Andermaal een verdiend pak slaag

Als het die woensdagmiddag om vijf uur niet plotseling was gaan stortregenen, was de opkomst waarschijnlijk geen veertig, maar vijftig procent geweest. Het bleef een electoraal pak slaag zonder precedent. Werd Amsterdam niet door een gemeentebestuur maar door een Raad van Commissarissen geleid, dan was deze ongetwijfeld door de aandeelhouders naar huis gezonden.

In feite ging het trouwens niet om die stadsprovincie maar om een algemeen gevoel van onbehagen, met name gericht op de dreigende institutionalisering van de deelraden met hun nepburgemeesters en vijfderangs wethouders, deelraden die in een sfeer van nepotisme en onbekwaamheid opereren en die de bevolking met de gebruikelijke bestuurlijke arrogantie in de maag zijn gesplitst. Daarom alleen al getuigt het van weinig realiteitszin om die 92 procent tegenstemmers te karakteriseren als de achterneven van de beroepsquerulant Hadjememaar. In werkelijkheid betrof het een meer dan representatieve steekproef, met een zo indiscutabel resultaat dat zelfs burgemeester Patijn onmiddellijk verklaarde dat de stadsprovincie vanzelfsprekend van de baan was. Anderen, minder sportief, kwamen met het argument dat die veertig procent stemmers een minderheid vormden die dus niet zo'n grote mond moesten opzetten. Of de zestig procent niet-stemmers automatisch bij de voorstanders moeten worden ingelijfd, wij weten het niet. Het is niet waarschijnlijk. In elk geval telt hun stem niet mee.
Als twintig jaar geleden, schreef Het Parool, per referendum over de aanleg van de Amsterdamse metro was beslist, was deze - inmiddels geslaagde - wijze van openbaar vervoer er nooit gekomen. Dat is zonder meer waar, al moge worden herinnerd aan het feit dat het verzet niet zozeer tegen de metro zelf was gericht, als wel tegen de route van de metro, die een historische stadswijk dreigde te verpletteren - een stadswijk die inmiddels trouwens weer keurig is opgebouwd, want het Amsterdamse stadsbestuur doet soms ook verstandige dingen.
De campagne had ongetwijfeld populistische elementen, zoals een referendum zelf een populistisch instrument is dat slechts in noodgevallen moet worden gehanteerd. Een behoorlijk bestuurd land steunt op het vierjaarlijks gedelegeerde vertrouwen. Dat er in dit geval een referendum nodig was om die stadsprovincie te torpederen, bewijst voornamelijk dat de geest van Brezjnev nog steeds door de wandelgangen van het hoofdstedelijk stadhuis waart.
En elders in het land. Zo vertoonde de stadstelevisie op de avond van de verkiezingen een Haagse dame die de socialistische staatssecretaris voor stadsprovinciale aangelegenheden bleek te zijn. Met grote angstogen beriep zij zich in het starste bestuurdersproza op haar ‘eigen verantwoordelijkheid’. Geen protege van the great communicator Felix Rottenberg, zo te zien, meer een omhooggevallen dorpspoliticus waarin niet alleen de gemeente Amsterdam is gespecialiseerd. Heeft de PvdA nog steeds niet door dat zij met dit soort bewindslieden gegarandeerd een volgende verkiezingsnederlaag tegemoetgaat?