Componist Georges Aperghis

Andermans lijden

In Migrants vindt componist Georges Aperghis rake muzikale metaforen voor de belevingswereld van vluchtelingen.

Georges Aperghis – ‘Ik onderstreep in mijn muziek niets, psychologisch noch dramatisch’ © Xavier Lambours / Muziekgebouw aan ’t IJ

‘Ik wil niet alleen een gezicht geven aan de verdronken lichamen die dagelijks op de Europese stranden aanspoelen, maar ook aan de levenden die zonder identiteit door Europa dolen en officieel niet langer als levend te boek staan.’ Met deze kernachtige samenvatting beschrijft de Grieks-Franse componist Georges Aperghis (1945) zijn compositie Migrants, die in maart van dit jaar door het Duitse kamerorkest Ensemble Resonanz op het festival MaerzMusik Berlin in première werd gebracht en 15 november in Muziekgebouw aan ’t IJ in Amsterdam zal klinken.

‘Dat is wat zich van dag tot dag voor onze ogen afspeelt. In de media is het onderwerp van de radar verdwenen, het is op een bepaalde manier “uit”. De waarheid is: er sterven dagelijks mensen voor onze kusten, voor onze ogen. Nog veel meer mensen raken op een andere manier spoorloos. Zij verliezen hun identiteit.’ Aldus Aperghis voorafgaand aan de eerste uitvoering van Migrants, dat door de Duitse pers lovend werd ontvangen.

‘Een grandioos werk’, schreef het Hamburger Abendblatt onder de kop Ein Werk wie ein Soundtrack zu Migration und Flucht, ‘dat abstractie en politieke boodschap met elkaar verbindt’. Volgens de Süddeutsche Zeitung treft het ensemble ‘donderende en sidderende klanken met precieze kracht’. De recensent citeert de dichter Rainer Maria Rilke die in 1912 noteerde: ‘Het schone is niets/ Dan het juist nog door ons te verdragen begin der verschrikking.’ Neues Deutschland rapporteert dat het publiek geen seconde de aandacht verloor en na afloop de uitvoerenden ‘dankbaar en met grote bewondering’ lof toezwaaide. ‘Een eigentijdse, buitengewoon belangrijke avond.’

Een avond die ook in Muziekgebouw aan ’t IJ bestaat uit een tweeluik: Aperghis’ nieuwe werk Migrants wordt voorafgegaan door Dagboek van een verdwenene van Leoš Janáček in een bewerking voor ensemble. Daarmee komt Janáčeks liedcyclus (voltooid in 1919) in een nieuw licht te staan: wordt hij doorgaans geïnterpreteerd als een autobiografisch geïnspireerde liefdesgeschiedenis, componist Johannes Schöllhorn, die tekende voor de instrumentatie van de partituur, benadrukt het universele karakter van de tekst. Deze gaat niet zozeer over Janáčeks eigen liefdesperikelen (de componist raakte op latere leeftijd in de greep van een diepe verliefdheid) maar moet worden begrepen als een pars pro toto voor de politiek-sociale ontwikkelingen aan het begin van de twintigste eeuw: de grote migratiestromen in het spoor van de Industriële Revolutie en de Eerste Wereldoorlog. Volgens Schöllhorn beschrijft Janáček in Dagboek van een verdwenene – gebaseerd op in de krant afgedrukte gedichten – van lied tot lied de gemoedstoestand van zijn protagonist Janek: diens angst en twijfel, de ontwikkeling die hij doormaakt en zijn groeiende verlangen naar een nieuwe wereld. Om deze onconventionele interpretatie muzikaal geloofwaardig te maken koos Schöllhorn voor twee sopranen in plaats van de gebruikelijke combinatie van een mannen- en vrouwenstem, die een amoureuze connotatie in de hand werkt.

De werken van Janáček en Aperghis vormen één geheel: enerzijds door het overkoepelende thema ‘verdwijningen’, anderzijds door de identieke bezetting, die is ontleend aan Muziek voor strijkinstrumenten, slagwerk en celesta (1936) van Béla Bartók. Opvallend is de afwezigheid van blazers, zowel koper als hout. De muziek is volledig abstract, benadrukt Aperghis in interviews. ‘Ik onderstreep niets, psychologisch noch dramatisch.’ Toch probeert hij in zijn noten het schrijnende karakter van het onderwerp te raken. Aperghis’ sobere, kale toonzetting contrasteert met zijn doorgaans levendige en satirische idioom – slechts zelden spelen alle musici tegelijkertijd. Het is uitgebeende niet-muziek, meent Johannes Schöllhorn, ‘muziek in shock’.

Aperghis benadrukt dat andermans lijden zich niet zonder meer op muziek laat zetten. ‘Iemands levensverhaal zingen terwijl diegene er in z’n volle misère naast zit, is gewoon onfatsoenlijk, net als een televisiecamera richten op iemand die huilt. Hoe kan muziek uiting geven aan de ellende van de vluchtelingen? Toch is het noodzakelijk om namens hen te spreken, aangezien zij zelf geen stem hebben. We moeten een equivalent vinden voor hen die niets hebben. Vier woorden, een snaar, nauwelijks een strijkstok, zoals een straatmuzikant op een gammel instrument. Hoe vinden we de juiste taal?’

‘Het kan toch niet dat we ons alleen afvragen of andere culturen een bedreiging vormen?’

In Migrants vindt Aperghis desondanks rake muzikale metaforen voor de belevingswereld van vluchtelingen. Sommige teksten worden gemompeld in een fantasietaal: dat hoort een buitenstaander in een land waarin hij of zij geen woord verstaat. De verhouding tussen de zangstemmen en het orkest is te vergelijken met de regen en de wind in het leven van daklozen: ‘Gebeurtenissen waar je geen invloed op hebt – oorlog of revolutie, regen of wind.’ Verrassend is het gebruik van de zogeheten ‘geofoon’, een metalen trommel met stenen erin, die Olivier Messiaen als instrument introduceerde in zijn orkestwerk Des canyons aux étoiles. In Migrants verbeeldt de geofoon het enige concrete geluid in de partituur: het bruisende, ratelende geluid van de branding die op kiezelstenen slaat. Zo maakt hij de zee tot personage, een zwijgende getuige die een stem krijgt.

Zo’n poëtische vondst is typerend voor de componist die de finesses van het muziektheater kent en die in subtiele klankassociaties een hele wereld kan oproepen. Georges Aperghis groeide op in een rijk artistiek milieu; zijn vader was beeldhouwer en zijn moeder schilder. Als achttienjarige verliet hij Griekenland en trok naar Parijs. Dat hij zelf een vluchteling zou zijn geweest, spreekt hij tegen. Hij vertrok uit eigen wil, hoewel hij gedurende de militaire junta (van 1967 tot 1974) niet naar zijn geboorteland kon reizen en hij zich tijdens zijn eerste jaar in Parijs wel degelijk verloren voelde: hij kende er niemand, had geen cent op zak en sprak de taal niet. Later raakte hij bevriend met zijn oudere, eveneens in Parijs neergestreken landgenoot Iannis Xenakis, bij wie hij compositie ging studeren. Na door Xenakis te zijn geïnitieerd in het dan vigerende serialisme en de aleatoriek (toevalsoperaties), sloeg Aperghis een eigen muzikale weg in. In 1976 richtte hij het Atelier Théâtre et Musique (Atem) op, een initiatief dat zich weerspiegelt in de toenemende theatraliteit van zijn composities.

Hoewel Migrants niet is geënsceneerd, heeft Aperghis bij het componeren wel rechtstreeks op zijn theaterervaring teruggegrepen. ‘De uitdaging is om niet sentimenteel te worden, het leed niet te dik aan te zetten – dat vind ik belangrijk. Ik kan dit onderwerp alleen met de grootst mogelijke deemoed benaderen’, vertelde hij in een gesprek met Elisa Erkelenz, dramaturg van Ensemble Resonanz. Dat is de reden dat zijn keuze is gevallen op tekstfragmenten uit Joseph Conrads legendarische novelle Heart of Darkness (1899), waarop ook de film Apocalypse Now van Francis Ford Coppola is gebaseerd. Met opzet heeft hij een boek genomen dat zich in een ander werelddeel afspeelt (Afrika), zodat de thematiek – de desastreuze gevolgen van het kolonialisme – zich niet op een anekdotisch niveau afspeelt maar als een universeler en abstracter gegeven wordt gepresenteerd. ‘Het gaat mij er niet om een specifieke geschiedenis te vertellen. Wat mij interesseert is dat het om mensen gaat die als dieren worden behandeld. En dat gebeurt overal.’ De afstand die Conrad creëert, stelt Aperghis in staat zijn verbeelding de vrije loop te laten: ‘Veel meer dan wanneer ik een krantenbericht had genomen.’

De vraag die Aperghis stelt is een dilemma dat hij al in de Griekse tragedies van Sophocles ontwaart: laten we de vluchtelingen aan hun lot over? Laat je een gewonde achter? Of blijf je bij hem of haar, om desnoods samen te sterven? ‘Het is niet aan mij om te vertellen wat er politiek moet gebeuren. Het gaat mij om iets veel directers: hoe verhoud ik me tot al die beelden, tot al die verhalen, tot al die abstracte cijfers?’ En natuurlijk gaat het lot van de vluchtelingen hem aan het hart. ‘In sommige Europese kampen hebben de migranten geen idee wanneer ze die ooit zullen verlaten. Zo ontstaat verlies van identiteit, een geleidelijk verlies van het zelf, van het denken…’

Dat humanitaire drama grijpt hem aan, te meer daar Aperghis een diepe bewondering heeft voor de culturen in het Midden-Oosten. ‘Deze migranten zijn afkomstig uit grote beschavingen’, zegt hij in 2016 in een interview met het Neue Zeitschrift für Musik. ‘Voor mij is het altijd vanzelfsprekend geweest om met instrumenten en conventies uit deze tradities te werken. Ik heb veel onderzoek gedaan naar Afrikaanse en Iraanse muziek; dat heeft mij evenzeer geïnspireerd als “onze” muziek. Ik had nooit Récitations uit 1978 kunnen schrijven als ik niet vertrouwd was geweest met de Ethiopische muziek. Maar deze beschavingen zijn nauwelijks bij ons bekend.’

Hij bewondert de ritmes van de Pygmeeën: ‘Die zouden we echt op het conservatorium moeten leren. En neem de Iraanse santoor (een soort hakkebord – jvo), dat is een wonder, krankzinnig mooie muziek, zo verfijnd, zo sophisticated. Hetzelfde geldt voor de tombak: een compleet slagwerkorkest in één trommel. We onderwijzen het niet, we besluiten dat het niets voor ons is. We nemen een tabla en in plaats van die te bestuderen en te leren bespelen, slaan we er met een stok op om er een “gek” geluid uit te krijgen. Natuurlijk kun je dat doen, maar op z’n minst moet je het instrument leren bespelen en de wereld begrijpen die erachter schuilgaat. Dat wordt bewust allemaal buiten beschouwing gelaten.’ Het is een desinteresse die Georges Aperghis irriteert: ‘Het kan toch niet zo zijn dat we ons alleen afvragen of andere culturen een bedreiging vormen?’

Toch gelooft Aperghis dat kunst haar invloed kan laten gelden. De muziektheaterman in hem wijst op de dialectiek tussen beeld en geluid, tussen tekst en muziek – en de polyfonie tussen al die aspecten. ‘Je kunt tegenstellingen creëren die ervoor zorgen dat het publiek niet de hele tijd met een soort grafsteen wordt geconfronteerd. Mensen zeggen dat het moeilijk is om naar hedendaagse muziek te luisteren, maar dat is gewoon niet waar. Als de muziek en de musici oprecht zijn, dan worden de luisteraars geraakt, dat is altijd zo geweest. Ik heb nooit problemen gehad met het publiek. Er zijn mensen die zeggen “ik begrijp deze muziek niet”, ja, duidelijk! Dat is omdat ze ergens geleerd hebben dat kunst bedoeld is om “begrepen” te worden. Er is niets om te begrijpen. Je accepteert de klap in je gezicht of niet!’

Ensemble Resonanz speelt Migrants van Aperghis op 15 november in de Grote Zaal van het Muziekgebouw. Meer muziek van Aperghis klinkt op 17 jan 2019 door Calefax en op 9 mei 2019 door Nieuw Ensemble.
muziekgebouw.nl