Robert Capa en Eva Besnyö

André en Eva, fotografen

De Hongaarse fotografen Robert Capa en Eva Besnyö trekken in hun jonge jaren samen op. Totdat Besnyö naar Nederland gaat en Capa naar Frankrijk en later Spanje. Het Joods Historisch Museum brengt de twee weer bij elkaar.

De grote Robert Capa schijnt ooit te hebben gezegd: ‘It’s not enough to have talent. You also have to be Hungarian.’ Zou hij gelijk hebben gehad? André Kertész, Brassaï (né Gyula Halász), Capa zelf, László Moholy-Nagy, onze ‘eigen’ Eva Besnyö: allemaal Hongaren en allemaal getalenteerde en beroemde fotografen. Maar het is helaas toeval. Hongarije lijkt voor een fotograaf vooral een land om te verlaten.

Dit neemt niet weg dat Hongaarse verhalen sterke verhalen kunnen zijn. Robert Capa wordt in 1913 geboren als André – of Endre – Friedmann in Boedapest. Als jongen hangt hij rond in de joodse wijk van de stad met de zusjes Besnyö: Panna, Magda en Eva. Hij beweert op alledrie verliefd te zijn. Eva is drie jaar ouder dan André. Ze noemt hem ‘Bandi’, een koosnaam voor André, en ‘Capa’, wat ‘haai’ betekent. Onrustig, impulsief en charismatisch: het jonge schoffie Capa bezit al veel van de trademarks die hem later beroemd zullen maken.

Eva Besnyö ontdekt de fotografie het eerst. Haar vader stuurt haar naar een dure kunstacademie in Boedapest, waar ze leert over fotografie als sociaal-maatschappelijke kunstvorm. Daarvoor heeft ze al met haar Kodak Brownie-camera de straten en mensen van de stad vastgelegd. Met Bandi spreekt ze nooit over fotografie in die jaren. Capa is dan nog een straatvechter die flirt met het communisme tijdens de onrusten tussen Hongaars links en rechts. Besnyö gelooft zijn politieke bedoelingen, maar ziet ook dat hij wordt aangetrokken door het gevaar.

Capa maakt zijn eerste foto’s in Berlijn. In 1931, met een beurs betaald door de joodse gemeenschap van Boedapest, schrijft hij zich in voor een studie politicologie in die stad. Hij zoekt Besnyö op die daar al eerder is gearriveerd om haar studie fotografie verder te verdiepen. Beiden zijn op de vlucht voor het antisemitisme in Hongarije. Berlijn is op dat moment het centrum van nieuwe initiatieven en inzichten op het gebied van fotografie. Besnyö experimenteert met extreme close-ups, met gekantelde kaders en ongebruikelijke standpunten. Capa is op zoek naar een bijbaantje en vraagt haar of een mens met fotografie zijn geld kan verdienen. Ze antwoordt dat fotografie geen beroep maar een roeping is.

Maar Besnyö kan hem wel overtuigen van het plezier van fotografie. Dat is genoeg voor Capa en ze introduceert hem in de fotografische kringen van Berlijn. Hij gaat al snel werken voor het prestigieuze agentschap Dephot. Zijn eerste klus, een reportage over Stalins aartsrivaal, de cameraschuwe Trotski, is meteen raak. Hij is snel met de relatief nieuwe kleinbeeldcamera en zijn foto’s zijn expressief. Het is nog een wereld zonder zoomlenzen. If your pictures aren’t good enough, you weren’t close enough. De jonge Capa begrijpt dat mensen hun geluk en gevaren recht in de ogen willen kijken.

Na Berlijn verwatert het contact tussen Capa en Besnyö. Hij vertrekt naar Parijs en later naar Spanje om de burgeroorlog te fotograferen; zij vertrekt naar Nederland, waar ze een succesvol fotograaf wordt en trouwt met John Fernhout, filmer en zoon van Charley Toorop. Ze zien elkaar weer na de bevrijding van Europa, in Nederland. Capa is binnengekomen met de Canadezen en geeft Besnyö een volle mand met sigaretten, chocola en filmrolletjes. ‘Hij had een hart van goud’, zegt ze in een interview vlak voor haar dood. Daarna zwijgt ze en aait ze zijn foto’s in het opengeslagen boek voor haar.

Het lijkt een voor de hand liggende keuze om tegelijkertijd tentoonstellingen te organiseren van Capa en Besnyö. Het Joods Historisch Museum geeft de beroemde Capa de meeste ruimte. Zijn tentoonstelling wordt gepresenteerd als een retrospectief. Van Besnyö is onbekend werk te zien. Blijkbaar behoort haar oeuvre voor Nederlands publiek al automatisch tot de fotografische canon.

De tentoonstelling van Capa is een teleurstelling. Ingeleid door een muurtekst vol superlatieven impliceert de tentoonstelling een overzicht van louter fotografische hoogtepunten. Maar het blijken voor het merendeel platte foto’s van vervlogen staatslieden en afstandelijke en brave voorstellingen van mensen in crisis. Het is een _Time-Life-_opsomming geworden van vooral journalistiek beeld, nuttig voor de kranten- en tijdschriftenlezer van weleer, maar voor de contemporaine beschouwer weinig interessant.

Robert Capa was een veel betere fotograaf dan de tentoonstelling wil bewijzen. Wie het enkele jaren geleden verschenen Robert Capa: The Definitive Collection openslaat, ontdekt werk dat in grimmigheid en empathie niet onderdoet voor de huidige, geharde generatie fotografen. Elke oorlog is modern, lijken Capa’s foto’s van wanhopige, gemutileerde, angstige en moedige mensen te willen zeggen.

Bovendien was hij meer dan alleen een oorlogsfotograaf. De verhalen van stad, land en wereld werden in die jaren voor de komst van de televisie nog verteld in foto’s en Capa heeft reportages over de meest uiteenlopende onderwerpen gemaakt. Een bescheiden opstelling ruimt de tentoonstelling in voor zijn portretten. Maar het is vooral een excuus om beroemdheden te laten zien. De paar prachtige foto’s van Picasso, Matisse en Hemingway met zoon doen verlangen naar al zijn, ook weer verrassend moderne, gezichten van mindere goden.

Gelukkig is de tijdloze Capa niet geheel afwezig in het Joods Historisch. Zijn foto van een Parijse moffenhoer die wordt omzwermd door een spottende en dreigende menigte is een meesterwerk. Die ene foto van de soldaat met wazig gezicht net boven het logge water op Omaha Beach; sterke portretten van kinderen uit Spanje, Rusland en Israël; een Duitse SS’er met het gezicht van een filmster, trots en kwaad terwijl hij door een Amerikaan wordt gefouilleerd; de esthetische en afschuwelijke foto van een dode soldaat in een uitgelopen plas bloed.

Gemoedelijker gaat het er aan toe op de tentoonstelling van Eva Besnyö. Misschien is meer accuraat: de tentoonstelling over Eva Besnyö. De helft is ingeruimd voor foto’s van haar gemaakt door anderen. Besnyö had donker haar en ogen zo donker dat een man op de tram in Boedapest haar eens had gezegd dat ze naar huis moest gaan om ze te wassen. Op een muur achter glas zien we Besnyö als jonge vrouw in kleur, of al ouder en aan het werk op straat, of met vriendin en collega Ata Kando, ook een mooi portret door Willem Diepraam – de ogen doen het nog, vermoeider, maar met een warme wijsheid.

De rest van de tentoonstelling is een verzameling los werk, een allegaar. Bedrijfsfotografie, wat architectuur, keurige portretten van vrienden, bekenden en minder bekenden, de professionele vakantiekiek. Het blijft onduidelijk wat de gedachte achter deze keuze is. Moet de toeschouwer overtuigd worden van haar veelzijdigheid? Vooral ontstaat het gevoel dat Besnyö net als iedereen haar brood moest verdienen. Het is ook op z’n minst opmerkelijk dat een fotograaf die de hoogste standaard nastreefde op het gebied van de afdruk een tentoonstelling krijgt die bijna volledig uit reproducties bestaat.

In haar laatste jaren heeft Besnyö een ‘keurcollectie’ samengesteld van haar beste werk. Ze merkte dat ze in veel gevallen uitkwam bij haar vroege werk uit de jaren dertig. In Berlijn voelde ze zich het meest vrij, namen haar ogen nog alles ongehinderd op. Ze ontdekte lijnen, patronen, het ritme van mensen in hun omgeving. Ze ontdekte zichzelf. Haar zelfportretten zijn zonder uitzondering karakteristiek en eerlijk.

Capa en Besnyö: de link is snel gelegd, het concept snel gerealiseerd. Maar hun werk verdient meer. Gevormd door onverdraagzame tijden hebben beide fotografen ervoor gekozen de wereld om hen heen vast te leggen voor persoonlijke en universele rekenschap. Kijk naar hun beste foto’s, vergeet de rest.

Robert Capa: Retrospectief; Eva Besnyö: Onbekende foto’s, Joods Historisch Museum, beide tot en met 20 mei. www.jhm.nl