Anderhalve waarheid

Ik heb eens met Elias Canetti, tijdens de Frankfurter Buchmesse, in de bar van het Frankfurter Hof gezeten, maar de lezer die denkt dat ik onze flonkerende conversatie zal reconstrueren komt bedrogen uit, want ik was veel te schijterig de beroemde schrijver aan te spreken.

Hij was, verneem ik in de diverse In Memoriams, een geestverwant van de Weense satiricus Karl Kraus. Dat is slechts ten dele waar. Canetti stond in zijn jongelingsjaren ongetwijfeld onder de invloed van zijn genadeloze stadgenoot. Op een bepaald ogenblik kreeg hij echter zo genoeg van ’s mans verbale executies dat hij brak met ‘de slechte gewoonte om anderen aan te klagen’.
Wat restte was een gemeenschappelijke verslaafdheid aan het aforisme. Het is over het algemeen een vorm van humor met een hoog Seth Gaaikema-gehalte, waar ik dus niet zo van hou. Gezegd moet worden dat Kraus het genre meesterlijk beheerste. Dat bedoel ik niet als een compliment. Hij was een kommaneuker, wiens visie niet verder reikte dan de middageditie van de Neue Freie Presse en wiens oeuvre uit louter kwikken en strikken, ornament en vuurwerk bestaat. Toegegeven, Kraus was de opperpriester van de soort. Hij zei: 'Er zijn vrouwen die niet mooi zijn, maar er alleen maar mooi uitzien.’ En: 'Seksuele voorlichting is in zoverre nodig, dat meisjes niet vroeg genoeg aan de weet kunnen komen hoe de kindertjes niet ter wereld komen.’ En: 'De psychoanalyseis de geestesziekte die pretendeert haar eigen therapeut te zijn.’ En:'Journalisten schrijven omdat zij niets te zeggen hebben en zij hebben niets te zeggen omdat zij schrijven.’ En: 'Erotiek verhoudt zich tot seksualiteit als winst tot verlies.’ En (over zijn vele epigonen): 'Hij zingt zoals ik gebekt ben, hij neemt geen blad voor mijn mond en hij spreekt fris van mijn lever.’
Canetti zou ik geen Kraus-epigoon willen noemen, behalve in zijn verslaafdheid aan het aforisme, die vele honderden bladzijden in zijn Verzameld Werk beslaan.
Een aantal zal postuum verschijnen. Ik citeer er enkele. 'Een wijs man heeft nooit het overmatig vreten geleerd.’ En: 'Er zijn onder de honden luiwammesen die zelfs weigeren te ruiken.’ En: 'Tijdens zes dagen Wenen wordt men meer voorgelogen dan tijdens zes jaren elders in de wereld.’ En: 'Sinds hij gelukkig en verliefd is neemt hij het woord “God” niet meer in de mond.’
Het zijn de vier beste die mij, kiezende uit een stuk of zestig aforismen, ter beschikking staan. Een partijdige keuze is het niet, want ik ben Canetti natuurlijk goedgezind, zodat het mij spijt te moeten constateren dat Kraus’ slechtste aforismen nog altijd beter zijn dan de beste van Elias Canetti.
Het blijft een genre voor moppenvertellers, een demagogische vorm van literatuur die niettemin af en toe trefzeker de roos weet te raken. Of zoals voornoemde Karl Kraus het, beter dan wie dan ook, heeft gezegd: 'Een aforisme is nooit waarheidsgetrouw. Het is of de halve waarheid, of anderhalve waarheid.’