Andy’s godjes

In het kleine antiquariaat in het dorp waar ik me momenteel bevind, heb ik The Andy Warhol Diaries, Edited by Pat Hackett gekocht. Die dagboeken beginnen ongeveer in 1976.
Andy, zo schrijft Hackett in het voorwoord, was alleen maar geïnteresseerd in sterren; hij wilde bewonderen en je zou kunnen zeggen dat hij met zijn kunst niets anders beoogde dan van iets of iemand zo snel mogelijk een icoon te maken, iets dat aanbeden kan worden. Mensen moesten goden worden en het zou te goedkoop zijn om te beweren dat hij vervolgens wilde dat goden mensen moesten worden; maar zijn zelf in elkaar gezette godjes moesten wel degelijk beschikken over een grote hoeveelheid slechte eigenschappen, en hadden ze die niet, dan schreef Andy ze die wel toe.
De bekende namen die je in dit dagboek tegenkomt zijn ontelbaar, maar wat zo grappig is, is dat niemand ooit bezwaar heeft gemaakt tegen deze dagboeken. Bijna alle ‘sterren’ leven nog. Bianca Jagger en Mick komen er vaak in voor. Bijna altijd in een zin waarin ook het woord cocaïne voorkomt. Het is niet zomaar gossip wat hij Pat Hackett laat opschrijven, het is de roddel van een bepaalde scene: filmsterren, koningen en koninginnen, popsterren, de glitterati, maar vooral De Onbereikbaren.
Dat is toch wat deze dagboeken zo aardig maken en waarin ze zich onderscheiden van Story of Privé of een gewone roddelrubriek in de krant. Hier lezen we hoe Echte Sterren zich vervelen, hoe Echte Sterren vreemdgaan, hoe Echte Sterren zelfmoord plegen. Andy ging dan ook naar zo'n vijf gebeurtenissen per dag. Want hij was tenslotte ook een Echte Ster. Hij werkte tot half acht in de Factory, ging naar huis, kleedde zich om, bezocht een Beroemd Restaurant en toog daarna naar een feest, meestal een opening van een tentoonstelling of een première van een toneelstuk of film. Soms bleef hij daar niet langer dan een kwartier en keek hij alleen wie er te bewonderen viel. Voortdurend maakte hij foto’s, en van alles en iedereen maakte hij bandopnames. Het mondaine leven moest worden vastgelegd. Om een uur of één was het genoeg en ging hij naar huis om te slapen. Om acht uur moest hij weer opstaan om te werken.
Ik weet niet meer waar ik het heb gelezen, maar Andy schijnt nooit geliefden te hebben gehad. Van seks genoot hij ook niet echt. Hij genoot van het zien van anderen die seks hadden zonder zelf tot bevrediging te geraken. Misschien is dit een apocrief verhaal, maar de persoonlijkheid die uit zijn dagboeken naar voren komt, is constant onbevredigd. En hij lijkt met genoegen te kijken naar beroemdheden die ook nooit bevredigd worden. Het lijkt zijn taak te zijn ze neer te zetten in dezelfde onechte kleuren als zijn kunstwerken.
Ik lees de dagboeken met groot genoegen. Het is, zeker achteraf gezien, roddel op niveau.
Het is bijna niet mogelijk van Andy’s leven een sociogram te maken: iedereen stond even ver van hem af en was hem even lief voor zo lang als het duurde. Veertig jaar later krijgen we een blik op een wereld die voor mij het hoogtepunt van de vrijheid was. Vrijer dan toen zal het pas over tweehonderd jaar weer worden, denk ik. Ofschoon Andy op dat moment zelf al een aanslag achter de rug had - van een feministe - en het de tijd was dat de Kennedy’s en Dr King door aanslagen om het leven kwamen, lijkt het wel of ieder vreemd, raar, artistiek idee kon bloeien, juist door de geboden vrijheid. Men zoop, snoof en naaide en God zag dat het de goden goed deed.
Er waren toen ook al stevige ideologieën en godsdiensten, maar die werden, zoals het hoort, niet zo serieus genomen.