze niet onherroepelijk veroordeeld zijn, voor niet-schuldig worden gehouden. Heenzendingen hebben niets te maken met de bij de veroordeling opgelegde vrijheidsstraffen.
Toch zijn heenzendingen ongewenst. Waarom? Simpelweg omdat daardoor het onvoorwaardelijk bevel van de rechter - ‘deze man moet in bewaring worden genomen’ - door het openbaar ministerie niet wordt uitgevoerd. Als het bestuur ingaat tegen de beslissingen van de rechter is dat altijd gevaarlijk. Dat geldt ook hier, al wordt die inbreuk gerechtvaardigd door overmacht. Zolang elke cel maar een bewoner mag tellen, is er in Nederland een tekort aan cellen. Woningnood dus bij van staatswege verstrekte huisvesting. Vaak valt te horen dat de regel 'een cel per persoon’ de gevangene bevoordeelt boven de ziekenhuispatient, die meestal op een zaal ligt. Wie dat zegt, heeft zich niet erg verdiept in het verschil tussen ziekenhuis en gevangenis, en tussen een verdachte/veroordeelde en een zieke.
Het tekort aan cellen vindt zijn oorzaak niet zozeer in het toegenomen aantal verdachten als wel in de lange duur van de gevangenisstraffen. Ons strafklimaat is in korte tijd veel minder mild geworden. Vooral de bestraffing van handel in drugs betekent een zware belasting voor de gevangenissen en huizen van bewaring. Daarom is de idee van de minister van Justitie om de straffen wat te verlagen, niet vreemd. Onder het mildere strafklimaat tierde de misdaad niet weliger dan nu. Vooral vrijheidsstraffen helpen weinig, zoals we allemaal weten. Ze dienen dan ook meer de vergelding dan de resocialisatie van de gevangenen, een woord dat me toch al moeilijk uit de pen vloeit. Alle veroordeelden een jaar of een maandje minder, al naar gelang het feit, zou al flink wat schelen.
Maar uiteindelijk beslissen de rechters over de hoogte van de straf. Daarom is een verruiming van de mogelijkheid tot vervroegde invrijheidstelling ook het overwegen waard. In veel landen is die ruimte veel groter dan bij ons. Uit onderzoeken blijkt dat de samenleving zich wel verzet tegen lage straffen, maar zich niet opwindt over een hoge straf die later drastisch wordt verlaagd. In de Verenigde Staten worden mensen veroordeeld tot, zeg drie maal 96 jaar die na tien jaar of minder toch weer vrij komen. En zou het geen overweging verdienen, als het 'heenzenden’ toch blijft bestaan, om meer gebruik te maken van de - ook al weer elders veel voorkomende - maatregel van schorsing van de voorlopige hechtenis tegen betaling van de borgsom? Tegenwoordig zijn lang niet alle verdachten onbemiddeld.