Angry old man

In de jaren zestig was Herman Wigbold een verstandige en vooruitstrevende opiniemaker bij de Vara en Het Vrije Volk. Nu spuugt hij, op de opiniepagina’s van menig krant, zijn gal op de protestgeneratie die in diezelfde tijd ontstond. Zijn filippica’s zijn gebundeld. Een oudere collega ergerde zich en zocht hem op.
HERMAN WIGBOLD (70) heeft zichzelf weer glorieus in het nieuws geschreven. Dit keer met een boek dat Frits Spits op Radio 2 ‘een orkaan’ noemde, dat Boudewijn Buch in De tafel van Pam kwalificeerde als nogal wild maar uitermate leesbaar, dat Theo van Gogh kenschetste als ‘Bosboompraat’, en dat Rob Trip in Met het oog op morgen verleidde tot de vraag: ‘Is het zo erg met Nederland?’ Zaterdag mocht Wigbold in een gesprek met Peter de Bie voor de Tros uitgebreid uitleggen waarom hij de protestgeneratie verantwoordelijk acht voor de kwalen des tijds.

Martin Ros, hoofdredacteur van De Arbeiderspers en uitgever van Wigbolds boek, zweeg voor de radio decent over zijn uitgave, hetgeen hem siert. En deze vrijdag tenslotte mag Wigbold zijn hele verhaal nog eens verkopen op Radio 5 in NCRV’s Goedemorgen Nederland. Kortom: een formidabele radio-explosie. En dat voor een boek dat vorige week nog niet eens in de handel was. Als alles goed is gegaan ligt het pas sinds midden deze week in de winkels.
De titel van Wigbolds schepping luidt Bezwaren tegen de ondergang van Nederland. In elf hoofdstukken keert Wigbold zich tegen dozijnen individuen die hij verte genwoordigers acht van de ‘protestgeneratie’. Dat is de generatie die volgens de auteur de jaren zestig beheerste of dacht te beheersen en die nu aan de macht is. En verantwoordelijk is voor alle verschrikkingen die Nederland thans, anno 1995, naar de ondergang dreigen te voeren.
Een van de karakteristieken van Herman Wigbold is altijd al zijn vermogen geweest anderen te laten geloven dat hij gelijk heeft. Hij kon, als eindredacteur van de eens roemruchte Vara-actualiteitenrubriek Achter het nieuws en later als hoofdredacteur van Het Vrije Volk, journalisten dusdanig deskundig ontslaan dat ze overtuigd raakten van de absolute noodzaak van hun vertrek. En kritiek op zijn doen en laten is nimmer aan Wigbold besteed, die lijkt langs hem af te glijden. Maar of hij zijn gelijk kan binnenhalen met dit boek…?
Wigbold: 'Het kan me geheel niet schelen wat anderen ervan vinden. Ik vond het nodig dit alles eens op papier te zetten. Er is zoveel geschreven over die protestgeneratie! Je zou bijna denken dat de geschiedenis pas echt begon in 1960 en dat de jaren zestig alleen maar mooie, zeer goede dingen hebben opgeleverd. Zoals de seksuele revolutie. Maar de seksuele revolutie was alleen maar mogelijk dank zij het feit dat de farmaceutische industrie een pil op de markt bracht.’
Wigbold zit er in zijn Utrechtse huiskamer uitermate ontspannen en zelfs vrolijk bij. Hij laat schaamteloos merken de enorme radiopubliciteit schitterend te vinden. Hij zegt een verzoek van Theo van Gogh te hebben voor een tv-optreden, maar dat houdt hij nog even in beraad. Misschien, mijmert hij, wil een grote omroep wel iets met hem.
Wie zijn boek consumeert, krijgt onherroepelijk de indruk dat de muren van Wigbolds huis schuil gaan achter duizenden en duizenden boeken, ordners en archiefdozen. De elf hoofdstukken van zijn tirades tegen, onder andere, 'De geldsmijters’, 'De luchtverkopers’, 'De verexcuseerders’, 'De gedogers’, 'De elite’, 'De homoverzuilers’, 'De megalomanen’, 'De Hilversummertjes’ en 'De gedogers’, staan vol citaten uit tijdschriften, kranten en boeken.
Wigbold: 'Ik bewaar kranteartikelen en zo als ik denk ze later te kunnen gebruiken. En verder - je hoeft geen boek te bezitten om het te lezen en eruit te kunnen citeren. Er is hier een uitstekende openbare bibliotheek en Utrecht heeft een universiteitsbibliotheek.’
De oorspronkelijke en ongetwijfeld meer juiste titel van zijn boek, door hemzelf bedacht, was Moderne gektes. Maar, verklaart Wigbold, de uitgever was bang dat dan de mensen zouden denken dat het 'weer een boek over allerlei idiote therapieen en zo’ zou zijn en toen hebben ze de uiteindelijke titel voorgesteld, Bezwaren tegen de ondergang van Nederland. Wigbold: 'Een parafrase natuurlijk op Da Costa’s Bezwaren tegen de geest des tijds, en daar was iedereen enthousiast over, dus ik dacht dan zal het wel goed zijn.’ (Isaac Da Costa’s Bezwaren tegen den geest der eeuw veroorzaakte in 1823 grote opschudding binnen de protestantse kerk; het was het begin van het Reveil.)
WAT BEWOOG Wigbold op deze manier van leer te trekken tegen een enkele generatie, tegen de groep die geboren werd kort na het einde van de bezetting en die dus nu, zoals het heet, in de kracht van het leven is? Wigbold: 'Niet het geld; je wordt in Nederland met zo'n boek niet rijk. Om in het nieuws te blijven, om mezelf nog eens te bewijzen? Misschien, maar ik hoef geen carriere meer te maken. Nee, ik vond gewoon dat het maar eens uit moest zijn met de zelfverheerlijking waar die protestgeneratie zo verschrikkelijk aan lijdt. Ik heb dit boek met grote lust geschreven.’
Lust of misschien wellust…
Wigbold, uitermate vrolijk en lachend: 'Precies, dat wou ik zeggen, maar ik vond het zo grof. Maar het is zo: wellust. Grote wellust.’
Door het hele boek heen gebruikt Wigbold verregaande vergelijkingen. 'Amsterdam is de slechtst bestuurde stad van Europa.’ Welke andere steden heeft hij bestudeerd?
'Dat moet je natuurlijk niet letterlijk nemen. Het is een metafoor. Ik heb me nog ingehouden. Meestal zeg ik of schrijf ik: Amsterdam is de slechtst bestuurde stad van het westelijk halfrond. Je moet het symbolisch opvatten.’
Nog een bezwaar: slordigheid. Verkeerd gespelde namen, onjuiste data. Hij schrijft: 'MacKinsey schreef al in 1950 “Sexual Behaviour of the Human Male”.’ Drie slordigheden in een zin. Het is Kinsey, zonder Mac, het boek kwam uit in 1948, en het heet Sexual Behaviour in the Human Male.
Wigbold, al weer met een ontwapenend gebaar: 'Ja, goed, ik ben af en toe slordig, vooral met namen. Geef ik toe. Maar dat doet natuurlijk aan wat ik in mijn boek beweer geen tittel of jota af.’
Laten we eens door je boek lopen. Je trekt enkele keren heftig van leer tegen wat je noemt de 'partitocratie’.
'Ja, zinspeling op Italiaanse toestanden.’
Okee. Maar kijk nu eens naar enkele andere landen. Oostenrijk. De 'Proporz’. Alles keurig opgedeeld tussen de partijen. Neem Belgie. Bijna alle benoemingen in het ambtenarenapparaat zijn politieke benoemingen. Duitsland: idem dito. Engeland. Frankrijk. Wij in Nederland doen het keurig.
'Vergeleken met de landen die je noemt zijn we misschien ook wel keurig. Maar we vinden van onszelf dat we het zo uitzonderlijk goed doen, dat we alles zo goed doen. Dat we zo brandschoon zijn op dit en ander gebied. En dat is gewoon niet zo. Alles is betrekkelijk, dus ook dat.’
IETS ANDERS DAN. Je gaat enorm tekeer tegen het geld dat bedrijven uitgeven aan logo’s. Soms miljoenen. Maar een logo is een ontwerp, het kan erg belangrijk zijn voor het imago van een bedrijf, voor de herkenning. Een ontwerp moet toch goed worden betaald?
'Ja, een logo is een ontwerp. Maar het wordt allemaal zo enorm overdreven. Er wordt zo met geld voor dit soort dingen gesmeten. Neem een ander voorbeeld: welzijnsinstellingen. Er wordt aan allerlei organisaties advies gevraagd. In geen enkel land zijn zoveel adviesbureaus als in Nederland. Er is dat geval van een organisatie die vijftigduizend gulden betaalde voor een advies dat makkelijk op een A4'tje had gekund en dat ik voor duizend gulden in een uur had kunnen schrijven. Er was namelijk voor het probleem maar een enkele oplossing…’
Je valt allerlei mensen aan. Laten we er even een paar noemen. Hedy d'Ancona…
'Ze heeft zich uitermate truttig gedragen. Ze was of is voor mij het schoolvoorbeeld van zo'n alles-mag-figuurtje, alles-moet- kunnen. En waarom Wim Kok? Neem zijn optreden rondom Wijers, het gedoe met die auto. Ik heb de uitzending waarom Wijers werd beschuldigd van onbehoorlijk optreden niet gezien. Heb er dus geen concreet oordeel over. Maar Wim Kok heeft zich er emotioneel drukker om gemaakt dan hij ooit is geweest over Joegoslavie. In mijn boek vraag ik me af of iemand nog weet dat Kok ooit lange haren heeft gehad.’
Je maakt in je boek in het hoofdstuk 'De Hilversummertjes’ ruzie met Marcel van Dam. Toen je iets ging doen voor de commerciele televisie wilde hij ondanks een twintigjarige vriendschap kennelijk niets meer met je te maken hebben. Hij heeft je een boek niet teruggestuurd dat je hem leende. Maar hoort dat nu thuis in een bundel over rottigheden in de maatschappij?
'Nee, misschien niet, Ik heb dat stukje ook tussen haakjes gezet, als een anekdote. En ja, ik heb het er wel met iemand over gehad, moet dit nou? Maar toen zei die iemand: joh, daar vallen de journalisten over.’
Wigbold brengt zelf het gesprek op een van de zaken die hem duidelijk erg beroeren: de homobeweging. Een artikel over homo’s stuurde hij ooit naar Vrij Nederland. Dit brave blad weigerde het. De Groene publiceerde het destijds wel. Wigbold: 'Dat met de homofiele beweging - dat vind ik nu het schoolvoorbeeld van hoe zaken zijn doorgeschoten. Let wel, ik heb enkele goede vrienden onder de homo’s. Ik weet dat je tegenwoordig voorzichtig moet zijn zelfs dat te zeggen. Maar het gaat me ook niet om de homo’s, die moeten doen wat ze niet laten kunnen. Het gaat me om de homobeweging. Er is vroeger veel gelachen om de katholieke geitemelkersbond of zo. Maar de homo’s hebben voor alles hun eigen bedoening. Eigen bibliotheken, geloof ik, eigen Olympische Spelen, eigen tennisclubs. En dat dan terwijl ze zo streven naar gelijke behandeling. Trouwens, ik vind ook dat de homo’s niet te veel andere mensen in de weg moeten lopen. Neem het cruisen - ze eisen de vrijheid op seks te bedrijven in een openbaar park. Maar dat maakt het voor andere mensen moeilijk in dat park nog van de natuur te genieten.’
ANDERE ZAKEN in hetzelfde vlak? Wigbold noemt de prostitutie en de coffeeshops. De 'gedogers’ hebben toegelaten dat er steeds meer coffeeshops zijn gekomen. Niemand schijnt zich iets aan te trekken van de overlast die ze veroorzaken. En dat terwijl men ze toch had kunnen rantsoeneren, je hebt toch ook voor het openen van een cafe een vergunning nodig? En de prostitutie. Het aanwijzen van gedoogzones is, vindt Wigbold, het afschuiven van een groot probleem op de rug van de nette burger. Er zijn straten waar ’s avonds een net jong meisje niet meer met goed fatsoen kan lopen zonder te worden lastiggevallen. En de rechtspraak. Die rammelt, vindt hij.
Wigbold: 'Er heeft ooit een professor geschreven dat hij bang was dat bij een rechter ingebroken zou worden en dat dit - dus! - de rechter zou kunnen beinvloeden, dat hij door die inbraak zijn objectiviteit zou kunnen verliezen. Wel, ik vind het omgekeerde. Ik vind dat het goed zou zijn als eens bij een rechter ingebroken zou worden, voor mijn part bij alle rechters, dan zouden ze eens kunnen ervaren wat het betekent als je hele huis overhoop gehaald is. Het is een soort verkrachting.’
Is dit niet een erg 'rechtse’ opmerking, in de trant van Wim Bosbooms televisierubriek Dat wou ik even kwijt?
'Wel verdomme, dat is niet rechts! Dat is links. Ik neem het op voor de zwakken, de onderdrukten. Dat is links. En verder kan het me geen reet schelen wat men ervan vindt.’
Ligt wat hij zegt niet geheel in de lijn van Frits Bolkestein en af en toe zelfs van Janmaat? Wigbold: 'Ja, wat Bolkestein betreft, dat kan. Bolkestein beheerst op het ogenblik in Nederland het politieke debat. En dat is precies wat ik de sociaal-democratie kwalijk neem. Ze zitten te slapen. De Partij van de Arbeid beheerste het politieke debat in de jaren zestig en zeventig en ook nog daarna wel. Maar nu niet meer. En wat Janmaat betreft: ik pas ervoor dingen die ik rot vind niet te zeggen omdat Janmaat ze ook zou kunnen zeggen of al gezegd heeft. Ik heb met Janmaat niets te maken.’
Iets heel anders nog: Europa. Wigbold veegt de vloer aan met het Verenigde Europa.
'Ja. En terecht. Ik was ooit voor een Verenigd Europa. Maar niet een Europa dat je nationale identiteit aantast. Ze verzinnen daar in Brussel de meest idiote dingen. Wat je mag doen met een bouillonblokje. En hoe een appel en een peer eruit moeten zien. Ik vind het onzin dat een staat zijn spoorwegen niet meer zou mogen subsidieren. Natuurlijk moet een staat heer en meester kunnen blijven over zijn openbaar vervoer. Ook Europa is te ver doorgeschoten, net als zoveel andere zaken.’
EEN ONDERWERP dat in alle radio-uitzendingen ook onverbiddelijk aan de orde kwam, is abortus. Als zijn dochter hem zou vragen of zij moest aborteren of niet, zou hij geen antwoord geven, niet ja en niet nee. Ze moest het zelf maar weten. Wigbold: 'Kijk, weer zo'n zaak. Ik heb zelf destijds, toen ik de leiding had van Achter het nieuws, een paar uitzendingen over abortus gemaakt toen nog niemand erover praatte. De kranten durfden zelfs het woord niet te noemen. Ik heb meegeholpen de zaak open te breken. Maar nu is het veel te ver doorgeschoten. Abortus, vind ik, moet geen middel zijn tot geboortenbeperking. Er wordt gesjoemeld met de vraag wanneer het nog kan. Drie maanden? Vier maanden? Na zeven maanden ook nog?’
Wigbold komt regelmatig terug op de misdaad en de misdadiger. Nee, hij is zelf nooit slachtoffer geweest van een misdrijf, er is dus bij hem geen sprake van enige rancune, van gefrustreerdheid op dit gebied. Wigbold: 'Maar als iets te ver is doorgeschoten, dan dit. Alle belangstelling richt zich op de misdadiger. In Den Bosch wordt een inbreker, als hij uit de gevangenis komt, aan alle kanten geholpen. Hij krijgt zelfs een huis toegewezen. Gewone, eerlijke mensen kunnen op hun huis wachten. Alles, werkelijk alles richt zich op de crimineel. En er is geen enkele belangstelling voor het slachtoffer. Zoals ik in mijn boek schrijf: de criminelen liggen onder een wattendeken. Wie zich tegen een crimineel verzet, loopt een gerede kans als een misdadiger te worden behandeld. Of iets anders gezegd: de crimineel krijgt het tienvoudige aan reclasseringshulp van het bedrag dat aan het slachtoffer wordt besteed.
Ja, en dan de kinderporno. Volkomen uit de hand gelopen. Produkt van de moet- kunnen-generatie. Kijk, als een pedofiel thuis naar plaatjes van een kind wil kijken, moet hij dat zelf weten. Als hij zich daarmee wil bevredigen, is het ook nog zijn zaak. Maar het is van de gekke te propageren dat volwassenen seksueel met kinderen zouden mogen omgaan. Elk seksueel gebruik, ik zeg: misbruik van kinderen door volwassenen moet worden uitgeroeid. Punt uit.’
Wigbolds boek - honderdvijftig pagina’s - staat vol met dit soort voorbeelden van wat hij de 'verloedering van de maatschappij’ noemt. En telkens weer probeert hij te bewijzen dat die verloedering het gevolg is van het handelen van de protestgeneratie. Maar zelf heeft hij toch ook invloed gehad in die jaren zestig? Deed hij dan alles goed? Wigbold: 'Ja, dat heb ik me natuurlijk afgevraagd. Ik heb gezocht. En ja, ik zal natuurlijk wel eens iets hebben gedaan wat ik nu niet meer zou doen. Maar ik heb niets kunnen vinden waarvoor ik me nu zou moeten schamen.’
Waar staat hij eigenlijk na dit alles politiek?
'Ik heb bij de laatste verkiezingen Partij van de Arbeid gestemd.’
En wat Europa betreft?
'Ik ga voor die troep helemaal niet meer stemmen.’
En is hij niet bang dat ze hem een angry old man zullen vinden?
'Nee hoor, dat mogen ze gerust, ik zou het helemaal niet erg vinden.’