Over Tsjechov

Anders word ik gek

ANTON P. TSJECHOV
VERZAMELDE WERKEN DEEL IV:
VERHALEN 1889-1894
Uit het Russisch vertaald door Tom Eekman,
Aai Prins en Anne Stoffel; van een nawoord
voorzien door Aai Prins
Van Oorschot, 630 blz., € 34,-

Toen Anton Pavlovitsj Tsjechov in 1904 stierf aan tbc werd zijn stoffelijk overschot, tot woede van zijn vriend Maxim Gorki, naar Moskou vervoerd in een treinwagon met als opschrift ‘vervoer van oesters’. In de straten van Moskou raakte Tsjechovs begrafenisstoet vermengd met die van een generaal. Omstanders verwonderden zich erover dat de schrijver met militair eerbetoon ten grave werd gedragen.
Zo apart en grootsteeds als zijn begrafenis, zo gewoon en provinciaal was Tsjechovs geboorte, 44 jaar eerder. Hij werd geboren in Taganrog, een kleine kustplaats in het zuiden van Rusland aan de Zee van Azov. Het geboortehuis van Tsjechov is de enige bezienswaardigheid van Taganrog. Het is moeilijk voor te stellen dat het acht koppen tellende gezin Tsjechov kon wonen in dit minuscule woninkje met plaatstalen dak.
De rest van Taganrog ademt vandaag een sfeer van tragisch verval. Het plein met Tsjechovs standbeeld is een maanlandschap van gebarsten betonplaten. De mooie negentiende-eeuwse panden hebben verroeste balkons en bladderen langzaam af. De lokale elite, die munt heeft geslagen uit de val van de Sovjet-Unie, wil er niet in wonen. Die bouwt liever een modern huis.
Tsjechov zelf was weinig gecharmeerd van zijn geboorteplaats. Over Taganrog schreef hij: ‘Zestigduizend inwoners houden zich slechts bezig met eten en drinken, met zich voort te planten, en zij hebben niet de minste belangstelling voor het leven; geen krant, geen boek. Hier zijn geen patriotten, geen zakenlui, geen dichters, zelfs geen behoorlijke bakkers.’
Tsjechov verliet Taganrog op achttienjarige leeftijd om geneeskunde te gaan studeren in Moskou, maar hij nam het decor van de saaie Russische provinciestad mee in zijn verhalen. Het pas verschenen deel 4 van zijn Verzamelde Werken is daar een voorbeeld van.
Veel verhalen die zijn opgenomen in deze bundel worden bevolkt door artsen, leraren en officieren wier ellendig lot een direct gevolg is van het wonen in een benepen negorij. Neem bijvoorbeeld De letterkundeleraar. Gymnasiumleraar Nikita is uitzinnig verliefd op Manjoesja, de dochter van een hoge ambtenaar. Hij is gefrustreerd omdat de gemeenschap hem als een jonge melkmuil beschouwt. Zijn huwelijk met Manjoesja moet hem het bestaan geven dat past bij zijn statuur. Na de huwelijksvoltrekking breken jaren van burgermansidylle aan, die Tsjechov in hoog tempo en met grove streken neerzet. Nikita’s wensen lijken vervuld, maar hij is niet gelukkig. Als er weer een heerlijke lente aanbreekt, ‘waarin de spreeuwen tekeer gaan’ pakt de letterkundeleraar zijn dagboek en schrijft: ‘Waar ben ik, mijn God. Ik word omringd door platvloersheid en nog eens platvloersheid. Vervelende mensen, potjes met zure room, kannen melk, kakkerlakken en domme vrouwen (…) Ik moet vluchten, vandaag nog anders word ik gek.’
Ook in Dieven voelt een jongeman zich bekneld door zijn omgeving. De streek waar dit verhaal zich afspeelt, werd door tijdgenoten direct herkend als Tsjechovs geboortestreek. Hulparts Jergoenov strandt tijdens een sneeuwstorm op een pleisterplaats. Sluwe dieven en de wulpse meid Loebja maken Jergoenov zijn paard, dat van zijn baas is, afhandig. Hij is woest, maar benijdt tegelijkertijd de dieven om hun vrije leven. Hierdoor komt zijn eentonig artsenbestaan hem verachtelijk voor. Bovendien betekent verlies van zijn paard een zeker ontslag. Met niets te verliezen besluit Jergoenov te breken met de gemeenschap die hem dicteert ‘dat je in een kamer moet wonen en alleen van je eigen vrouw mag houden’. Handenwringend gaat ook hij het boevenpad op.
De korte, lichte verhalen doen je volledig begrijpen waarom en waaraan Tsjechovs personages willen ontsnappen. Het eindeloze gediscussieer en gekaart op salonavonden in De letterkundeleraar is ook ‘saai, saai, saai’, en wie heeft geen begrip voor Jergoenov, die in Dieven zo graag te paard over de velden wil jagen, van meisjes wil houden en om alle mensen lachen? Grootse lijnen worden moeiteloos verweven met prachtige details, zoals de losgeraakte vlecht van Loebja als teken van haar ongeremdheid, en letterkundeleraar Nikita die maar nagegromd blíjft worden door de hond van zijn vrouw.
Een van de meest bijzondere verhalen in deze verzameling is Zaal 6. Andrej Jefimytsj is de arts in een achenebbisj streekziekenhuis. Er zijn maar twee scalpels, en luizen en wondroos welen tierig. Weggestopt in een bijgebouwtje, zaal 6, zitten de geesteszieken. Vijf dwaze karakters, door Tsjechov in voortreffelijk detail beschreven, bewaakt door een dronken gewezen soldaat. Het is niet moeilijk om nu in Taganrog een vervallen gebouwtje te vinden dat model zou kunnen staan voor zaal 6. Ook dokter Andrej Jefimytsj voelt zich ingesloten in de provinciestad, zo ver weg van Moskou en Sint-Petersburg. Hij beklaagt zich over het gemis aan cultureel leven en gebrek aan mensen om een interessant gesprek mee te voeren. Hij vult zijn gemis met gesprekken met Ivan Dimitrisj, een van de geesteszieken. Legendarisch is de dialoog waarin Ivan Dimitrisj de dokter vraagt waarom hij opgesloten zit. Moreel en logica hebben hier niets mee te maken, zo moet de dokter toegeven: ‘Er zijn nu eenmaal gevangenissen en gestichten, dus moet er ook iemand in zitten.’
Hoe dun de scheidslijn tussen gek en gezond is, blijkt uit het vervolg van het verhaal. Zijn gesprekken met de ingezetene van zaal 6 wekken bevreemding. De dokter wordt gemaand rust en afstand van zijn werk te nemen. Zijn noodlot is vanaf dat moment voelbaar: kort na zijn ontslag is hij de zesde bewoner van zaal 6.