Tegen empathie

Andermans schoenen

Onze moderne samenleving kampt met een empathieprobleem, klinkt het van verschillende kanten. Maar is meer empathie wel zo wenselijk? Een identificatie met de ander blijkt al gauw een zoektocht naar het zelf.

Medium gettyimages 506213304
Er is niets mis met je in een ander verplaatsen © Matthew Lloyd / Bloomberg / Getty Images

Is het een goed idee om, op een zomerse voorjaarsmiddag, in de Virtual Reality Cinema in de Openbare Bibliotheek Amsterdam de film Born into Exile te kiezen?

Er zijn meerdere films. Een toffe oorlogsdocumentaire, iets met horror, eentje met een jongen die ‘om groter drama in zijn thuissituatie te voorkomen’ in een gladiator verandert in een online game. En Born into Exile dus, waarin twee Syrische vrouwen in een vluchtelingenkamp in Jordanië veilig proberen te bevallen en de levens van hun baby’s beschermen.

De bioscoopzaal aan de Oosterdokskade ziet eruit als een soort heel hip schoollokaal, of een vergaderruimte zoals je je die bij Apple voorstelt, met allemaal gave, ronde designstoeltjes en hip behangen muren. Er is een ‘VR-bar’ waar je Negroni’s en Moscow Mules kunt drinken. Buiten fonkelt de zon op het water. In de deuropening hoor ik een meisje tegen een ander meisje zeggen dat ze gehoord heeft dat vijf tot tien procent van de bezoekers ‘motion sickness’ krijgt. ‘Met spugen en kotsen en zo.’ O, wow, zegt de ander. ‘Een soort ayahuasca dus.’

Ik ga nooit heel lekker op ayahuasca, en ook niet in kuipstoeltjes – volgens mijn kleermaker heb ik een ‘breed bassin’ – maar ik neem plaats en krijg de Samsung Galaxy S6 voorgebonden. Op mijn oren wordt de ‘Skullcandy Crusher’ gezet, een koptelefoon die geluid laat meebewegen met je hoofd. Daarom zit je op draaistoeltjes, zodat je makkelijker door de virtuele wereld op je virtual reality-bril kunt draaien.

Volgens Peter Bazalgette zou virtual reality een bij uitstek perfect middel zijn om de empathie van burgers te vergroten – voor vluchtelingen, voor minderheden, voor mensen zich die niet al in jouw bubbel bevinden. Want we hebben een empathieprobleem, schrijft hij in The Empathy Instinct: How to Create a More Civil Society. Van oudsher leveren staten die de empathie van burgers onderling stelselmatig onderdrukken de grootste gruwelen op. Bazalgette – Sir Bazalgette, een soort John de Mol maar dan chiquer en Britser, hij bedacht de populairste kookshows en de platste realityprogramma’s, maar was ook voorzitter van de Britse Holocaust Commission en de Arts Council – ziet door het hele Westen politieke partijen grond winnen die stelselmatig minderheden dehumaniseren, anonimiseren en op zo’n manier afschilderen dat niemand nog wordt uitgedaagd zich in hun schoenen te verplaatsen.

Digitale cultuur helpt niet per se mee, schrijft Bazalgette wanneer hij het over ‘digitale dementie’ heeft. Dat schijnt veel in Azië voor te komen, waar mensen zoveel op hun smartphone kijken dat ze vergeten dat er ook nog mensen bestaan en niet alleen avatars. ‘Everywhere you look, empathy, which derives from regular human contact, seems to be in decline.’

Virtual reality is een uitzondering, hoopt Bazalgette. Dan kijk je namelijk niet op een scherm naar een avatar want jij wordt de avatar – meer letterlijk in andermans schoenen lopen dan dat kan bijna niet. Het voorbeeld waar Bazalgette mee komt is dat van een virtual-realityprogramma waarin de persoon die de VR-bril opzet zichzelf veranderd ziet in een koraalrif, roze en al. Met het idee dat de kijker een grotere sympathie voelt voor bedreigd koraalrif.

Oké dan. Ik verander niet in een koraalrif, geen clownvisjes en zeeanemonen, ik word verplaatst naar een vluchtelingenkamp in het Midden-Oosten zoals je je dat voorstelt maar waar je nooit een voet zou willen zetten. Alles lijkt gemaakt van afgedankt materiaal, er is chaos, onzekerheid. De zwangere vrouwen met wie je optrekt zoeken een plek waar rust is, of iets dat op veiligheid lijkt, maar dat is ver te zoeken. Alle blikken lijken boos. De film duurt maar een half uur, maar gedurende dat half uur kijk ik vaak omhoog, naar de lucht, om niet in de werkelijkheid om me heen te hoeven. En het is niet eens werkelijkheid. Het is virtueel.

Natuurlijk heb ik na afloop het gevoel dat de andere bezoekers betere, leukere films hebben uitgekozen. Zij, in tegenstelling tot ik, lijken het jammer te vinden dat het er weer op zit en de bril weer afgezet moet worden. De schoenen die zij aan kregen zaten een stuk comfortabeler.

***

Vorige maand had ik bij het lezen van een roman een wonderlijke, naïeve, of eigenlijk gênante openbaring. Het boek was Exit West van de Pakistaans-Amerikaanse Mohsin Hamid. Het vertelt het magisch-realistische verhaal van het jonge liefdeskoppel Nadia en Saeed, dat door een burgeroorlog van huis en haard wordt verdreven en begint aan een lange zwerftocht door het Westen. Het magische schuilt erin dat Saeed en Nadia door deuren kunnen reizen, die hen met één stap duizenden kilometers verderop kunnen brengen. Maar het realistische domineert. Niet op een documentaire, journalistieke manier: Hamid vertelt de lezer niet uit welke stad in welk land ze komen, of welke groeperingen hun geboortestad tot een front maken. Wat het zo realistisch doet aanvoelen is dat hij zijn personages verliefd laat worden op een doodeenvoudige manier zoals je zelf ook wel eens verliefd bent geworden, zoals je zelf ook wel eens onhandig gedoe hebt meegemaakt, aantrekken en afstoten, te snel willen en vervolgens weifelen.

Uit dat realisme kwam mijn openbaring voort, die je met recht banaal mag noemen. Alsof Joris Luyendijk never happened dacht ik: ‘Hé, vluchtelingen zijn ook mensen.’

Nadia draagt een zwart gewaad, al is ze niet gelovig. Ze woont op zichzelf, rijdt op een motor, het gewaad zorgt ervoor dat mannen niet vervelend doen. Saeed is grappig en goedaardig en is ambitieus in zijn wil zijn geboortestad te verlaten en de wereld te zien. Maar als ze zichzelf op een avond – de schemering, de radio zacht – aantreffen omringd door kledingstukken die van haar of hem kunnen zijn, zegt hij ineens te willen wachten met seks tot ze getrouwd zijn. ‘Are you fucking joking?’ zegt Nadia.

Pas nadat Hamid zijn personages heeft neergezet als lieve, gemiddelde, doodgewone mensen maakt hij vluchtelingen van ze. En dan is de pijn van hun vertrek des te harder om te lezen, bijna onmenselijk hoe ze hun familie moeten achterlaten: ‘But that is the way of things, for when we migrate, we murder from our lives those we leave behind.’

Natuurlijk zijn vluchtelingen ook mensen, natuurlijk is het stom dat ook maar een moment te vergeten. Mohsin Hamid schrijft niets wat je zelf ook niet zou kunnen bedenken. Maar vluchtelingen worden op het nieuws zelden gepresenteerd als lieve verliefde stelletjes. Vluchtelingen komen in stromen, of – afhankelijk van je nieuwsbron– in tsunami’s. Je kunt je misschien goed verplaatsen in een individu, maar als je je in een groep van duizenden moet verplaatsen duizelt het en wordt de groep te abstract. En als je individuele vluchtelingen bij een actualiteitenprogramma voorbij ziet komen is dat te vaak omdat ze kansloos zijn en zielig, hun hele bestaan wordt tot die ene emotie teruggebracht. Je ziet zelden de hele mens, die grappen maakt, vrolijk kan zijn en verliefd kan worden.

Natuurlijk is het niet heel sociaal wenselijk om een pleidooi tegen empathie te houden. Het is alsof je zegt dat je tegen puppy’s bent

Dat vluchtelingen in grote groepen komen maakt ze zo kwetsbaar voor de ‘oorlogsretoriek’ van de rechtse partijen, schrijft GroenLinks-leider Jesse Klaver in zijn pamflet De empathische samenleving. Die retoriek gaat constant uit van een wij tegen een zij, waarbij de groep die tot de wij hoort, steeds kleiner en exclusiever wordt gemaakt (lees: autochtoner en witter), en de zij steeds groter en abstracter. Dit mechanisme ontmenselijkt hele groepen, paradoxaal genoeg zowel de vluchteling als die boosburger die een varkenskop bij een azc legt. Want Klaver is ervan overtuigd dat empathie in ons dna ligt, en zodra ‘mensen in verzet komen tegen de opvang van vluchtelingen zie je wat er gebeurt: zolang het gaat over aantallen anonieme vluchtelingen zijn het profiteurs en terroristen, maar de vluchtelingbuurman die tijdelijk in hun wijk woont, doet een beroep op het mededogen van deze mensen. Deze buurman is geen terrorist of testosteronbom, maar iemand met een verhaal en een gezicht.’

Klaver werkt uiteindelijk toe naar een oproep tot ‘politieke empathie’. Hij bedoelt ermee dat politici de belangen van minderheden niet alleen moeten overlaten aan de bescherming die de grondwet ze biedt, maar dat politici zich in het debat nooit overgeven aan het ‘triomfalisme’ van de meerderheid, maar continu de waarden en rechten van minderheden benoemen en uitspreken. Tot iets soortgelijks komt Bazalgette in The Empathy Instinct. Hij noemt het een Charter for Empathy, een handvest voor empathie, tien regels waarnaar beleidsmakers zouden moeten streven, waaronder:

  1. Prioriteit geven aan het beter in kaart brengen hoe de hersenen empathie op gang brengen.

  2. Onderwijs waarin de emotionele intelligentie van elk kind wordt vastgesteld en verder gecultiveerd.

  3. Speciale hulp voor de ‘empathically challenged’, vooral in hun vroege jaren.

  4. Publieke promotie van de kunsten en populaire cultuur die onder andere helpen het perspectief van anderen te zien.

  5. Bij de dageraad van kunstmatige intelligentie, de publieke bevestiging van ons empathische instinct en de suprematie van de menselijke geest.

Op een bepaalde manier lijkt alles wat Bazalgette zegt onweerlegbaar. Empathie als lijm en smeermiddel, om deze scheurende, gebroken maatschappij weer bij elkaar te brengen. Wat kun je daar nu nog tegen hebben?

Nou, best veel.

***

Natuurlijk is het niet heel sociaal wenselijk om een pleidooi tegen empathie te houden, schrijft Paul Bloom, de auteur van Against Empathy. Het is een beetje alsof je zegt dat je tegen puppy’s bent. En toch is de strijd tegen empathie er een die uitgevochten moet worden, want hoewel de Jesse Klavers van deze wereld zeggen dat er een tekort aan empathie is (Obama sprak van een ‘empathy deficit’ – het citaat staat op de cover van Bazalgette) is er juist een empathie-Welle. Meer dan 1500 titels op amazon.com hebben empathie in hun titel of ondertitel. In de laatste twee jaar verschenen The Age of Empathy, Why Empathy Matters, The Science of Empathy, The Empathy Gap, Why Empathy is Essential – and Endangered, Teaching Empathy, Teaching Children Empathy, Roots of Empathy, Empathy in the Global World, How Companies Prosper When They Create Widespread Empathy en nog tientallen anderen.

Nu is er niets mis met je in een ander verplaatsen, zegt Bloom. Het is een belangrijke vorm van sociale intelligentie. Het wordt alleen een probleem als politici gaan oproepen empathie tot leidraad van de politieke dialoog te maken. Politieke keuzes komen idealiter voort uit een moreel kompas, en in dat morele kompas hoeft empathie niet altijd het noorden te zijn. Integendeel.

***

Om te beginnen: empathie is neutraal. Het is niet per definitie een goede kracht. Natuurlijk is het mooi als je je door je in iemand anders schoenen te verplaatsen zijn leed of verdriet kunt verzachten, maar door precies hetzelfde te doen kun je dat leed of verdriet ook vergroten. Bloom citeert onderzoek dat uitwijst dat pestkoppen op school vaak geen gebrek aan empathie hebben, maar een heel groot vermogen tot empathie. Ze gebruiken hun inlevingsvermogen alleen tegen het slachtoffer. Op die manier is het ook niet zo dat empathie, zoals Klaver en Bazalgette het presenteren, een linkse emotie zou zijn; rechte politici gebruiken het net zo graag, alleen voor andere groepen, meestal de eigen autochtone meerderheid. Dat wijst er ook maar eens op dat empathie vergrotende literatuur niet per se het juiste vergroot. Tegenover elke Uncle Tom’s Cabin staat het Ku Klux Klan verheerlijkende Birth of a Nation, tegenover elke sentimentele Charles Dickens staat een egomane Ayn Rand, tegenover elke The Color Purple staat een The Turner Diaries, de white supremacy-roman die Timothy McVeigh in zijn auto liet liggen toen hij onderweg was om het Oklahoma Building op te blazen.

Het lievelingsonderzoek dat Bloom aanhaalt is er eentje waarbij een grote groep proefpersonen het verhaal kreeg te horen van de tienjarige Sheri Summers. Sheri was erg ziek, en had erg veel pijn, maar er was niets wat ze eraan kon doen – want er was een wachtrij. De ene helft van de proefpersonen werd sec gevraagd of ze haar zouden laten voordringen. Nee, zei het merendeel, dat zou niet eerlijk zijn. De andere helft werd gevraagd of ze iemand kenden van Sheri’s leeftijd, of ze zich niet konden voorstellen dat ze zelf ziek zouden zijn en pijn hebben. Het merendeel van die groep stelde vervolgens wel voor om Sheri te laten voordringen.

‘Hier was empathie sterker dan eerlijkheid’, schrijft Bloom. ‘Wat tot een beslissing leidde die de meesten van ons immoreel zouden noemen.’

Empathie stuurt altijd naar een incident of een individu, terwijl het systeem, de hele wereld, geholpen zou moeten worden

En er zijn veel voorbeelden te bedenken waarin empathie eerlijkheid of andere langetermijndoelen ondermijnt. Bijvoorbeeld de zogenaamde ‘trigger warnings’ op verschillende Amerikaanse universiteiten. Deze houden in dat als een docent lesstof behandelt waarin discriminatie of seksueel geweld aan bod komt de studenten vooraf gewaarschuwd worden, zodat ze niet geconfronteerd hoeven te worden met trauma’s uit het verleden. Deze trigger warnings zijn preventieve empathie, een airbag die ontploft voordat de auto op een boom botst. Maar het gevolg is, schrijft Bloom – als psycholoog verbonden aan Yale – dat docenten niet met vrije hand het curriculum kunnen samenstellen, dat de student nog voordat hij het heeft gelezen een andere relatie heeft tot die leerstof, waardoor de lading en boodschap ervan onherroepelijk anders worden geïnterpreteerd, wat het onderwijs op de lange termijn erodeert.

Of een ander bekend voorbeeld: de zaak van Willie Horton. In 1987 mocht moordenaar Horton met verlof uit zijn gevangenis in Massachusetts en tijdens dat verlof verkrachtte hij een jonge vrouw, nadat hij haar verloofde had mishandeld en vastgebonden. Dat verlof was getekend door gouverneur Michael Dukakis, de Democratische presidentskandidaat die het opnam tegen George Bush sr. Amerika schreeuwde moord en brand, politici als Dukakis waren ‘soft on crime’ en dachten niet aan de slachtoffers. Het verlofprogramma werd na een storm van protest stopgezet, Dukakis verloor de verkiezingen. Maar in de vijftien jaar dat het programma liep in Massachusetts daalde recidivisme onder verlofgangers aanzienlijk, met vijftien procent. Doordat de maatschappij zoveel empathie had met dat ene slachtoffer deed ze zichzelf te kort.

Daarmee komt Bloom tot zijn grootste bezwaar tegen empathie. Hij noemt het het ‘spotlight-effect’. Empathie is altijd een zoeklicht, dat op één ding tegelijk kan worden gericht, waardoor dat ene ding heel erg opvalt, maar alle andere dingen in het donker staan. Sheri Summers is zielig, de andere gezichtsloze kinderen op de wachtlijst niet. Statistiek en sociologische data vallen weg omdat het spotlight dat ene verhaal centraal stelt. Spotlight-empathie zorgt ervoor dat we de lange termijn vergeten. Er is een hele serie rampen te bedenken – de tsunami van 2004 bijvoorbeeld – die zoveel empathie opwekten dat de noodinstanties niet meer wisten wat ze aanmoesten met de donaties van vrijwilligers, terwijl op datzelfde moment hele volksstammen onopgemerkt verhongerden. Is dat eerlijk?

Empathie stuurt zodoende altijd naar een incident of een individu, terwijl het systeem, de hele wereld, geholpen zou moeten worden. En daar zouden politici zich op moeten richten. Daarom moet empathie niet centraal staan in besluitvorming, want hoe groot ons empathisch instinct ook zou zijn, uiteindelijk is het heel moeilijk je in verschillende mensen tegelijk te verplaatsen. Bloom haalt Annie Dillard aan, die een aantal jaar geleden spottend schreef: ‘Er lopen nu 1.198.500.000 Chinezen rond. Om even te voelen wat dit betekent – neem jezelf, in al je individualiteit, eigenaardigheid, complexiteit en liefde – en vermenigvuldig dat met 1.198.500.00. Zie je? Hartstikke makkelijk.’

***

Er is nog iets mis met dat spotlight. Het is een zoeklicht dat niet neutraal wordt bediend. Het zoekt onherroepelijk naar wat bekend is, naar wat op ons lijkt, naar waar we ons mee kunnen identificeren. Dat ik zo’n overdonderende sympathie voel voor Nadia en Saeed komt niet doordat ik me in hun schoenen kan verplaatsen, maar doordat ik hen in mijn schoenen kan verplaatsen. Ik zie ze niet als autonome, onafhankelijke mensen, ik zie ze alleen in relatie tot mijn eigen leven. Het medelijden dat ik met hen voel is eigenlijk een medelijden met mezelf.

Omgekeerd was ik de zwangere vrouwen uit Born into Exile kort na mijn bezoek aan de virtual-realitycinema al weer kwijt. Ze spookten niet meer door mijn hoofd. Ik ben geen zwangere vrouw en zal dat waarschijnlijk nooit worden ook. Ik kon me te weinig met ze identificeren om hun leed echt als het mijne te voelen.

Opnieuw is de tsunami van 2004 een goed voorbeeld, volgens Bloom. Nog nooit vloeiden vele miljarden zo makkelijk naar een door een ramp getroffen gebied. Mensen in het Westen stonden te springen om geld te geven, leek het. Maar had dat er ergens ook niet mee te maken dat die donateurs in het Westen het door de ramp getroffen gebied persoonlijk kenden? Iedereen was zelf wel eens naar Indonesië of Thailand op vakantie geweest, of had een nichtje dat er graag naartoe ging. De nieuwsverhalen zoomden in op de westerse vakantiegangers die getroffen waren. Empathie voedt zich met onze voorkeuren en vooroordelen.

Is het niet het doel van politiek beleid dat het losstaat van vooroordelen? Dat het gebaseerd is op compassie die uit ratio voortkomt?

In het titelessay uit het veelgeprezen essayboek The Empathy Exams doet Leslie Jamison mee aan een cursus slachtofferhulp – als een van de slachtoffers. De arts-cursisten komen één voor één langs, met een checklist vol taken die ze moeten uitvoeren. ‘Taak 31: toon empathie.’ Hoe meer artsen er voorbij komen, hoe meer Jamison gesteld raakt op de ene arts die niet koud is, maar de arts die warm is en toch zijn afstand bewaart, duidelijk maakt dat zijn objectiviteit voor zijn inlevingsvermogens staat. ‘Zijn kalmte maakte me niet onzeker, maar gaf me een gevoel van veiligheid (…) Ik wilde naar hem kijken en het tegenovergestelde van mijn angst zien, niet de echo.’

Dat is het pleidooi van Bloom: we hebben politici nodig die onze pijn zien, maar er niet in willen leven. Ze moeten het willen oplossen, niet meer, niet minder.


Jesse Klaver, De empathische samenleving, De Bezige Bij, 108 blz., € 12,99.

Mohsin Hamid, Exit West, Penguin Books, 229 blz., € 16,49.

Paul Bloom, Against Empathy: The Case for Rational Compassion, Bodley Head, 286 blz., € 29,95.

Peter Bazalgette, The Empathy Instinct: How to Create a More Civil Society, John Murray, 376 blz., € 26,95.

Een kaartje voor de Virtual Reality Cinema kost € 12,50. Open woensdag tot en met zondag; thevrcinema.nl