Anders dan zijn opvolgers

In zijn biografie van Charles de Gaulle schrijft H.L. Wesseling met evenveel gemak en zwier over de bemoeienissen met de geopolitiek als over het dagritme van le général.

H.L. Wesseling, De man die nee zei: Charles de Gaulle, 1890-1970. Bert Bakker, 317 blz., € 24,95

Alleen het stofomslag spreekt al boekdelen: een profiel als een aambeeld, een hoofd waarop je een krom stuk ijzer recht kunt slaan. En dan de titel, die uiteraard niet alles zegt, maar wel het belangrijkste: De man die nee zei. Charles de Gaulle (1890-1970) was een onwankelbare, op het oog onbuigzame man, die telkens als het er volgens hem op aankwam zijn hakken in het zand zette en resoluut non zei, ongeacht hoe anderen daarover dachten.

Die onverzettelijke houding, die strijdbaarheid heeft De Gaulle zijn leven lang gekenmerkt. Tijdens de Eerste Wereldoorlog verdedigde hij als jong militair zijn land tegen de Duitsers en nadat hij tot zijn grote verdriet krijgsgevangen was gemaakt, weigerde hij hierin te berusten en deed hij talloze ontsnappingspogingen. Dat die stuk voor stuk mislukten was gezien zijn lengte en opvallende uiterlijk niet vreemd.

Tijdens het interbellum weigerde De Gaulle zich neer te leggen bij de defensieve strategie van het Franse leger, dat zich achter de formidabele Maginot-linie veilig voelde. De Gaulle bepleitte een mobiele strijdmacht, waarin een grote rol zou zijn weggelegd voor tanks. De Duitse inval van mei 1940 bewees zijn gelijk, maar zijn benoeming tot staatssecretaris van Oorlog en Nationale Verdediging, op 6 juni, kon Hitler niet tegenhouden. Toen Frankrijk kort daarna capituleerde weigerde De Gaulle zich hierbij neer te leggen en vertrok hij naar Engeland, om van daaruit de strijd voort te zetten.

In Frankrijk werd hij wegens landverraad bij verstek ter dood veroordeeld en in Londen beschikte De Gaulle slechts over een handjevol getrouwen en honderdduizend dollar, die hij van zijn voormalige premier had gekregen. Anders dan bijvoorbeeld de Nederlandse of Poolse regering in ballingschap ontbeerden De Gaulle’s ‘Vrije Fransen’ elke legitimiteit. Het was voor een groot deel te danken aan De Gaulle’s wilskracht en doorzettingsvermogen dat de Franse kolonieën zich aan de zijde van de geallieerden schaarden en uiteindelijk zo’n half miljoen Vrije Fransen tegen de Duitsers vochten.

Hierbij was De Gaulle voortdurend tegengewerkt, niet alleen door hoge Franse officieren die neerkeken op de eenvoudige brigadegeneraal, maar ook door de geallieerde oorlogsleiders. Zij vonden die rare, lange, onverzettelijke en stronteigenwijze fransoos buitengewoon lastig. ‘Ik heb tijdens de oorlog veel kruizen te dragen gehad’, zei Churchill, ‘maar het zwaarste kruis was het kruis van Lotharingen’, waarmee hij verwees naar het symbool van de Vrije Fransen. Waar Churchill overigens nog wel iets herkende in de eigengereide loner die De Gaulle was, koesterde Franklin D. Roosevelt een onverholen minachting voor de autocratische Fransman. Hij weigerde diens beweging te erkennen, omdat De Gaulle niet democratisch gekozen was, waarop deze antwoordde: ‘Dat was Jeanne d’Arc ook niet.’

De Gaulle identificeerde zich niet alleen met de grootste heldin die Frankrijk gekend had, hij vereenzelvigde zich zelfs met Frankrijk. Toen in 1958, terwijl Frankrijk als gevolg van de Algerijnse oorlog op de rand van de burgeroorlog stond, velen riepen om de terugkeer van De Gaulle, zei hij zonder blikken of blozen: ‘C’est moi qui porte le destin du pays.’ Hij hoefde niet zo nodig, zei hij, maar hij werd geroepen door het lot. Twaalf jaar daarvoor had hij gedesillusioneerd afscheid genomen van de politiek omdat de zogenoemde Vierde Republiek al even sterk leed onder partijpolitiek gekissebis als de in 1940 ter ziele gegane Derde Republiek. Ook toen had hij verwezen naar de maagd van Orleans: ‘Je kunt je Jeanne d’Arc toch niet voorstellen als moeder van een gezin, getrouwd en – wie weet – bedrogen door haar echtgenoot!’

In 1958 kwam De Gaulle alsnog aan de macht en kreeg hij de gelegenheid om de sterk presidentieel gerichte Vijfde Republiek in te voeren. De pieds noirs (de Fransen in Algerije) en andere voorstanders van een Frans Algerije zagen in hem de man die de uitzichtloze, bloedige oorlog in hun voordeel zou kunnen beslechten. Dat hij uiteindelijk toch instemde met de volledige onafhankelijkheid van Algerije werd door velen van hen gezien als verraad, zodat er niet minder dan achttien moordaanslagen op hem werden gepleegd.

Hoewel De Gaulle een man van beginselen en rotsvaste overtuigingen was, was hij tevens een realist. ‘Les choses étant ce qu’elles sont’, was een opmerking die hem in de mond bestorven lag. Hij had Algerije, waar ruim een miljoen Fransen woonden, graag voor la patrie behouden, maar hij zag in dat het tijdperk van het kolonialisme voorbij was. Aanvankelijk stelde hij aan de Algerijnse onderhandelaars een hele reeks eisen – zo wilde hij de onbewoonde Sahara behouden om er kernproeven te kunnen uitvoeren – maar die moest hij stuk voor stuk inslikken. Dat hij uiteindelijk toegaf had niets te maken met karakterzwakte of opportunisme, maar alles met realiteitszin. Het behoud van Algerije was voor Frankrijk niet van levensbelang en de oorlog moest zo snel mogelijk worden beëindigd. Pas dan zou hij zijn handen vrij hebben om echt ‘grote politiek’ te bedrijven, zodat hij de machtspositie en het prestige van Frankrijk zo veel mogelijk kon herstellen.

Frankrijk diende weer leiding te geven aan Europa – een geografisch begrip dat in zijn ogen niet Groot-Brittannië maar wel het ten westen van de Oeral gelegen Rusland omvatte. Ook in de jaren dat hij president was zou hij nog regelmatig ‘nee’ zeggen. Tegen de Britse toetreding tot de Europese Economische Gemeenschap bijvoorbeeld, tegen het kernwapenmonopolie van de supermogendheden, tegen het Amerikaanse optreden in Vietnam en tegen de Israëlische veroveringsoorlog van 1967. Wat dat laatste conflict betreft zag hij onmiddellijk in dat dit op korte termijn een succes zou worden, maar dat het uiteindelijk rampzalig zou uitpakken.

Hij regeerde Frankrijk met straffe doch rechtvaardige hand, en met een vorstelijke allure. Totdat de Fransen, vooral na de studenten­onlusten en stakingen van mei 1968, op hem uitgekeken waren. Hij werd nogal eens uitgemaakt voor hele of halve fascist, wat volstrekte onzin was. Hij was autoritair, maar geloofde heilig in de noodzaak van democratische legitimiteit. Bovendien legde hij zichzelf strenge normen op. In tegenstelling tot veel van zijn opvolgers hield hij er geen buitenechtelijke relaties op na, was hij niet corrupt en vertoonde hij geen onverantwoord declaratiegedrag. Als er in het Élysée gedineerd werd zonder gasten, vroeg mevrouw De Gaulle altijd om de rekening. Anders dan zijn opvolgers beschouwde hij de wijnkelder van het presidentieel paleis niet als zijn privé-bezit, en nam hij de daar aanwezige flessen niet mee naar zijn huis in Colombey-les-Deux-Églises.

Dat dit laatste detail te vinden is in deze handzame biografie van H.L. Wesseling zegt niet alleen iets over de hoofdpersoon maar ook over de auteur, die ooit een even vermakelijk als informatief essay heeft geschreven over de vraag hoe men een behoorlijke wijnkelder aanlegt. Met evenveel gemak en zwier schrijft Wesseling over De Gaulle’s bemoeienissen met de geopolitiek als over de inrichting van het Élysée en De Gaulle’s dagritme.

Hoewel Wesseling van De Gaulle allesbehalve een heilige maakt, is het boek doortrokken van een prettig soort bewondering voor een man die larger than life was en die ondanks alles nimmer naast zijn schoenen ging lopen. En dit alles op de losse toon die we van Wesseling gewend zijn. Zo schrijft hij, nadat hij aangegeven heeft wie er in 1968 allemaal ontevreden waren over het beleid van le général: ‘Zo had iedereen iets te klagen behalve de boeren, die niets te klagen hadden maar toch klaagden omdat het nu eenmaal boeren waren.’