Het Indonesië van Jokowi

Andere tijden, zelfde zeden

In Indonesië wordt een publieke moraal van preutsheid gecombineerd met een cultuur van ongeremde seks. En waar schijnheiligheid regeert, zijn zondebokken nodig.

Medium hh 49580722

De zevende president van Indonesië, Joko Widodo, staat ook in het buitenland beter bekend als ‘Jokowi’. Jokowi is de eerste president die afkomstig is uit het volk, in plaats van uit de afstandelijke militaire, economische of sociale elite. Dat is na bijna zeventig jaar buitengewoon en dat verklaart ook de informele relatie die hij met zijn achterban onderhoudt. Zo neemt hij regelmatig een ‘bad in de massa’, tot wanhoop van zijn beveiligers. Omdat Jokowi beloofde korte metten te maken met de wijdverbreide corruptie en de sociale ongelijkheid in het land kreeg hij rond de verkiezingen van juli 2015 veel krediet in internationale kring. Maar daar lijkt hij een jaar na zijn aantreden op te hebben ingeboet. Jokowi’s imago is aangetast door zijn onberekenbare, ondoorzichtige en soms bikkelharde optreden, zoals zijn machtsspel rond de voltrekking van de doodstraf in het land. Na de tweede executieronde in april – waarbij net als in januari voornamelijk buitenlanders werden doodgeschoten – is alom de overtuiging gegroeid dat de terechtstellingen politiek gemotiveerd zijn.

De president noemt zichzelf in zijn toespraken in de provincie graag een sterke leider, die ten strijde trekt tegen immorele praktijken en zedelijke verloedering. Indonesië staat volgens hem op het punt ten onder te gaan aan drugscriminaliteit. Jokowi hanteert daarbij uit de lucht gegrepen cijfers en statistieken. Zoals in het stadje Pontianak (Kalimantan), waar hij het publiek een dag na de terechtstellingen van 17 januari toesprak: ‘We tellen nu vijftig Indonesische drugsdoden per dag… dat zijn zo’n achttienduizend doden per jaar… dus gisteren hebben we er een paar geëxecuteerd. Mee eens, mensen?’ Jokowi speelt publiekelijk met de gedachte aan een derde executieronde. Dat zou betekenen dat er in 2015 meer buitenlanders worden geëxecuteerd dan het totale aantal terechtgestelden bedroeg in de voorgaande zestien jaar.

De reden waarom hij indruk wil maken als de krachtige man of zelfs wreker van Indonesië lijkt voor de hand te liggen: de aandacht afleiden van binnenlandse tegenvallers als de steeds sterker tegenvallende economische groei, prijsverhogingen, politieke blunders en een corruptie die, met zijn medeweten, weliger tiert dan ooit. Maar Jokowi speelde al tijdens zijn verkiezingscampagne de moralistische kaart. Hij lanceerde toen bijvoorbeeld het idee van de Revolusi Mental, een ‘mentale revolutie’, die wat hem betreft neerkomt op een radicale herinrichting van het lager onderwijs. Ongeveer tachtig procent van de lessen moet worden besteed aan ‘morele educatie’ zoals godsdienst, fatsoen, karakterontwikkeling en opvoeding. De resterende twintig procent blijft gereserveerd voor lezen, schrijven en rekenen.

President Jokowi is zeker niet de voortrekker van een Indonesisch ‘ethisch reveil’. Zijn voorganger Bambang Yudhoyono zorgde er eveneens voor om preuts en moralistisch over te komen; zo klaagde hij herhaaldelijk dat bepaalde populaire zangeressen in het openbaar hun navel lieten zien. Yudhoyono stond in 2008 aan de wieg van een anti-pornografiewet met een bijzonder ruime uitleg van het begrip pornografie. Hij stelde voor de strafmaat voor overspel te verhogen naar vijf jaar gevangenisstraf, maar ook om ongehuwd samenwonenden voortaan achter de tralies te zetten. Ernstig was ook dat onder zijn bewind tal van incidenten plaatsvonden waaruit bleek dat de toenemende repressie niet alleen een zaak was van de overheid. Er waren gewelddadige invallen in bars met een homoseksuele en transgender klantenkring, door zelfbenoemde en straffeloze straatbendes – een soort vrijwillige moraalpolitie. Prostituees werd het werken moeilijk of onmogelijk gemaakt.

Op lokaal niveau werden en worden ondertussen allerlei buitenissige dwangbepalingen tegen vrouwen afgekondigd. Dat is niet alleen het geval in Atjeh, waar vrouwen niet meer in het openbaar mogen dansen en alleen nog met hun benen naast elkaar achter op de brommer mogen zitten. Vrouwen en mannen mogen trouwens sinds kort niet meer samen op tweewielers op de weg. En sinds de zomer mogen vrouwen niet meer na elf uur ’s avonds alleen in openbare gelegenheden komen, ook niet om te werken. In het Oost-Javaanse Jember is het voorschrift ingevoerd dat alleen maagdelijke eindexamenkandidates nog voor een middelbareschooldiploma in aanmerking komen. De meisjes moeten dus eerst allemaal de gevreesde, zogenaamde ‘tweevingertest’ ondergaan, net zoals de aspirant-politieagentes in het land. In Zuid-Sumatra bestaan plannen voor jaarlijkse tests onder schoolmeisjes, onder het motto ‘elke vrouw heeft recht op maagdelijkheid’. Ook het recente verbod op de kleinschalige verkoop van bier (alleen verkrijgbaar in megasupermarkten) komt tegemoet aan verlangens van zedenprekers en religieuze leiders, die claimen namens het ‘gewone volk’ te spreken.

Jokowi – die overigens net zo min als Yudhoyono bekendstaat als een religieus geïnspireerd politicus – lijkt niet van plan paal en perk te stellen aan deze ontwikkelingen, ondanks protesten. Zo past de derde executieronde waarmee hij flirt uitstekend in het fatsoensregime, waarin het gewone (islamitische) volk als de bron van zedelijkheid wordt beschouwd. Parallel hieraan worden buitenlanders in de Indonesische mainstream media van onfrisse zaken beticht, zoals een verdorven seksuele moraal, drugs- en alcoholgebruik, racisme en gebrek aan respect voor de islam. Een strikte, preutse moraal kan immers niet zonder zondebokken.

Vrouwen mogen niet meer dansen en alleen nog met hun benen naast elkaar achter op de brommer zitten

Enkele maanden terug gaf de hoogste islamitische raad in het land, de mui, een fatwa uit waarin stond dat homoseksuele activiteiten de doodstraf verdienen, als eerder uitgedeelde stokslagen de zondaars niet tot inkeer hadden gebracht. De fatwa zou zijn ingegeven door een toenemende ‘trend van seksuele disoriëntatie’ bij Indonesiërs. Hoewel over de geldigheid van de fatwa later onduidelijkheid ontstond, was de timing ervan opmerkelijk te noemen.

Tegen de achtergrond van de executierondes vond begin 2015 in Jakarta een geruchtmakend strafproces plaats, dat zelfs de kafkaïaanse verbeelding tart. In maart werden de Canadese leraar Neil Bantleman (45) en zijn Indonesische collega Ferdinand Tjiong (42) ieder tot tien jaar gevangenisstraf en een geldboete veroordeeld, voor de bewezen verklaarde verkrachting van drie jongens. Het gaat om leerlingen van de prestigieuze Jakarta Intercultural School (jis, een van de grootste internationale scholen ter wereld), waar ook beide docenten werkten. Indonesische en buitenlandse elites sturen hun kinderen sinds 1951 naar dit door buitenlanders opgerichte privé-instituut, beter bekend als de Jakarta International School. De school moest onlangs van naam veranderen, verplichte islamlessen en Indonesische in plaats van internationale exameneisen invoeren, in overeenstemming met de ‘Indonesische waarden’ die de regering heeft opgelegd. Al eerder waren zes schoonmakers van de school veroordeeld wegens misbruik van jonge leerlingen. Een van hen, die naar verluidt weigerde een bekentenis te ondertekenen, zou zelfmoord hebben gepleegd in zijn cel door het drinken van badkamerreiniger; voor velen staat vast dat hij vermoord is door de politie.

De bewijsvoering tijdens het ‘pedoproces’ lag zwaar onder vuur, voornamelijk van de kant van de internationale gemeenschap. Met reden, zo bleek. Zo was van groot belang voor rechter Nur Bustaman dat Bantleman had toegegeven ‘slechts’ één keer per week seks te hebben met zijn echtgenote. Hun seksleven was daarom ‘abnormaal’, zo verklaarde de rechter: ‘Normale stellen hebben elke dag seks, of twee tot drie keer per week.’ Bantleman vergreep zich aan jongetjes als pedoseksuele compensatie van zijn tekortschietende, abnormale huwelijksleven, zo redeneerde Bustaman. Daarnaast nam ze als vaststaand aan dat hij tijdens de vermeende verkrachtingen de beschikking had over een ‘magische steen’. Hierdoor kon hij de jongens hypnotiseren en eventuele pijn en verwondingen als bij toverslag laten verdwijnen. Die magische steen zou uit het niets verschijnen en weer verdwijnen na gebruik – dat was ook de reden dat het object niet tijdens het (achter gesloten deuren gevoerde) proces getoond kon worden. Ontlastend bewijs, zoals in Singapore opgemaakte medische rapporten, werd niet toegelaten omdat de overgelegde documenten kopieën zouden zijn en geen originelen. De vele getuigenissen en verklaringen die de rechtbank ontving ten gunste van de verdachten werden als bewijs van hun schuld geïnterpreteerd. En het feit tenslotte dat Bantleman en Tjiong geen bekentenis hadden afgelegd en geen berouw getoond werd als strafverzwarend beschouwd. dna-bewijs of andere fysieke sporen van het misdrijf werden niet geleverd; eigenlijk was er geen enkele vorm van wettig bewijs.

Wél was er maanden tevoren een civiele claim van 125 miljoen dollar ingediend tegen de jis, wegens nalatigheid, door een van de betrokken moeders (het bedrag beloopt tweemaal de jis-jaarbegroting). Die claim kreeg door het strafvonnis een stevige bodem, reden waarom er in Jakarta werd gespeculeerd over het percentage dat in de zakken van Nur Bustaman zou verdwijnen. De uitspraak bracht de Amerikaanse ambassadeur Robert Blake ertoe te verklaren dat de Indonesische reputatie als rechtsstaat op het spel stond. Het Indonesische publiek was daarentegen massaal ingenomen met het vonnis tegen de buitenlandse viespeuken.

Uiteindelijk luidde het vonnis in hoger beroep vrijspraak, omdat er geen enkel bewijs van sodomie was aangetroffen; Bantleman en Tjiong werden medio augustus op vrije voeten gesteld. Deze vrijspraak kwam vrijwel onmiddellijk nadat de claim van 125 miljoen dollar was afgewezen door een civiele rechtbank in Jakarta. Wegens gebrek aan bewijs. De wegens misbruik veroordeelde schoonmakers zitten naar verluidt nog steeds achter de tralies.

In snerpend contrast met het fatsoensoffensief van overheid en bevolking staat de onverminderde seks- en schandaalbelustheid van de Indonesiërs. Een publieke moraal van preutsheid en zedelijk conservatisme wordt moeiteloos gecombineerd met een alledaagse ongeremde cultuur van voorhuwelijkse seks, ongebreideld overspel, vluchtige seksuele contacten en massaal prostitueebezoek. Dat welgestelde vrouwen onbekommerd ‘toyboys’ inhuren, al of niet getrouwde mannen routineus seks bedrijven met gewone en transgender prostituees en haastige betaalde seks met minderjarigen tot het vaste aanbod van elke shopping mall behoort, is niet eens een openbaar geheim. De grote vlucht die commerciële seks de laatste decennia heeft genomen is een uitkomst van het hyperconsumentisme, waarvan president Soeharto (1967-1998) een voorstander was: de seksindustrie is wijdvertakt en diepgeworteld, ook in de formele economie. In Soerabaja, de ‘sekshoofdstad’, is de Gang Dolly te vinden: het grootste prostitutiecentrum van Azië. Er bestaat een grote en openlijk gedeelde interesse in alle denkbare vormen van pornografie. Los van de commercie behoren seksueel getinte opmerkingen en grapjes tot de orde van de dag. Op de fysieke details van seksualiteit rust vanouds beslist geen taboe, wat moge blijken uit een typisch Indonesisch fenomeen als de massaal afgenomen ‘tweevingertest’. Sociale media, vooral Twitter, zijn ongekend populair: óók omdat het de ideale vehikels zijn voor het in omloop brengen van home-grown pornografisch materiaal, dat nu binnen handbereik ligt voor iedereen met een smartphone.

Misschien is de cultuur van morele dubbelheid wel de hardnekkigste ideologische erfenis uit Nederlands-Indië

Wat opvalt in Indonesië is de grote schaal waarop politici en gezagsdragers figureren in zulke seksvideo’s. De afgelopen jaren zijn er tientallen filmpjes opgedoken met (lokaal) bekende politici in de hoofdrol, onder wie burgemeesters, raadsleden, parlementariërs en zelfs gouverneurs. De erotische acties van vrouwelijke ambtsdragers zijn daarbij overigens verreweg het meest populair. Bijna altijd is de verspreiding onheus bedoeld: de politicus in kwestie zou de genadeslag worden toegebracht doordat zijn immorele optreden niet valt goed te praten (de seksscènes spelen zich vanzelfsprekend nooit met echtgenoten af).

In echter maar weinig van de geruchtmakende gevallen hebben de door sociale media verspreide beelden geleid tot aftreden of in ongenade raken van de ambtsdrager. De Australische politicoloog Edward Aspinall noemt een voorbeeld uit begin 2013, dat zich afspeelde in Madoera. Het betrof wijdverspreide seksfoto’s waarop het 26-jarige, pas gekozen maar nog niet benoemde dorpshoofd Ibnu Fuad actief is met een onbekende vrouw. De plaatselijke religieuze leiders en enkele ngo’s gingen met de foto’s naar de politie en hielden protestmarsen, maar dat bleef zonder resultaat, ondanks het feit dat Fuads tegenstanders enorme spandoeken hadden laten drukken met de seksfoto’s in kwestie.

Opzienbarend is ook de geschiedenis van de later in 2013 tijdens lokale verkiezingen massaal verspreide seksvideo met het Papoease districtshoofd Stevanus Kaisma. Het gezicht van zijn sekspartner, die het samenzijn stiekem filmde, bleef consequent buiten beeld. Zij probeerde Kaisma er tevergeefs in te luizen in opdracht van zijn grootste politieke opponent. Zelf bleek ze later ook mee te doen aan de verkiezingen, als kandidaat van een van de lokale islamitische partijen. Volgens Aspinall zijn Indonesiërs niet voor niets verzot op _candid camera-_pornografie met een hoofdrol voor nietsvermoedende lokale notabelen en politieke gezagsdragers. De bijna goddelijke autoriteit die hen traditioneel wordt toegeschreven staat in tegenspraak met de zweterige, illegale seks die ze – sinds kort – voor iedereen zichtbaar bedrijven en die hen van hun voetstuk doet tuimelen. Dat laatste was natuurlijk al het geval door hun corruptie en luiheid, maar omdat beelden nu eenmaal luider spreken dan woorden, volgens Aspinall, geven seksfilmpjes de doorslag. Hij beschouwt de politieke seksvideo’s als signaal van een steeds verder voortschrijdende democratisering van Indonesië. De filmpjes brengen politici terug tot de menselijke maat, zegt hij, tot aardse wezens van vlees en bloed in plaats van de afstandelijke en verheven grootheden van weleer.

Dat laatste is maar de vraag. Soekarno, de eerste president van Indonesië, wist bijvoorbeeld het seksbeest en de onaantastbare leider probleemloos in zich te verenigen. Dat blijkt uit de bekende (hoewel betwijfelde) anekdote uit 1961, toen de kgb, de geheime dienst van de sovjets, hem een hak probeerde te zetten. De dienst had twee geheim agentes vermomd als charmante stewardessen, die Soekarno tijdens een vlucht naar Moskou wisten in te palmen en te verleiden tot een erotisch intermezzo in zijn hotelsuite. De kgb filmde de sessie met een verborgen camera en probeerde Soekarno even later in een filmzaaltje te chanteren met het beeldmateriaal. Groot was de consternatie bij de dienst toen Soekarno niet nerveus, maar opgetogen bleek te zijn over de opnamen. Hij vond dat hij het er prima vanaf had gebracht met de Russinnen en vroeg de kgb zelfs om extra exemplaren van de tape, om thuis te kunnen uitdelen. De president ging er kennelijk vanuit dat de seksfilm zou bijdragen aan nog groter ontzag voor zijn persoon. Eenmaal terug in Jakarta verbood Soekarno weldra alle uitingen van rock-’n-roll, die hij beschouwde als hét symptoom van westerse verdorvenheid en een gevaar voor de Indonesische jeugd; ongehoorzame rockmuzikanten verdwenen soms maandenlang in de gevangenis.

Medium rtx1o7xm

Openlijke seksualisering van de Indonesische politiek leidt dus niet vanzelfsprekend tot meer democratie. Een kleingeestige en conservatieve publieke moraal gaat in de Indonesische archipel al heel lang samen met een seksueel ongeremde dagelijkse werkelijkheid. Zo’n gespannen arrangement is natuurlijk onhoudbaar zonder zondebokken. Misschien is deze cultuur van morele dubbelheid wel de meest hardnekkige ideologische erfenis uit Nederlands-Indië. De verwantschap tussen het pedoproces in Jakarta en het zogenaamde Indische Zedenschandaal, dat zich vlak voor de oorlog in en rond Batavia voltrok, spreekt boekdelen.

Veel Europeanen vertrokken naar de moreel flexibele ‘Oost’. Geld was namelijk de enige, werkelijke maat der dingen

‘Ik had hem ook wel eens bij nacht en ontij over de baan zien zwerven. Hij had een opvallend figuur, waardoor hij in het maanlicht goed herkenbaar was (…) Hij was zo bang als een wezel, maar aan de andere kant vreselijk brutaal als het ging om het versieren van Indische jongens.’ Deze verklaring werd begin jaren tachtig vorige eeuw afgelegd door een ‘betrokkene’ bij de heksenjacht die eind 1938 was ingezet in het ‘paradijs voor homo’s’, zoals Nederlands-Indië toen internationaal bekendstond. De man met het opvallende figuur in casu was de 49-jarige resident van Batavia, Henri Fievez de Malines van Ginkel. Hij had in het voorgaande jaar een sussend rapport laten uitgaan naar lokale christelijke politici, die alarm hadden geslagen over de ‘hand over hand toenemende homoseksuele ontucht’ in Batavia. Ondanks de geruststelling van de resident kwam het ‘verslappen van het zedelijkheidsgevoel op Java’ op de agenda van de Tweede Kamer terecht. Volgens de minister van Koloniën Welter was er geen reden tot bezorgdheid. Een begrijpelijke reactie, want de kolonie moest immers het toonbeeld van rust en orde zijn en blijven. Toch was de Bataviase politie overgegaan tot grotere waakzaamheid.

Uiteindelijk kregen de agenten een man in het vizier, die al snel toegaf seks te hebben gehad met minderjarige jongens. Bij een huiszoeking werd een grote hoeveelheid expliciete brieven aan en van homo’s gevonden uit de hele archipel; ook noemde de verdachte vele namen uit het plaatselijke homocircuit. In de aanloop naar Kerstmis vonden de eerste arrestaties wegens ‘ontucht in abnormale vormen’ plaats, evenals de eerste getuigenverhoren. Getuigen waren de minstens honderd opgepakte Indonesische en Indische jongensprostitués of katjongs, die zich rond de bruggetjes over de Molenvliet (in de ‘benedenstad’) ophielden. Ze waren goed herkenbaar, zo tekende historicus Gosse Kerkhof op: ‘Je had in die tijd een soort van lieve straathoertjes en die liepen speciaal rond in een lange witte broek, Europees dus, en een blauw Tweka-hemdje.’ De katjongs werden op het bureau geconfronteerd met een optocht van verdachte mannen uit alle lagen van de koloniale samenleving. Men arresteerde artsen, hulp-markmeesters, rechters, loodgieters, hoofdklerken en kunstenaars, zoals de Duitse musicus en schilder Walter Spies, die vluchtte uit Bali maar op Java toch gepakt werd. Als iemand als klant werd herkend door een katjong werd hij direct vastgezet. De arrestatiegolf breidde zich snel over heel Java en Bali uit. Volgens Kerkhof, die het zedenschandaal grondig onderzocht, raakten de Huizen van Bewaring al gauw overbevolkt en moest het personeelsbestand van justitie en politie worden uitgebreid.

Na een korte pauze kwam er in januari 1939 een tweede golf van arrestaties, waaronder de aanhouding van de resident van Batavia, een grote vis. Justitie wantrouwde hem al langer, niet alleen vanwege zijn leugenachtige rapportages, maar ook omdat hij betrokken was geweest bij een prostitutiekwestie. Nadat een paar jongensprostitués hadden verklaard dat de resident tot hun vaste klantenkring behoorde, moest hij van hogerhand de kolonie zo snel mogelijk verlaten. Al op 13 januari vertrok de resident vanuit Soerabaja met de Tjinegara naar Amerika (volgens Kerkhof ging alles haastig vanwege gebrek aan concreet bewijs én om de zaak uit de openbaarheid te houden).

Bizar genoeg werden bij de tweede arrestatieronde tijdens huiszoekingen seksfilms aangetroffen waarin de resident figureerde, reden waarom hij in Makassar (Celebes) van de boot werd gehaald en weer richting Batavia gestuurd. Men besloot ditmaal ‘zonder onderscheid des persoons’, ‘onverbiddelijk’ op te treden en na urenlange verhoren bekende de resident de misdrijven en het opmaken van valse rapportages inzake homoseksuele ontucht. Henri van Ginkel, ex-resident van Batavia, kreeg uiteindelijk acht maanden gevangenisstraf; hij verloor zijn pensioen omdat zijn ontslag van ‘eervol’ werd veranderd in ‘oneervol’.

In maart 1939 was het Indische Zedenschandaal al weer zo goed als voorbij. Kerkhof stelt dat in ruim vier weken 223 mannen als verdachte van strafbare seksuele handelingen waren aangehouden. Het merendeel kreeg een celstraf van tussen de twee maanden en twee jaar; werklozen, laagopgeleiden en buitenlanders werden de kolonie uitgezet. De minister van Koloniën had inmiddels laten weten dat hij bedenkingen had tegen de ‘kloeke’ aanpak en de grote schaal van de vervolgingen. Hoewel er in gouvernementskringen nog wel werd gepraat over de affaire bleef een beleidswijziging of ander overheidsinitiatief op zedelijk gebied uit. Toch waren ‘na deze hysterische jacht’, in de bewoordingen van Kerkhof, ‘carrières gebroken, huwelijken ontwricht en levens vernietigd’. Een schoolhoofd te Bandoeng had in de kerstnacht zelfmoord gepleegd nadat hij in de Java-Bode was beticht van betrokkenheid. Nog twee andere mannen kozen eveneens voor de uitweg van zelfmoord. Anderen ontvluchtten de kolonie of doken lange tijd onder. Wat was het politieke belang van deze even korte als hevige ophitsing tegen homo’s?

Nog altijd zijn historici het niet met elkaar eens. Gedacht werd aan een complot van de nsb – die een geduchte aanhang had in de kolonie – om politieke instabiliteit te creëren en daarmee een voedingsbodem voor nationaal-socialisme of misschien wel een staatsgreep. Anderen geloofden aan opzet van de nationalisten, die zouden hebben willen onderstrepen hoe moreel verderfelijk de imperialistische overheerser was, vooral met het oog op de zedelijkheid van de Indonesische jeugd. Weer een andere historicus gaf de schuld aan de conservatieve, benepen echtgenote van de pas aangekomen gouverneur-generaal, A. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer, die naar verluidt danig geschrokken was van de – in haar ogen – zedeloze vuige bende in Batavia. Zij zou haar echtgenoot hebben aangezet tot een radicale fatsoenering van de kolonie. Ook de Indische pers werd genoemd als aanstichter, vanwege de enorme felheid waarmee de kranten zich op het schandaal stortten (de hoofdredacteur van de Java-Bode eiste bijvoorbeeld een ‘grote schoonmaak onder het internationaal wrakhout’ op Bali). Uit onderzoek bleek echter dat de Indische pers altijd met overgave berichtte over aanstootgevende kwesties, in de kenmerkende ‘tropenstijl’.

Gosse Kerkhof dacht dat de verklaring lag in een samenloop van omstandigheden. Onderhuids was in de jaren dertig al veel angst en onrust ontstaan onder Europeanen door de economische crisis, de opkomst van de nationalistische beweging en de dreiging van wereldoorlog. De positie van Europeanen in de kolonie berustte op vanzelfsprekend prestige en gezag, die in gevaar kwamen door het, stilzwijgend getolereerde, gedrag van de homo’s onder hen. Deze mannen werden ineens beschouwd als bedreiging van binnenuit door hun seksueel ‘abnormale’ gedrag; ze kregen de rol van zondebokken. Een arrestatie die onverwacht materiaal opleverde, overijverige politie en een schandaalbeluste pers leidden tot een explosie van ongenoegen. De koloniale regering was geschrokken van de omvang die de affaire had aangenomen. Vanwege de internationale situatie wilde men de kwestie snel van tafel. Dat lukte en Nederlands-Indië ging over tot de orde van de dag.

Kerkhof had gelijk. De politieke stabiliteit van de kolonie hing nadrukkelijk samen met de seksuele moraal, dat was al het geval in de voc-tijd. De uiterlijke schijn van orde, fatsoen en rigide gezag ging echter gepaard met een grote persoonlijke vrijheid in levensbeschouwelijk, sociaal en seksueel opzicht. Dat was voor veel mensen uit Europa een belangrijke reden om naar de moreel flexibele ‘Oost’ te vertrekken. Geld was namelijk de enige, werkelijke maat der dingen.

Dat is tegenwoordig in Jakarta nog steeds zo. Door ingevoerden rond het pedoproces werd gefluisterd dat de machtige gebroeders Bakrie – Indonesische durfkapitalisten in overtreffende trap – de hand hebben gehad in de opzet én de aanvankelijke uitkomst van de strafzaak tegen de docenten. Hun uiteindelijke doel zou het bankroet van de jis zijn geweest, zodat de broers zich meester hadden kunnen maken van het zeer gewilde onroerend goed van de school. Deze replay van het Indische Zedenschandaal, met ‘abnormale seks’ als treurig refrein, laat zien hoe diep schijnheiligheid geworteld is in Indonesië. President Jokowi, die in december 2014 beloofde ‘alles te zullen doen om de mensenrechten te respecteren’, kan zich misschien losrukken van die wortels. Maar de executierondes van begin 2015 beloven niet veel goeds.


Beeld: (1) Travestieten backstage voordat ze aan een show beginnen in Mojokerto, Oost-Java. Deze groep heeft in Indonesië erg te lijden onder discriminatie. Foto: Gembong Nusantara / HH; (2) Jakarta, 14 augustus. De Canadese leraar Neil Bantleman met zijn vrouw Tracy nadat hij en de schoolassistent Tjiong Ferdinand in hoger beroep zijn vrijgesproken van seksueel misbruik van drie studenten. Foto: Beawiharta / Reuters