A.S. Byatt

Andermans leven leven

In haar roman «De biograaf» onderzoekt A.S. Byatt de relatie tussen de schrijver en het object van een biografie. En in haar nieuwste essaybundel bestudeert ze de

grenzen tussen feit en fictie.

In haar nieuwste roman, haar eerste sinds het in 1990 met de Bookerprijs bekroonde Possession, gaat A.S. Byatt in op de nauwe relatie tussen auteur en object van de biografie en komt tot de conclusie dat het voor een biograaf uiterst moeilijk en wellicht ook niet aangenaam is om de historische roman uit zijn werk te bannen. De biograaf is dan ook meer dan zomaar een roman; het lijkt wel een verslag van een heel persoonlijke zoektocht naar de grenzen van feit en fictie. Waar stopt de geschiedenis en waar begint het verhaal, zo lijkt A.S. Byatt zich af te vragen. Ongeveer tegelijk met de roman verscheen ook Byatts nieuwste essaybundel, On Histories and Stories. En zoals te verwachten zeggen twee boeken meer dan een.

In de meer dan tien jaar dat A.S. Byatt Engelse literatuur doceerde aan de Londense universiteit, zo leren we uit deze bundel, heeft ze vooral één zaak geleerd: het modieuze gekwaak van de postmoderne literatuurwetenschappers is in feite niet méér dan een luchtkasteel. Wat heb je aan al dat getheoretiseer dat vooral een politieke agenda verbergt en de literatuur voor vrij sinistere doeleinden wil gebruiken? Goede boeken, politiek correct of niet, daar draait het om. Ook Phineas Gilbert Nanson, hoofdpersoon uit De biograaf, komt tot dit besluit. Alleen is hij student in plaats van hoogleraar en dat maakt het er allemaal niet makkelijker op.

Hij wil dingen, zo beseft Phineas midden in de les, geen eindeloze zoektochten in de geest van schrijvers meer. Gedaan dus met Lacan en Derrida; en daarmee ook een streep onder zijn eindverhandeling. Als hij zijn besluit meedeelt aan zijn professor komt het gesprek op ene Scholes Destry-Scholes, de biograaf van de Victoriaanse ontdekkingsreiziger Sir Elmer Bole. Dat boek moet je lezen, raadt de academicus de student aan en geeft hem de drie dikke delen. Phineas begint ze die avond te lezen en is onder de indruk. Op die manier, beseft hij, dient een biografie geschreven te worden: eerst alles lezen wat er te lezen valt, je de taal van je object eigen maken, alles doen en denken wat het gedaan heeft en je vervolgens niet inlaten met gespeculeer of onnodige uitweidingen. Het resultaat is een traditionele, Engelse biografie: ongedurfd maar oerdegelijk.

Omdat hij toch een eindwerk moet afleveren en een biografie daar ook voor kan doorgaan, besluit Phineas in de voetsporen van zijn voorbeeld te treden en het leven van Scholes Destry-Scholes zelf te gaan beschrijven. Alleen is er van deze man praktisch niets bekend. Waar hij geboren is en dat hij wellicht is verdronken in de Noorse Maelström terwijl hij daar onderzoek deed, dat is het ongeveer. Via-via komt hij echter in het bezit van drie ongepubliceerde documenten van Destry-Scholes, documenten die Byatt ook volledig weergeeft. In het eerste volgen we de plantentaxonoom Carl Linnaeus op zijn reis door Lapland en bij zijn bezoek aan de Maelström. In het tweede lezen we een verslag over de Afrikareis die de eugeneticus Francis Galton — een neef van Darwin — midden negentiende eeuw maakte. Het derde document is een karakterschets van de toneelauteur Hendrik Ibsen, een eigenzinnig, stuurs man.

Wanneer ook nog een nicht van Destry-Scholes opduikt, met een paar schoendozen steekkaarten en een reeks foto’s, is het mysterie compleet. Ergens moeten deze zaken samen steekhouden, meent Phineas, maar hoe de vork precies in de steel zit, komt hij niet te weten. «Ik was een mislukkeling als semioticus», concludeert hij. «Ik was niet goed in het lezen van tekens.» Dat laat Byatt meteen de kans nog eens uit te halen naar de literatuurtheoretici.

Hoe meer Phineas zich in het leven van Destry-Scholes verdiept, hoe meer hij begrijpt dat het schrijven van een droge, Engelse biografie niet voor hem is weggelegd. In zijn hoofd combineert hij de documenten en de steekkaarten met elkaar. Wie zijn die mensen op de foto, vraagt hij zich af. Zag Destry-Scholes zichzelf als een samenstelling van Linnaeus, Galton en Ibsen? En waarom juist die drie? Bovendien blijkt dat Linnaeus heeft gelogen over zijn reis naar de Maelström. Hij is er nooit geweest. En Destry-Scholes heeft eigenhandig de documenten van Galton vervalst, ontdekt Phineas. Wat moet hij daar allemaal mee? «Ik werd er als het ware toe ‹gedwongen› mijn eigen verhaal te schrijven, en wel op zeer verschillende manieren. Het glipte er vanzelf tussen, nu eens scherp, dan weer onscherp, de ene keer piepklein op de achtergrond, op andere momenten levensgroot. Bij elkaar ontstond er zoiets als een composietportret — vager dan een genetisch homogene foto, maar van wie? Van Destry-Scholes? Of was het, omdat ik heb moeten schikken en herschikken, Phineas G. Nanson?»

Net zoals Antoine Roquentin uit Sartres La nausée komt Phineas tot de conclusie dat elke biografie in feite constructie en falsificatie is. Het leven is een grote chaos. De biograaf steekt er een lijn in. Of zoals Freud al zei: «Wie biograaf wil worden dient zich bezig te houden met leugens, verzwijgingen, hypocrisie en heldenverering; en zelfs met het verhullen van zijn eigen gebrek aan begrip. Want de biografische waarheid is niet te achterhalen, en al ware zij dat wel, we zouden haar niet kunnen gebruiken. Dat soort waarheid ligt niet binnen ons bereik. De mensheid verdient haar niet.»

Het behoeft dus wellicht geen betoog dat Byatt niet veel op heeft met de moderne, uiterlijk beschrijvende biografie. Zelf neigt ze veel meer naar de romantische voorlopers daarvan, zoals we die kunnen lezen in Rousseaus Confessions, of Goethes Die Leiden des Jungen Werthers.

Naar het einde toe laat Byatt haar boek bijna ongemerkt van een beschrijving van een biograaf overgaan in een ode aan de historische roman. Daar is ze op bekend terrein, zoals eveneens blijkt uit de essaybundel. Ook daarin verdedigt ze dit genre tegen zijn mogelijke vijanden. De historische roman is geen escapisme, zegt ze. Jeanette Winterson en Caryl Phillips herschrijven de geschiedenis via de fictie en zetten daarbij de rol van de marginalen en de vergetenen extra dik in de verf. Maar, zo vraagt ze zich ook af, hoe komt het toch dat ondanks vele literatuurcritici die de historische roman maar niets vinden en boeken eisen die kritiek spuien op het heden, en ondanks het overwicht van de pulp en de gevoelsroman er toch zo veel goede historische romans worden geschreven? Hoeft het te verwonderen dat ze een antwoord zoekt in de geschiedenis? Wellicht niet. De modernistische roman was vooral op zoek naar het zelf van de mens en na een halve eeuw bleek dat dit organische, eenvoudige zelf misschien wel een grandioze fictie was. De reactie daarop kan in twee richtingen gaan. Ofwel deconstrueer je de boel en mond je uit in eindeloos geouwehoer, ofwel grijp je als schrijver terug naar een oudere schrijfvorm en probeer je daar iets mee te doen, en dan kom je natuurlijk al gauw uit bij de historische roman. «We houden van historische personages omdat ze onkenbaar zijn», schrijft Byatt, «slechts voor een deel toegankelijk voor de verbeelding, en we vinden deze duisternis aantrekkelijk.» Of hoe theorie en praktijk, in de vorm van essay en roman, samen een mooi geheel kunnen vormen.

A.S. Byatt

De biograaf

Vertaald door Hein Groen en Gijs Went

uitg. De Bezige Bij, 326 blz., ƒ49,90

A.S. Byatt

On Histories and Stories

Uitg. Chatto and Windus, 196 blz.