André Szász

Het leven van econoom André Szász draaide om de monetaire ontwikkelingen van zijn tijd. Hoewel hij voorstander was van een Europese munt waarschuwde hij al vroeg voor de problemen die de eurozone nu tekenen.

Zijn ogen begonnen te glinsteren en met zijn karakteristieke, krakerige stem zei André Szász: ‘Zal ik het voor de zekerheid even opzoeken?’ Dan draaide hij zich om naar het kluisje op zijn werkkamer bij De Nederlandsche Bank. Uit het kluisje haalde hij een schriftje, waarin hij nauwgezet bijhield wat er besproken was in de besloten vergaderingen over monetaire samenwerking waaraan hij had deelgenomen. En dan las hij een passage voor die bevestigde wat hij zich herinnerde.

Na zijn studie economie aan de Universiteit van Amsterdam was André Szász in 1960 bij dnb gaan werken. In 1973 trad hij toe tot de directie, belast met internationale monetaire zaken. Hij was getuige van de monetaire ontwikkelingen van die tijd: het einde van het stelsel van ‘Bretton Woods’ toen de Verenigde Staten in 1971 de koppeling van de dollar aan het goud loslieten, de pogingen om tot een wisselkoersmechanisme te komen waarmee Europese landen hun nationale munten binnen een bandbreedte aan elkaar koppelden, en de totstandkoming van het Verdrag van Maastricht in 1991 waarbij besloten werd tot de Economische en Monetaire Unie.

Toen in 1999 de munten van elf Europese landen onlosmakelijk aan elkaar werden gekoppeld en in 2002 twaalf landen overgingen op de euro was hij na zijn pensionering actief als bijzonder hoogleraar Europese studies. In die tijd publiceerde hij, gebaseerd op zijn aantekenschriftjes, De euro: Politieke achtergronden van de wording van een munt dat in het Engels uitkwam als The Road to European Monetary Union. Het waren standaardboeken, evenals zijn proefschrift Monetaire diplomatie: Nederlands internationale monetaire politiek 1958-1987 waarop hij in 1988 promoveerde.

André Szász werd in Jogjakarta geboren. Zijn vader was met zijn gezin in de jaren twintig uit Hongarije naar Nederland gekomen om vervolgens in Nederlands-Indië als arts aan het werk te gaan. Szász’ hele leven stond in het teken van zijn monetaire belangstelling. Hij was doordrongen van het belang van een stabiele munt en lage inflatie. Die overtuiging deelde hij met geestverwanten bij de Bundesbank, de (West-)Duitse centrale bank waar hij veel vrienden had.

Op Frans-Duits initiatief was in 1979 een Europees monetair stelsel tot stand gekomen om wisselkoersschommelingen te beperken. De D-Mark was hiervan het anker. Toen het eerste kabinet-Lubbers in 1983 besloot om een revaluatie van de D-Mark niet te volgen, reageerde De Nederlandsche Bank gepikeerd dat dit ‘eens maar nooit weer’ was. Het ‘harde guldenbeleid’ dat daarna gevoerd werd, was de uitvoering van Szász’ overtuiging dat de gulden aan de D-Mark gekoppeld moest blijven.

Na 1989 was Szász betrokken bij de voorbereidingen om tot een Europese munt te komen. In 1990 gaf hij met president Duisenberg van dnb een toelichting over de voortgang voor het kabinet-Lubbers III in de Trêveszaal. ‘Iedereen was verrast. Ze leken voor het eerst te beseffen wat voor vaart de zaak had’, herinnerde Szász zich naderhand. Een jaar later, december 1991, vond de Europese top van Maastricht plaats. Maar omdat de politieke leiders zich niet hielden aan de zorgvuldig door de centrale bankiers uitgestippelde route lag daar, meende Szász, de kiem voor de latere problemen in de eurozone.

Hij hamerde op de naleving van de criteria en verdragen

Tijdens de top had premier Lubbers namelijk toegestaan dat premier Andreotti (Italië) en president Mitterrand (Frankrijk) op het laatste moment een definitieve datum voor de invoering van de Europese munt aan het verdrag hadden toegevoegd. Zodra vast stond dat de muntunie hoe dan ook in 1999 zou beginnen, waren naar Szász’ overtuiging de strenge toelatingscriteria waarop de centrale bankiers hadden aangedrongen waardeloos geworden. Dat bleek toen Italië vanaf de begindatum mocht meedoen en twee jaar later Griekenland ook. Geen van beide landen voldeed aan de toelatingscriteria.

De tweede fout die volgens hem werd gemaakt was dat de monetaire unie niet gepaard ging met een vorm van politieke unie. Ironisch genoeg had juist de Bundesbank daar voortdurend op gehamerd. De toenmalige Europese politieke leiders beschouwden dit als een poging van de Bundesbank om het monetaire eenwordingsproces te blokkeren, of op z’n minst te vertragen. De muntunie kwam tot stand zonder politieke unie.

Szász liet niet na te beklemtonen dat de monetaire unie bij uitstek een politiek project was, ingegeven door de noodzaak Duitsland na de val van de Muur in te bedden in West-Europa en de Franse wens om het monetaire overwicht van de D-Mark te beteugelen. Het waren ook politieke beslissingen om de Zuid-Europese landen te laten deelnemen.

Na de invoering van de euro hamerde Szász op de naleving van de criteria en verdragen. Alleen dan kon een muntunie van nationale staten stand houden. Hij vertolkte een standpunt dat in Nederland minder weerklank heeft dan in Duitsland: de muntunie was bedoeld als een stabiliteitszone en niet als solidariteitszone. Hoofdschuddend zag hij het de verkeerde kant op gaan, des te meer toen de Europese Centrale Bank zich niets bleek aan te trekken van het verbod in haar statuten om landen te redden.

Desondanks bleef hij vasthouden aan de wenselijkheid van een Europese munt, al waarschuwde hij vanaf de zijlijn dat het mis kon gaan. Niet omdat Griekenland of Italië uit de eurozone zou stappen, maar omdat Duitsland er genoeg van zou krijgen om op te draaien voor de kosten van tekortlanden. Als een populistische partij daarop inhaakt, dan is dat het einde van de euro, voorspelde hij.

Bij het overlijden van André Szász, afgelopen week op 84-jarige leeftijd, telde de eurozone negentien landen en waren de problemen waarop hij bij leven onvermoeibaar wees, niet voorbij.